Gratis brononderzoek

Wegcode

Verkeersregels, voorrang, snelheid en verkeerssignalisatie.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Let op: tegenstrijdige datuminformatie in de Wegcodebron

Justel vermeldt voor bepaalde gewestelijke teksten een opheffing op 1 september 2026. De gewestelijke overheden communiceren 1 juni 2027 voor de nieuwe verkeerscodes. Die informatie sluit niet op elkaar aan. De bronopname lost dit verschil niet op en bepaalt niet welke tekst in uw regio en op de datum van uw dossier geldt. Controleer de officiële gewestelijke publicaties voordat u deze bepalingen toepast.

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-03 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-08-31

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

151 bronvarianten

  1. Art. 45bis · Brussel

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1   ----------   (1)<BESL 2018-07-19/14, art. 18, 077; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 45bis · Wallonië

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45bis_WAALS_GEWEST.   <Opgeheven bij BWG 2017-07-06/39, art. 16, 076; Inwerkingtreding : 20-05-2018>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 45bis · Vlaanderen

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45bis_VLAAMS_GEWEST.   [1 LADING VAN VOERTUIGEN: SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN    § 1. Dit artikel is van toepassing op de volgende voertuigcategorieën, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen:    1° categorie N2;    2° categorie N3;    3° categorie O3;    4° categorie O4;    5° categorie T, met een door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/u.    Dit artikel is niet van toepassing op voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en die eigen zijn aan dat beroep.    § 2. De bestuurder van een voertuig mag zijn voertuig niet gebruiken als het ladingzekeringssysteem van de in of op het voertuig vervoerde lading niet in overeenstemming is met de voorwaarden, vermeld in paragraaf 4.    De bestuurder van een voertuig moet:    1° een visuele controle uitvoeren om zich ervan te vergewissen dat de achterste laaddeuren, de inklapbare laadklep, de deuren, de dekzeilen, het reservewiel en de andere uitrustingen die te maken hebben met het gebruik van het voertuig, zijn vastgezet;    2° zich ervan vergewissen dat de lading geen hinder vormt voor het veilig besturen van het voertuig;    3° zich ervan vergewissen dat het zwaartepunt van de lading zoveel mogelijk gecentreerd wordt op het voertuig.    § 3. In deze paragraaf wordt verstaan onder laadeenheid: een hoeveelheid goederen die zodanig is gebundeld of op een andere wijze bijeen is gebracht dat de behandeling, de stapeling en de opslag als één verpakkingseenheid kan plaatsvinden.    Als de primaire verpakking of laadeenheid van een goed beschadigd is of niet voldoende stevig is voor een veilig transport van de goederen, moet de verpakker en/of verlader de goederen bijkomend omhullen met een transportverpakking die onbeschadigd en stevig genoeg is om een afdoende ladingzekering mogelijk te maken.    De verlader bezorgt de vervoerder waarop hij een beroep doet vooraf schriftelijk alle informatie die de vervoerder nodig acht om de goederen te stouwen. Die informatie bestaat minstens uit:    1° de aard van de laadeenheid;    2° de massa van de lading en elke laadeenheid;    3° de positie van het zwaartepunt van elke laadeenheid als die niet in het midden ligt;    4° de buitenafmetingen van elke laadeenheid;    5° de beperkingen voor het stapelen en de richting die tijdens het vervoer moet worden toegepast;    6° de wrijvingsfactor van de goederen, als die niet is opgenomen in bijlage B van EN 12195:2010 of in de bijlage van de normen IMO/UNECE/ILO;    7° alle aanvullende informatie die vereist is voor de juiste zekering.    Als de verlader de vervoerder de opdracht geeft om containers of wissellaadbakken te vervoeren, verstrekt de verlader aan de vervoerder een verklaring waarin het gewicht van de vervoerde containers of wissellaadbakken wordt vermeld.    De vervoerder verschaft toegang tot alle ter zake doende documentatie van de verlader aan de bevoegde personen in het kader van een controle.    Tenzij op voorhand en schriftelijk anders wordt overeengekomen moet aan al de volgende voorwaarden voldaan zijn:    1° de vervoerder voldoet aan de volgende voorwaarden:    a) hij voorziet een voertuig dat geschikt is voor de lading waarvoor hij is gecontracteerd;    b) hij biedt op de plaats van laden een voertuig aan dat schoon en zonder structurele schade is;    c) hij staat in voor het bevestigen van de container op het chassis;    d) hij zekert de lading conform dit artikel;    2° de verpakker voldoet aan de volgende voorwaarden:    a) hij beschrijft de goederen. Die beschrijving bevat minstens de informatie, vermeld in het derde lid;    b) als de kans bestaat dat de goederen beschadigd worden door spanbanden, beschrijft hij een alternatieve methode voor het zekeren van de goederen. Als die alternatieve methode specifieke eisen stelt aan het gebruikte voertuig, worden die vermeld;    3° de verlader voldoet aan de volgende voorwaarden:    a) hij staat in voor de verdeling van de lading over de laadvloer;    b) hij respecteert de maximale toelaatbare massa en de aslasten van het voertuig;    c) hij verstrekt de informatie, vermeld in het derde en vierde lid;    d) hij maakt een correcte zekering mogelijk;    4° de verzender voorziet in alle nodige documenten, met daarin minstens:    a) een correcte beschrijving van de goederen;    b) de massa van de totale lading;    c) alle informatie die nodig is voor de juiste verpakking;    d) de kennisgeving aan de verpakker en/of vervoerder van ongewone transportparameters bij individuele verpakkingen.    § 4. Het ladingzekeringssysteem moet de krachten kunnen weerstaan die worden uitgeoefend als het voertuig de volgende versnellingen of vertragingen ondergaat:    1° 0,8 g in voorwaartse richting;    2° 0,5 g in achterwaartse richting;    3° 0,5 g in zijdelingse richting, aan beide zijden.    Als een samenstellend onderdeel van een ladingzekeringssysteem onderworpen wordt aan een kracht als vermeld in het eerste lid, mag de erop uitgeoefende drukkracht de maximale nominale last van dat onderdeel niet overschrijden.    De samenstellende onderdelen van een ladingzekeringssysteem van een voertuig voldoen aan al de volgende voorwaarden:    1° ze moeten correct functioneren;    2° ze moeten geschikt zijn voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt;    3° ze mogen geen knopen, beschadigde of verzwakte elementen vertonen die de werking ervan met het oog op het zekeren van de lading kunnen aantasten;    4° ze mogen geen scheuren, sneden of uitrafelingen vertonen;    5° ze moeten conform de daarvoor geldende Europese en/of internationale productnormen zijn.    Het ladingzekeringssysteem dat wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig te omsluiten, vast te zetten of tegen te houden, moet geschikt zijn voor de afmetingen, de vorm, de stevigheid en de kenmerken van de lading.    Het ladingzekeringssysteem kan opgebouwd zijn uit een enkelvoudige of gecombineerde toepassing van ladingzekeringssystemen.    Het omvallen of het kantelen van de lading wordt voorkomen.    Voor het vastzetten van de lading wordt gebruikgemaakt van een of meer van de volgende bevestigingsmethodes:    1° opsluiten;    2° vergrendelen (plaatselijk/overal);    3° direct vastzetten;    4° neersjorren.    § 5. De stouwvoorziening of de geïntegreerde vergrendelvoorziening die wordt gebruikt om een lading aan een voertuig vast te maken, wordt zelf zodanig gezekerd dat ze niet ontgrendeld kan raken of kan loskomen.    De stouwvoorziening of de geïntegreerde vergrendelvoorziening die wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig vast te zetten, moet voldoen aan al de volgende voorwaarden:    1° ze is ontworpen en vervaardigd voor de doeleinden waarvoor ze wordt gebruikt;    2° ze wordt gebruikt en onderhouden in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant en de geldende Europese en/of internationale normen.    § 6. Voor een lading die op een voertuig omsloten, vastgezet of gestouwd wordt in overeenstemming met de richtsnoeren voor Europese beste praktijken over het zekeren van lading voor vervoer over de weg, geldt dat het ladingzekeringssysteem voldoet aan de eisen, vermeld in paragraaf 4, eerste lid.    De zekeringsmethoden en -middelen zijn in overeenstemming met de meest recente versie van de onderstaande normen:      Norm Onderwerp  EN 12195-1 Berekening van de sjorkrachtenEN 12640 SjorpuntenEN 12642 Sterkte van de structuur van de laadvloerEN 12195-2 Sjorbanden gemaakt van kunstvezelsEN 12195-3 SjorkettingenEN 12195-4 SjorstaalkabelsISO 1161, ISO 1496 ISO-containerEN 283 WissellaadbakkenEN 12641 DekzeilenEUMOS 40511 Palen - RongenEUMOS 40509 Vervoer - Verpakking ]1   ----------   (1)<BVR 2017-11-17/15, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 27-01-2018>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 46 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 46. LADING VAN DE VOERTUIGEN : AFMETINGEN.   46.1. De breedte van een beladen voertuig, gemeten met al de uitstekende delen inbegrepen, mag de volgende maxima niet te boven gaan :   1° (auto, bespannen voertuig of hun aanhangwagen : (2,55) meter of 2,6 meter indien het voertuig een breedte heeft van 2,6 meter overeenkomstig het technisch reglement van de auto's.) <KB 1991-09-18/32, art. 20,1°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1998-12-15/32, art. 24, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>   Evenwel :   a) wanneer de lading bestaat uit graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk, met uitsluiting van de geperste balen, mag de breedte van het geladen voertuig 2,75 m bedragen;   b) wanneer de lading is samengesteld zoals hierboven gezegd en vervoerd wordt hetzij binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, hetzij binnen een zone van 25 km van de Belgische grens, mag de breedte van het geladen voertuig 3 meter bedragen.   