Gratis brononderzoek

Wegcode

Verkeersregels, voorrang, snelheid en verkeerssignalisatie.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Let op: tegenstrijdige datuminformatie in de Wegcodebron

Justel vermeldt voor bepaalde gewestelijke teksten een opheffing op 1 september 2026. De gewestelijke overheden communiceren 1 juni 2027 voor de nieuwe verkeerscodes. Die informatie sluit niet op elkaar aan. De bronopname lost dit verschil niet op en bepaalt niet welke tekst in uw regio en op de datum van uw dossier geldt. Controleer de officiële gewestelijke publicaties voordat u deze bepalingen toepast.

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-03 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-08-31

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

151 bronvarianten

  1. Art. 35 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 35.(Veiligheidsgordels en kinderbeveilingssystemen.) <KB 2006-08-22/31, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   35.1. <KB 2000-06-24/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2000>   35.1.1. (De bestuurder en de passagiers van auto's die aan het verkeer deelnemen, moeten de veiligheidsgordel dragen, op de plaatsen die ermee zijn uitgerust.   Kinderen van minder dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem.   Op de zitplaatsen die niet zijn uitgerust met een veiligheidsgordel worden geen kinderen vervoerd van minder dan 3 jaar. Op de zitplaatsen voorin die niet zijn uitgerust met een veiligheidsgordel worden geen kinderen vervoerd van minder dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm.   Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing in voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, in taxi's en in voertuigen bestemd voor het geregeld en de bijzondere vormen van geregeld vervoer van personen, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, A en B, van de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en autocars. In taxi's waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden kinderen van minder dan 18 jaar en die kleiner zijn dan 135 cm op een andere zitplaats dan een van de zitplaatsen voorin in het voertuig vervoerd.   Kinderen van minder dan 18 jaar worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.   De bestuurder en de passagier van motorvoertuigen die aan het verkeer deelnemen andere dan auto's, moeten de veiligheidsgordel dragen op de plaatsen die ermee zijn uitgerust. De kinderen van minder dan 3 jaar moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem. Kinderen van 3 jaar of meer en minder dan [1 8 jaar]1 moeten worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem, of de veiligheidsgordel dragen.) <KB 2006-08-22/31, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   [1 Op een tweewielige bromfiets of een motorfiets met een maximale cilinderinhoud van 125 cm3, moeten kinderen [2 van drie jaar of meer en minder dan acht jaar]2 worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem.]1   [1 In afwijking van het zesde lid, tweede en derde zin, mogen kinderen onder de drie jaar niet worden vervoerd op een tweewielige bromfiets of op een motorfiets; kinderen [2 van drie jaar of meer en minder dan acht jaar]2 mogen niet worden vervoerd op een motorfiets met een cilinderinhoud van meer dan 125 cm3.]1   [3 In afwijking van het vorige lid mogen kinderen van minder dan acht jaar worden vervoerd in een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat geplaatst is in de zijspanwagen van een motorfiets.]3   35.1.2. (In afwijking van artikel 35.1.1, tweede lid, mag, in voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en in voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3,5 ton, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen, niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, op de andere zitplaatsen dan de zitplaatsen voorin in het voertuig, een derde kind van 3 jaar of ouder en kleiner dan 135 cm worden vervoerd, indien het de veiligheidsgordel draagt.   In afwijking van artikel 35.1.1, tweede lid, mogen, in geval van incidenteel vervoer over korte afstand, in voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en in voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 3,5 ton, waarin geen of een onvoldoend aantal kinderbeveiligingssystemen beschikbaar is, op de andere zitplaatsen dan de zitplaatsen voorin in het voertuig, kinderen van 3 jaar of ouder en kleiner dan 135 cm worden vervoerd, indien zij de veiligheidsgordel dragen. Dit geldt niet met betrekking tot kinderen waarvan een ouder het voertuig bestuurt.) <KB 2006-08-22/31, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   35.1.3. (De veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem worden gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden.) <KB 2006-08-22/31, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   35.2.1. (Worden evenwel vrijgesteld van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem :   1° de bestuurders die achteruit rijden;   2° de bestuurders van taxi's wanneer zij een klant vervoeren;   3° [4 De bestuurder van een prioritair voertuig, bedoeld in artikel 37, wanneer hij personen vervoert die een potentiële bedreiging vormen of in de onmiddellijke omgeving van de plaats van de interventie.    De passagiers van een prioritair voertuig, bedoeld in artikel 37, wanneer een persoon die een potentiële bedreiging vormt, wordt vervoerd of in de onmiddellijke omgeving van de plaats van de interventie of wanneer ze de persoon verzorgen die wordt vervoerd.]4   4° de personen die in het bezit zijn van een vrijstelling op grond van gewichtige medische tegenindicaties afgeleverd door de Minister bevoegd voor verkeersveiligheid, of zijn gemachtigde, of, indien zij in het buitenland wonen, door de bevoegde instanties van dat land.   [5 De verschuldigde vergoeding voor het aanvragen van een vrijstelling bedraagt 20 euro. Elk jaar op 1 januari, wordt dit bedrag aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule: het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index. De nieuwe index is de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bedrag zal worden aangepast. De oorspronkelijke index is de gezondheidsindex van november 2021. Het bekomen resultaat wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan vijftig cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan vijftig cent.]5   De Minister bevoegd voor verkeersveiligheid stelt de modaliteiten van afgifte [5 , de modaliteiten voor de betaling van de retributie, de geldigheidsduur]5 en het model van de vrijstelling vast.) <KB 2006-08-22/31, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   (5° de beambten van de Post, wanneer zij, in het kader van de postbedeling en postophaling, achtereenvolgens, op plaatsen die op korte afstand van elkander gelegen zijn, postzendingen uitreiken of ophalen.) <KB 2007-06-08/44, art. 1, 043; Inwerkingtreding : 27-06-2007>   35.2.2. (De vrijstelling bedoeld in artikel 35.2.1, 4°, moet worden vertoond op elk door een bevoegd persoon gedaan verzoek.) <KB 2006-08-22/31, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   ----------   (1)<KB 2011-06-11/04, art. 6, 049; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   (2)<KB 2011-07-19/23, art. 1, 050; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   (3)<KB 2012-05-26/06, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 22-06-2012>   (4)<KB 2014-01-29/13, art. 12, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (5)<KB 2022-01-23/03, art. 2, 097; Inwerkingtreding : 01-03-2022>
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 36 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 36.[1 Valhelm - beschermende kleding]1 <KB 1997-07-16/32, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997> (De bestuurders en passagiers van drie- en vierwielers met motor [3 , uitgezonderd landbouwvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 40 km per uur die niet zijn uitgerust met een stuur als op een motorfiets,]3 [4 van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen met een door constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 20 km per uur]4 en van bromfietsen (...), zonder passagiersruimte, moeten een valhelm dragen.)[2 De bestuurders en passagiers van speed pedelecs [4 en van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen met een door constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 20 km per uur]4 hebben de keuze tussen een bromfietshelm of een fietshelm.]2 <KB 2000-06-24/30, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-07-2000> <KB 2002-05-14/35, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2003>   (De bestuurders en passagiers van motorfietsen moeten een valhelm dragen, behalve wanneer zij, conform de bepalingen van artikel 35.1.1, [1 zesde lid]1, de veiligheidsgordel dragen of vervoerd worden in een kinderbeveiligingssysteem en op voorwaarde dat het voertuig een passagiersruimte heeft; wanneer de vrijstellingen van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem, voorzien in artikel 35.2.1, 2°, 3° en 4°, van toepassing zijn, moet de valhelm worden gedragen; deze bepalingen zijn van toepassing op de driewielers met motor zonder passagiersruimte, waarvan de ledige massa gelijk is aan of hoger dan 400 kg.) <KB 2006-08-22/31, art. 3, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   De valhelm, gedragen door bestuurders en passagiers die in België wonen, moet, voor de maten van de helmen waarvoor de homologatie is vereist, een homologatieteken dragen waaruit de gelijkvormigheid met de door Ons vastgestelde normen blijkt. [2 De fietshelm, gedragen door bestuurders en passagiers van speed pedelecs [4 en van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen met een door constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 20 km per uur]4, moet bescherming bieden aan de slapen en het achterhoofd.]2   [1 Bestuurders en passagiers van motorfietsen dragen handschoenen, een jas met lange mouwen en een lange broek of een overall, alsook laarzen of bottines die de enkels beschermen.]1   [4 Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op personen met een verminderde mobiliteit die gemotoriseerde voortbewegingstoestellen gebruiken die uitsluitend voor hen zijn bestemd.]4   ----------   (1)<KB 2011-06-11/04, art. 7, 049; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   (2)<KB 2016-07-21/34, art. 18, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (3)<KB 2023-10-02/08, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2024>   (4)<KB 2026-08-27/01, art. 1, 110; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 37 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 37.PRIORITAIRE VOERTUIGEN.   