In de onder a) en b) hierboven bepaalde gevallen mag geen enkele vaste steun zodanig geplaatst worden dat enig deel van die steun zich op meer dan 1,25 meter van het overlangs vlak van symmetrie van het voertuig bevindt;   2° (bromfiets met drie of vier wielen, drie- en vierwieler met of zonder motor of hun aanhangwagen : de breedte van de lading mag ten hoogste 0,30 meter meer bedragen dan de breedte van het niet beladen voertuig, met een volstrekt maximum van 2,50 meter.) <KB 1997-07-16/32, art. 7, 1°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   3° handkar : 2,50 meter;   4° fiets, tweewielige bromfiets of hun aanhangwagen : (1,00) m; <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>   5° (...) motorfiets, zonder zijspanwagen of zijn aanhangwagen : 1,25 meter; <KB 1997-07-16/32, art. 7, 2°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   6° (...) motorfiets met zijspanwagen : de breedte van de lading mag ten hoogste 0,30 meter meer bedragen dan de breedte van het niet beladen voertuig. <KB 1997-07-16/32, art. 7, 2°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   46.2.1. In geen geval mag de lading van voren buiten het vooreinde van het voertuig, of indien het een bespannen voertuig is, buiten de kop van het gespan uitsteken.   (Evenwel mag de lading van slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto's van voren ten hoogste 0,50 m uitsteken.) <KB 1991-09-18/32, art. 20,2°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   46.2.2. <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De lading van fietsen, bromfietsen, motorfietsen, drie- en vierwielers met of zonder motor en hun aanhangwagens mag van achteren niet meer dan 0,50 meter uitsteken buiten het voertuig of de aanhangwagen. De lengte van aanhangwagens, getrokken door rijwielen zonder motor, mag, lading inbegrepen, niet meer bedragen dan 2,50 meter.   46.2.3. De lading van de andere voertuigen mag niet verder dan 1 meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteken.   (De uitstek mag evenwel bedragen :   a) 3 meter, wanneer een van deze voertuigen met lange ondeelbare stukken beladen is;   b) 1,50 meter, voor de ladingen van slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto's.) <KB 1991-09-18/32, art. 20,3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   46.3. De hoogte van een beladen voertuig mag niet meer dan 4 meter bedragen.   (Die van een rijwiel zonder motor mag, lading inbegrepen, niet meer dan 2,50 meter bedragen.) <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>   (46.4. De lading van een voortbewegingstoestel mag niet meer dan 0,50 meter vooraan en achteraan en 0,30 meter aan elke kant overschrijden.   De hoogte van een beladen voortbewegingstoestel mag niet meer dan 2,50 meter overschrijden.) <KB 2007-02-13/33, art. 17, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 46 · Wallonië

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 46_WAALS_GEWEST.    LADING VAN DE VOERTUIGEN : AFMETINGEN.   46.1. De breedte van een beladen voertuig, gemeten met al de uitstekende delen inbegrepen, mag de volgende maxima niet te boven gaan :   1° (auto, bespannen voertuig of hun aanhangwagen : (2,55) meter of 2,6 meter indien het voertuig een breedte heeft van 2,6 meter overeenkomstig het technisch reglement van de auto's.) <KB 1991-09-18/32, art. 20,1°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1998-12-15/32, art. 24, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>   Evenwel :   a) wanneer de lading bestaat uit graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk, met uitsluiting van de geperste balen, mag de breedte van het geladen voertuig 2,75 m bedragen;   b) wanneer de lading is samengesteld zoals hierboven gezegd en vervoerd wordt hetzij binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, hetzij binnen een zone van 25 km van de Belgische grens, mag de breedte van het geladen voertuig 3 meter bedragen.   In de onder a) en b) hierboven bepaalde gevallen mag geen enkele vaste steun zodanig geplaatst worden dat enig deel van die steun zich op meer dan 1,25 meter van het overlangs vlak van symmetrie van het voertuig bevindt;   2° (bromfiets met drie of vier wielen, drie- en vierwieler met of zonder motor of hun aanhangwagen : de breedte van de lading mag ten hoogste 0,30 meter meer bedragen dan de breedte van het niet beladen voertuig, met een volstrekt maximum van 2,50 meter.) <KB 1997-07-16/32, art. 7, 1°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   3° handkar : 2,50 meter;   4° fiets, tweewielige bromfiets of hun aanhangwagen : (1,00) m; <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>   5° (...) motorfiets, zonder zijspanwagen of zijn aanhangwagen : 1,25 meter; <KB 1997-07-16/32, art. 7, 2°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   6° (...) motorfiets met zijspanwagen : de breedte van de lading mag ten hoogste 0,30 meter meer bedragen dan de breedte van het niet beladen voertuig. <KB 1997-07-16/32, art. 7, 2°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   46.2.1. In geen geval mag de lading van voren buiten het vooreinde van het voertuig, of indien het een bespannen voertuig is, buiten de kop van het gespan uitsteken.   (Evenwel mag de lading van slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto's van voren ten hoogste 0,50 m uitsteken.) <KB 1991-09-18/32, art. 20,2°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   46.2.2. <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De lading van fietsen, bromfietsen, motorfietsen, drie- en vierwielers met of zonder motor en hun aanhangwagens mag van achteren niet meer dan 0,50 meter uitsteken buiten het voertuig of de aanhangwagen. De lengte van aanhangwagens, getrokken door rijwielen zonder motor, mag, lading inbegrepen, niet meer bedragen dan 2,50 meter.   46.2.3. De lading van de andere voertuigen mag niet verder dan 1 meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteken.   (De uitstek mag evenwel bedragen :   a) 3 meter, wanneer een van deze voertuigen met lange ondeelbare stukken beladen is;   b) 1,50 meter, voor de ladingen van slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto's.) <KB 1991-09-18/32, art. 20,3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   46.3. De hoogte van een beladen voertuig mag niet meer dan 4 meter bedragen.   [1 Indien de lading echter uit geperste vlasbalen bestaat, mag de hoogte van het beladen voertuig tot 4,30 m bedragen.]1   (Die van een rijwiel zonder motor mag, lading inbegrepen, niet meer dan 2,50 meter bedragen.) <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>   (46.4. De lading van een voortbewegingstoestel mag niet meer dan 0,50 meter vooraan en achteraan en 0,30 meter aan elke kant overschrijden.   De hoogte van een beladen voortbewegingstoestel mag niet meer dan 2,50 meter overschrijden.) <KB 2007-02-13/33, art. 17, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>      ----------   (1)<BWG 2021-09-09/09, art. 3, 093; Inwerkingtreding : 02-10-2021>
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 46 · Vlaanderen

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 46_VLAAMS_GEWEST.    LADING VAN DE VOERTUIGEN : AFMETINGEN.   46.1. De breedte van een beladen voertuig, gemeten met al de uitstekende delen inbegrepen, mag de volgende maxima niet te boven gaan :   1° (auto, bespannen voertuig of hun aanhangwagen : (2,55) meter of 2,6 meter indien het voertuig een breedte heeft van 2,6 meter overeenkomstig het technisch reglement van de auto's.) <KB 1991-09-18/32, art. 20,1°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1998-12-15/32, art. 24, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>   Evenwel :   a) wanneer de lading bestaat uit graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk, met uitsluiting van de geperste balen, mag de breedte van het geladen voertuig 2,75 m bedragen;   b) wanneer de lading is samengesteld zoals hierboven gezegd en vervoerd wordt hetzij binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, hetzij binnen een zone van 25 km van de Belgische grens, mag de breedte van het geladen voertuig 3 meter bedragen.   In de onder a) en b) hierboven bepaalde gevallen mag geen enkele vaste steun zodanig geplaatst worden dat enig deel van die steun zich op meer dan 1,25 meter van het overlangs vlak van symmetrie van het voertuig bevindt;   2° (bromfiets met drie of vier wielen, drie- en vierwieler met of zonder motor of hun aanhangwagen : de breedte van de lading mag ten hoogste 0,30 meter meer bedragen dan de breedte van het niet beladen voertuig, met een volstrekt maximum van 2,50 meter.) <KB 1997-07-16/32, art. 7, 1°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   3° handkar : 2,50 meter;   4° fiets, tweewielige bromfiets of hun aanhangwagen : (1,00) m; <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>   5° (...) motorfiets, zonder zijspanwagen of zijn aanhangwagen : 1,25 meter; <KB 1997-07-16/32, art. 7, 2°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   6° (...) motorfiets met zijspanwagen : de breedte van de lading mag ten hoogste 0,30 meter meer bedragen dan de breedte van het niet beladen voertuig. <KB 1997-07-16/32, art. 7, 2°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   46.2.1. In geen geval mag de lading van voren buiten het vooreinde van het voertuig, of indien het een bespannen voertuig is, buiten de kop van het gespan uitsteken.   (Evenwel mag de lading van slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto's van voren ten hoogste 0,50 m uitsteken.) <KB 1991-09-18/32, art. 20,2°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   46.2.2. <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De lading van fietsen, bromfietsen, motorfietsen, drie- en vierwielers met of zonder motor en hun aanhangwagens mag van achteren niet meer dan 0,50 meter uitsteken buiten het voertuig of de aanhangwagen. De lengte van aanhangwagens, getrokken door rijwielen zonder motor, mag, lading inbegrepen, niet meer bedragen dan 2,50 meter.   46.2.3. [1 Bij de andere voertuigen dan de voertuigen, vermeld in artikel 46.2.2, mag de horizontale afstand tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de achterkant van het voertuig niet meer bedragen dan 1 meter.    In afwijking van het eerste lid mag de horizontale afstand:    1° tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de inrichting, vermeld in artikel 55, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, of, bij het ontbreken daarvan, de achterkant van het voertuig evenwel niet meer bedragen dan 0,40 meter als de lading bij voertuigen van categorie N en O bestaat uit een container, afzetcontainer of wissellaadbak.    De horizontale afstand wordt gemeten zonder rekening te houden met het gedeelte van de uitstekende lading dat zich op minder dan 0,55 meter en meer dan 2 meter van de grond bevindt.    2° tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de achterkant van het voertuig niet meer dan 3 meter bedragen als het voertuig geladen is met lange ondeelbare stukken;    3° tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de achterkant van het voertuig niet meer dan 1,50 meter bedragen bij slepen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van auto's;    4° tussen het achterste gedeelte van de uitstekende lading en de achterkant van het voertuig niet meer dan 1,50 meter bedragen als de lading bestaat uit een meeneemheftruck die bevestigd is aan de achterkant van een voertuig van categorie N of O, op voorwaarde dat de afstand tussen de onderkant van de achterste rand van de meeneemheftruck en het wegdek niet meer dan 65 cm bedraagt en die achterste rand voldoende stevigheid biedt om te fungeren als stootbalk.    De afwijkingen vermeld in het vorige lid doen geen afbreuk aan de verplichtingen uit andere regelgeving, inzonderheid op het vlak van het respecteren van de aslasten, de verdeling van de massa over het voertuig en de draaicirkel.    In dit artikel wordt verstaan onder lange ondeelbare stukken: een lading die teneinde te vervoeren over de weg, niet kan opgedeeld worden in meerdere ladingen zonder belangrijke kosten of schaderisico's en die ten gevolge haar lengte niet vervoerd kan worden met een voertuig dat op het vlak van lengte voldoet aan het technisch reglement.]1   46.3. De hoogte van een beladen voertuig mag niet meer dan 4 meter bedragen.   [2 Als de lading uit geperste balen vlas bestaat, mag de hoogte van het geladen voertuig echter 4,30 m bedragen.]2   (Die van een rijwiel zonder motor mag, lading inbegrepen, niet meer dan 2,50 meter bedragen.) <KB 2002-12-18/32, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>   (46.4. De lading van een voortbewegingstoestel mag niet meer dan 0,50 meter vooraan en achteraan en 0,30 meter aan elke kant overschrijden.   De hoogte van een beladen voortbewegingstoestel mag niet meer dan 2,50 meter overschrijden.) <KB 2007-02-13/33, art. 17, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>      ----------   (1)<BVR 2019-03-22/15, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 10-05-2019>   (2)<BVR 2021-01-15/11, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 14-02-2021>
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 47 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 47. LADING VAN DE VOERTUIGEN : SIGNALISATIE.   47.1. Als de voertuigen niet moeten verlicht zijn, worden de ladingen die meer dan één meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteken, gesignaleerd door een vierkantig bord dat zo aan de grootste uitstek van de lading bevestigd wordt dat het zich bestendig in een vertikaal vlak loodrecht op het langsvlak door het midden van het voertuig bevindt. Dit bord heeft een zijde van 0,50 meter en is in afwisselende rode en witte strepen van ongeveer 75 mm breed geschilderd. Een diagonaallijn van het vierkant is rood. De rode strepen moeten voorzien zijn van (retro-reflecterende) produkten. <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   47.2. Als de voertuigen moeten verlicht zijn worden de ladingen die meer dan één meter buiten het achtereinde van het voertuig uitsteken, gesignaleerd door het hierboven beschreven bord, aangevuld met een naar achteren gericht rood licht, en een oranje reflector aan elke zijkant.   Het hoogste punt van het lichtdoorlatende of -weerkaatsend gedeelte van de voor het signaleren van het achtereinde van een lading gebezigde middelen mag zich op niet meer dan 1,60 meter boven de grond bevinden.   Het laagste punt ervan mag zich op niet minder dan 0,40 meter boven de grond bevinden.   Bovendien :   1° bij een voertuig dat krachtens het technisch reglement van de auto's zijreflectoren moet voeren, moeten één of meerdere supplementaire oranje zijreflectoren op de lading aangebracht worden, wanneer de afstand tussen de buitenrand van de reflector die de grootste uitstek van de lading signaleert, en de buitenrand van de achterste reflector van het voertuig, groter is dan 3 meter.   In geen geval mag de afstand tussen de buitenranden van twee opeenvolgende reflectoren groter zijn dan 3 meter;   2° bij een voertuig dat krachtens het technisch reglement van de auto's geen zijreflectoren moet voeren, mogen één of meer oranje zijreflectoren op de lading aangebracht worden.   47.3. Wanneer het voertuig moet verlicht zijn, moeten de ladingen die zodanig buiten de zijkant van het voertuig komen dat hun uiterste zijkant zich op meer dan 0,40 m van de buitenrand van het lichtdoorlatend gedeelte van het standlicht bevindt, door omtreklichten en reflectoren gesignaleerd worden.   De lichten en reflectoren die aan de voorzijde zichtbaar zijn moeten wit zijn, deze die aan de achterzijde zichtbaar zijn, moeten rood zijn.   Het lichtdoorlatend of het lichtweerkaatsend gedeelte van deze lichten of reflectoren moet zich op minder dan 0,40 meter van het grootste uitstek bevinden.