37.1. Prioritaire voertuigen zijn uitgerust met een of meerdere blauwe knipperlichten en een speciaal geluidstoestel overeenkomstig de bepalingen van de technische reglementen van de auto's of van de bromfietsen en motorfietsen.   37.2. De blauwe knipperlichten moeten gebruikt worden wanneer het prioritaire voertuig een dringende opdracht uitvoert.   Ze mogen gebruikt worden bij de uitvoering van [3 een]3 andere opdracht [3 , alleen wanneer de aard van de opdracht het rechtvaardigt]3.   37.3. Het speciaal geluidstoestel mag slechts gebruikt worden wanneer het prioritaire voertuig een dringende opdracht uitvoert.   37.4. Wanneer het verkeer door verkeerslichten wordt geregeld mag het prioritaire voertuig dat het speciaal geluidstoestel gebruikt, het rood licht voorbijrijden [4 met een gematigde snelheid]4 en op voorwaarde dat zulks geen gevaar voor de andere weggebruikers oplevert.   [5 37.5. De bestuurder van een prioritair voertuig dat een dringende opdracht uitvoert hoeft dit reglement niet na te leven [8 , onder de voorwaarde dat de blauwe knipperlichten en het speciaal geluidstoestel worden gebruikt,]8 met uitzondering van de artikelen 4, 8.4, 16.4, 20, 24, eerste lid, 3°, 35, 36, 37, 44.1, vierde en vijfde lid en 59.1, indien het gaat om:    a) een bevoegde persoon bedoeld in artikel 3, 1°, [7 2°,]7 5° [7 ,7°]7 of 11° ;    b) een bestuurder van een voertuig voor dringende medische hulpverlening;    c) een bestuurder van een brandweervoertuig;    d) een bestuurder van een voertuig van de Civiele Bescherming;    e) [9 een bestuurder van een voertuig voor hulpverlening van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;]9    f) een bestuurder van een voertuig voor hulpverlening van Infrabel;    g) een bestuurder van een voertuig voor hulpverlening bij een ernstig incident veroorzaakt door water, gas, elektriciteit of radioactieve stoffen;    h) een bestuurder van de Dienst Opruiming en Vernietiging van Explosieven (DOVO) van Defensie, bij dringende ingrepen;]5   [6 i) een bestuurder van een voertuig gebruikt voor het vervoer van gedetineerden;    j) een noodplanningscoördinator.]6   ----------   (1)<W 2020-07-16/34, art. 3, 088; Inwerkingtreding : 01-10-2020>   (2)<W 2020-07-16/34, art. 4, 088; Inwerkingtreding : 01-10-2020>   (3)<W 2020-07-16/35, art. 3, 089; Inwerkingtreding : 12-10-2020>   (4)<W 2020-07-16/35, art. 4, 089; Inwerkingtreding : 12-10-2020>   (5)<W 2020-07-16/35, art. 5, 089; Inwerkingtreding : 12-10-2020>   (6)<KB 2022-03-09/07, art. 7, 098; Inwerkingtreding : 08-04-2022>   (7)<KB 2022-07-30/21, art. 12, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (8)<KB 2023-10-02/08, art. 3, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2024>   (9)<KB 2024-01-21/03, art. 3, 105; Inwerkingtreding : 11-02-2024>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 38 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38. GEDRAG TEGENOVER PRIORITAIRE VOERTUIGEN DIE HET SPECIAAL GELUIDSTOESTEL GEBRUIKEN.   Zodra het speciaal geluidstoestel het naderen van een prioritair voertuig aankondigt, moet elke weggebruiker onmiddellijk de doorgang vrijmaken en voorrang verlenen; zo nodig moet hij stoppen.
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 39 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 39. <KB 25-03-1987, art. 8> GEDRAG TEGENOVER AUTOBUSSEN EN TROLLEY-BUSSEN DIE HUN HALTEPLAATSEN VERLATEN.   Binnen de bebouwde kommen moet elke bestuurder die dezelfde richting volgt als een autobus of een trolley-bus, die autobus- of trolley-busbestuurder gelegenheid laten zijn halteplaats te verlaten wanneer hij met de richtingsaanwijzers zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt zijn voertuig opnieuw in beweging te brengen. Daartoe moet hij vertragen en, zo nodig, stoppen.   In dat geval en in afwijking van de bepalingen van artikel 12.4., moeten de autobus- en trolley-busbestuurders geen voorrang verlenen aan de andere bestuurders die dezelfde richting volgen.
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 39bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 39bis. GEDRAG TEGENOVER VOERTUIGEN VOOR SCHOOLVERVOER. <Ingevoerd bij KB 1991-09-18/32, art. 16, Inwerkingtreding : 01-09-1992>   39bis1. De voertuigen voor schoolvervoer worden gesignaleerd door het volgende bord.   <Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 23/10/1991, p. 23810>   Dit bord heeft een zijde van ten minste 0,40 m; de achtergrond ervan moet van (retro-reflecterend) produkten voorzien zijn. <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   Dit bord moet goed zichtbaar op het linkergedeelte vooraan en achteraan op het voertuig aangebracht zijn; het moet verwijderd of afgedekt worden wanneer het voertuig niet gebruikt wordt voor schoolvervoer.   39bis2. De bestuurders moeten dubbel voorzichtig zijn bij het naderen van een voertuig, gesignaleerd zoals bepaald in 1 hierboven. Zij moeten bovendien hun snelheid aanzienlijk matigen en zo nodig stoppen wanneer de bestuurder van het aldus gesignaleerde voertuig al de richtingaanwijzers doet werken en hiermee beduidt dat de kinderen gaan in- of uitstappen.