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 47bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 47bis. <Ingevoegd bij KB 1991-09-18/32, art. 21; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   47bis1. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een beweegbaar laadplatform of enig ander achteraan aan het voertuig bevestigd middel en bestemd om het laden en lossen te vergemakkelijken, moeten ten minste de buitenste hoeken ten behoeve van de andere weggebruikers worden gesignaleerd :   - hetzij met (...) (retro-reflecterende) stroken die hieraan vastgemaakt zijn; <KB 1997-07-16/32, art. 8, 1°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997> <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   - hetzij met (retro-reflecterende) verkeerskegels; <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   - hetzij met oranjegele knipperlichten.   Deze signalisatiemiddelen mogen samen gebruikt worden. Zij moeten in alle omstandigheden zichtbaar zijn.   47bis2. Wanneer gebruik gemaakt wordt van beweegbare bedieningstoestellen dan moet het werkgebied gesignaleerd worden :   - hetzij met (retro-reflecterende) verkeerskegels; <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   - hetzij met één of meer draagbare oranjegele knipperlichten.   Deze signalisatiemiddelen mogen samen gebruikt worden. Zij moeten in alle omstandigheden zichtbaar zijn.   47bis3. (De (retro-reflecterende) stroken vermeld onder 47 bis 1. moeten een oppervlakte hebben van minimum 0,120 m2 met een breedte van minimum 0,25 m. <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   Zij moeten voorzien zijn van diagonale afwisselend rode en witte strepen van ten minste 0,10 m breedte.) <KB 1997-07-16/32, art. 8, 2°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   De (retro-reflecterende) verkeerskegels vermeld onder 47bis1 en 47bis2 moeten ten minste 0,40 m hoog zijn en voorzien van afwisselend rode en witte strepen van ten minste 0,10 m breedte. <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 48 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 48.UITZONDERLIJK VERVOER.   48.1. [1 ...]1   48.2. [1 ...]1   48.3. De vergunning vermeldt de maatregelen die moeten genomen worden [1 ...]1 om alle beschadiging van de openbare weg, van de aanhorigheden daarvan, van de erin liggende kunstwerken en van de aanpalende eigendommen te voorkomen.   48.4. De Minister van Openbare Werken of zijn gemachtigde kan, vooraleer een vergunning af te leveren, het storten van een borgsom vereisen. Door van een vergunning gebruik te maken verbindt de gebruiker zich ertoe de schade en de kosten te betalen die uit het vervoer kunnen voortvloeien.   ----------   (1)<KB 2010-06-02/13, art. 39, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 48 · Wallonië

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 48_WAALS_GEWEST.    UITZONDERLIJK VERVOER.   48.1. [1 ...]1   48.2. [1 ...]1   48.3. [2 ...]2   48.4. [2 ...]2.   ----------   (1)<KB 2010-06-02/13, art. 39, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2010>   (2)<BWG 2024-03-21/80, art. 49,1°, 107; Inwerkingtreding : 01-03-2024>
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 48 · Vlaanderen

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 48_VLAAMS_GEWEST. (Opgeheven bij DVR 2013-05-03/14, art. 22, 060; Inwerkingtreding : 01-03-2014, zie BVR 2013-12-20/46, art. 14, 1°)
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 48bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 48bis. <KB 25-11-1980, art. 1> VERVOER VAN GEVAARLIJKE GOEDEREN.   48bis.1. Verplichting de autosnelwegen te volgen. Voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren in de zin van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.) en zijn bijlagen, ondertekend te Genève op 30 september 1957 en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960, en die krachtens dat Verdrag of krachtens verordeningsbepalingen van intern recht voorzien moeten zijn van een oranje bord, moeten, behalve in geval van noodzaak, de autosnelwegen volgen.   48bis.2. Verboden toegang.   De toegang tot de openbare wegen of delen van openbare wegen, voorzien van (de verkeersborden C24a, b, of c) is verboden aan de bestuurders van voertuigen die de gevaarlijke goederen vervoeren welke (, door de voor vervoer van gevaarlijke goederen bevoegde Ministers) zijn bepaald. <KB 2002-12-18/32, art. 9, 021; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 49 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 49.SLEPEN.   49.1. [1 Een motorvoertuig en een gespan mogen slechts één voertuig trekken.    Evenwel :    - [2 ...]2    - een motorfiets met zijspanwagen mag alleen een aanhangwagen trekken indien het zijspanwiel uitgerust is met een rem;    - een takelwagen mag een geleed voertuig trekken, uitsluitend om het naar de plaats van herstelling te brengen, wanneer hij beantwoordt aan de bijzondere voorwaarden daartoe bepaald in het technisch reglement van de auto's;]1   [4 - het trekkend voertuig van een langere en zwaardere sleep, die onder de voorwaarden bepaald door de overheden bevoegd voor infrastructuur aan het verkeer deelneemt, mag twee aanhangwagens trekken.]4   49.2. Deze bepaling geldt niet voor de hierna genoemde slepen, voor zover zij tegen niet meer dan 25 km per uur rijden :   1° slepen van kermisvoertuigen, woonwagens inbegrepen;   2° slepen van voertuigen die door aannemers van werken worden gebezigd en hetzij tussen garage, station of werkterrein, hetzij van het ene werkterrein naar het andere rijden;   3° slepen van landbouwvoertuigen die rijden binnen een straal van 25 km van de hoeve;   4° [3 toeristische miniatuurtreinslepen mits de exploitatie ervan, door de gemeenteoverheid als "openbare ontspanning" wordt toegelaten en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging;]3   5° slepen van publiciteitsmaterieel.   De totale lengte van deze slepen mag niet meer dan 25 meter bedragen.   49.3. Het is verboden een motorvoertuig te slepen behalve indien dit voertuig zich niet meer op eigen kracht kan verplaatsen of niet meer alle veiligheidswaarborgen biedt.   49.4.1. De koppeling die een aanhangwagen met het trekkend voertuig verbindt moet overeenstemmen met de voorschriften van de technische reglementen van de auto's of van de bromfietsen en motorfietsen.   49.4.2. Zodra de afstand tussen het voorvlak van een aanhangwagen en het achtervlak van het trekkend voertuig groter is dan 3 meter, moet de koppeling gesignaleerd worden :   - als het voertuig niet moet verlicht zijn : door een rode lap;   - als het voertuig moet verlicht zijn : door een van ter zijde zichtbaar oranje licht, tenzij de koppeling verlicht is.   Deze bepaling geldt eveneens voor gesleepte voertuigen.   49.5. Noodkoppelingen of de hulpkoppelingen alleen die voorzien zijn in het technisch reglement van de auto's mogen (slechts gebruikt worden door de bestuurders van auto's, alleen in geval van overmacht) en uitsluitend om, met een snelheid van maximum 25 km per uur, tot op de plaats van herstelling te brengen : <KB 1997-07-16/32, art. 9, 1°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   - een aanhangwagen waarvan de hoofdkoppeling of de bevestiging ervan niet meer de vereiste veiligheid biedt;   - een auto (of een vierwieler met motor) die zich niet meer op eigen kracht (kunnen) verplaatsen of die niet alle veiligheidswaarborgen (bieden). <KB 1997-07-16/32, art. 9, 2°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   Voor de toepassing van deze bepaling worden de speciale uitrustingen waarmede sommige voertuigen met het oog op het wegslepen zijn voorzien, niet als noodkoppelingen beschouwd.   ----------   (1)<KB 2011-06-11/04, art. 10, 049; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   (2)<KB 2014-01-29/13, art. 13, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (3)<W 2015-12-06/19, art. 3, 067; Inwerkingtreding : 28-01-2016>   (4)<KB 2018-03-18/06, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 01-03-2018>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 50 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 50. SNELHEIDSWEDSTRIJDEN, SPORTWEDSTRIJDEN.   Behoudens speciale toelating van de wettelijke gemachtigde overheid zijn verboden op de openbare weg, alle snelheids- en sportwedstrijden, inzonderheid snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden.
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 51 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 51. DEFECT VOERTUIG, OP DE OPENBARE WEG GEVALLEN LADING.   51.1. De bestuurder van een defect voertuig moet de nodige maatregelen nemen om de (veiligheid en vlotheid van het verkeer) te verzekeren. <KB 2007-04-27/39, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 19-05-2007>   Ten dien einde moet hij het voertuig opstellen zoals een geparkeerd voertuig.   Wanneer een auto of een door dit voertuig getrokken aanhangwagen evenwel niet kan worden verplaatst of slechts kan worden opgesteld op een plaats waar het stilstaan en het parkeren verboden zijn, moet de bestuurder dit voertuig op afstand signaleren door de gevaarsdriehoek, voorzien in artikel 81.2.1° van dit reglement.   De bestuurder kan bovendien gebruik maken van andere signalisatiemiddelen, ondermeer door het gelijktijdig doen functioneren van alle richtingsaanwijzers van het voertuig of door een draagbaar oranjegeel knipperlicht te plaatsen.   De auto of aanhangwagen waarvan de verlichtings- of signalisatiemethoden defect zijn moet op dezelfde wijze gesignaleerd worden wanneer het voertuig niet duidelijk kan worden opgemerkt van op een afstand van ongeveer 100 meter.   51.2. De gevaarsdriehoek wordt vóór het voertuig geplaatst ongeveer in verticale stand, op een afstand van ten minste 30 meter op de gewone wegen en van ten minste 100 meter op de autosnelwegen, en zodanig dat hij voor de naderende bestuurders zichtbaar is van op een afstand van ongeveer 50 meter.   Binnen de bebouwde kommen, op plaatsen waar de afstand van 30 meter niet kan in acht genomen worden, mag de gevaarsdriehoek op een kleinere afstand en eventueel op het voertuig geplaatst worden.   51.3. Wanneer een lading geheel of gedeeltelijk op de openbare weg valt en niet onmiddellijk kan worden weggeruimd moet de bestuurder eveneens de nodige maatregelen nemen om de (veiligheid en vlotheid van het verkeer) te verzekeren en de hindernis signaleren zoals hierboven bepaald. <KB 2007-04-27/39, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 19-05-2007>   (51.4. Wanneer op autosnelwegen en autowegen de bestuurder van een pechvoertuig op een plek terechtkomt waar hij niet mag stoppen of parkeren, moet hij een retro-reflecterende veiligheidsvest dragen, zodra hij zijn voertuig verlaat.) <KB 2007-01-07/31, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   (51.5. Is de bestuurder afwezig, weigert hij of is hij niet in staat om de bevelen van de in artikel 3 van dit besluit bevoegde personen op te volgen, dan mag de bevoegde persoon ambtshalve voor de verplaatsing van het voertuig en de lading zorgen.   Op autowegen en autosnelwegen zorgt de bevoegde persoon steeds ambtshalve voor de verplaatsing van het voertuig en de lading.   De verplaatsing gebeurt op risico en kosten van de bestuurder en de burgerlijk aansprakelijke personen.) <KB 2007-04-27/39, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 19-05-2007>
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 52 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 52. GEDRAG BIJ EEN ONGEVAL.   52.1. Elke persoon betrokken in een ongeval moet de nodige maatregelen nemen om de (veiligheid en vlotheid van het verkeer) te verzekeren.   De bestuurder moet ondermeer de bepalingen van artikel 51 naleven. <KB 2007-04-27/39, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 19-05-2007>   Het voertuig moet evenwel niet verplaatst worden wanneer het een ongeval betreft dat lichamelijk letsel heeft veroorzaakt.   52.2. Elke persoon betrokken in een ongeval dat uitsluitend stoffelijke schade heeft veroorzaakt, moet :   1° indien hij meer dan vijftien jaar oud is, zijn identiteitskaart of het als zodanig geldend bewijs vertonen aan andere in het ongeval betrokken personen die er hem om vragen;   2° ter plaatse blijven ten einde gezamenlijk de nodige vaststellingen te doen, of, zo er tussen de partijen geen akkoord is, een bevoegd persoon toe te laten die vaststellingen te doen. Indien geen bevoegd persoon binnen een redelijke tijd kan bereikt worden mogen de betrokken personen zodra mogelijk aangifte doen van het ongeval, hetzij op het dichtsbijgelegen politie- of rijkswachtbureau, hetzij op dat van hun woon- of verblijfplaats.   Zo een partij die schade geleden heeft evenwel niet aanwezig is, moeten de bij het ongeval betrokken personen zoveel mogelijk ter plaatse hun naam en adres opgeven, en in elk geval moeten zij deze inlichtingen zo haast mogelijk rechtstreeks of door tussenkomst van politie of rijkswacht mededelen.   52.3. Elke persoon betrokken in een ongeval dat lichamelijk letsel heeft veroorzaakt, moet :   1° zo nodig, hulp verlenen aan de gekwetsten;   2° indien hij meer dan vijftien jaar oud is, zijn identiteitskaart of het als zodanig geldend bewijs vertonen aan andere in het ongeval betrokken personen die er hem om vragen;   3° ter plaatse blijven ten einde een bevoegd persoon toe te laten de nodige vaststellingen te doen. Onttrekt zich niet aan de verplichtingen ter plaatse te blijven, de persoon die zich tijdelijk van de plaats van het ongeval verwijdert om hulp te verlenen aan de gekwetsten of om beroep te doen op een bevoegd persoon, na zijn naam en adres aan een van de eventueel aanwezige personen te hebben opgegeven.   Indien evenwel geen bevoegd persoon binnen een redelijke tijd kan bereikt worden, moeten de betrokken personen aangifte doen van het ongeval uiterlijk binnen vierentwintig uren, hetzij op het dichtsbijgelegen politie- of rijkswachtbureau, hetzij op dat van hun woon- of verblijfplaats.
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 53 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 53. GESPANNEN.   53.1. In een gespan mogen niet meer dan vier dieren achter elkander en niet meer dan drie nevens elkander lopen.   53.2. Het leidsel op het tuig moet zodanig ingericht zijn dat de bestuurder het gespan steeds goed in de hand kan hebben en zijn voertuig veilig en juist kan mennen.   53.3. Gespannen moeten vergezeld zijn van zoveel begeleiders als voor de veiligheid van het verkeer vereist is. Aan de bestuurder van het voertuig dient in ieder geval een begeleider te worden toegevoegd, zodra er meer dan vijf dieren ingespannen zijn.   53.4. Wanneer een gespan een ander voertuig voortbeweegt en de sleep, zonder inbegrip van de dissel van het eerste voertuig, langer dan 16 meter is, moet een begeleider het tweede voertuig vergezellen.   53.5. Wanneer de lading van een mallejan langer dan 12 meter is, moet een begeleider te voet achter de lading volgen.
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 54 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 54. HANDKARREN.   Wanneer een handkar of de lading hiervan niet voldoende zicht naar voren vrij laat, moet de bestuurder zijn handkar trekken.
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 55 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 55.DIEREN.   55.1. De bestuurder van trek-, last- of rijdieren en van vee moet, in voorkomend geval, door een voldoend aantal begeleiders bijgestaan worden.   55.2. De bestuurder en de begeleiders moeten voortdurend in de nabijheid van de dieren blijven, ze kunnen in bedwang houden en kunnen beletten dat zij het verkeer belemmeren en ongevallen veroorzaken.   55.3. Binnen de bebouwde kommen is het verboden de ingespannen of de bereden dieren te laten galopperen.   55.4. (De ruiters die de rijbaan volgen, mogen met tweeën naast elkaar rijden.) <KB 25-03-1987, art. 12>
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 55bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 55bis. <KB 25-03-1987, art. 13> RUITERS IN GROEP.   1. Dit artikel is slechts van toepassing op groepen van ten minste 10 ruiters.   2. De ruiters die in een groep van ten minste 10 rijden, mogen begeleid worden door een groepsleider die waakt over het goede verloop van de tocht.   Deze groepsleider moet ten minste 21 jaar oud zijn en hij moet om de linkerarm een band dragen met, horizontaal, de nationale kleuren en, in zwarte letters op de gele strook, het woord " groepsleider ".   3. Op de kruispunten waar het verkeer niet geregeld wordt door verkeerslichten, mag de groepsleider het verkeer op de dwarswegen stilleggen op de wijze bepaald in artikel 41.3.2., terwijl de groep oversteekt.
    Open officiële bron ↗