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  7. Art. 40 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 40.GEDRAG VAN DE BESTUURDERS TEGENOVER VOETGANGERS.   40.1. (De bestuurder mag de voetgangers niet in gevaar brengen die :   - zich bevinden op een trottoir, een deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers door het verkeersbord D9 (of D10), een berm of een vluchtheuvel; <KB 2003-04-04/66, art. 2410, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   - zich bevinden op een openbare weg gesignaleerd door de verkeersborden F99a of F99b of ingericht als speelstraat;   - zich bevinden in een zone afgebakend door de verkeersborden F12a en F12b of F103 en F105;   - op de rijbaan gaan onder de in dit reglement voorziene voorwaarden.) <KB 1998-10-09/32, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 01-11-1998>   (40.2. De bestuurder moet dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van kinderen, bejaarden of personen met een handicap, inzonderheid blinden met een witte of een gele stok en de personen met een handicap die een voertuig besturen dat zijzelf voortbewegen of dat uitgerust is met een elektrische motor waarmee niet sneller dan stapvoets kan gereden worden. Hij moet vertragen en zo nodig stoppen.) <KB 2003-04-04/66, art. 24, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   40.3.1. (De bestuurder moet zijn snelheid matigen wanneer hij rijdt langs een autocar, een autobus, een trolleybus, een minibus of een spoorvoertuig die stilstaan om reizigers te laten in- of uitstappen.) <KB 25-03-1987, art. 9>   (lid 2 opgeheven) <KB 1991-09-18/32, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 01-09-1992>   40.3.2. Bij afwezigheid van een vluchtheuvel aan de halteplaats van een voertuig voor gemeenschappelijk vervoer, moet de bestuurder die rijdt langs de kant waar de reizigers in- of uitstappen, dezen de gelegenheid laten in alle veiligheid het voertuig, het trottoir, (het deel van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers door het verkeersbord D9) of de berm te bereiken. (Daartoe moet hij stoppen om het in- en uitstappen mogelijk te maken en hij mag slechts opnieuw vertrekken met matige snelheid.) <KB 1990-07-20/40, art. 13,2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991> <KB 2003-04-04/66, art. 24, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   40.4.1. Op plaatsen waar het verkeer geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten, moet de bestuurder, zelfs wanneer het verkeer in zijn rijrichting is opengesteld, de voetgangers die zich regelmatig op de rijbaan hebben begeven, de gelegenheid laten het oversteken met een normale gang te beëindigen.   Bovendien, zo er op die plaatsen een oversteekplaats voor voetgangers is, moet de bestuurder in ieder geval stoppen vóór de oversteekplaats voor voetgangers wanneer het verkeer in zijn rijrichting gesloten is.   40.4.2. <KB 1996-03-14/32, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996> Op plaatsen waar het verkeer niet geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten, mag de bestuurder een oversteekplaats voor voetgangers slechts met matige snelheid naderen. Hij moet voorrang verlenen aan de voetgangers die er zich op bevinden of op het punt staan zich erop te begeven.   40.5. De bestuurder mag een oversteekplaats voor voetgangers niet oprijden wanneer het verkeer zodanig belemmerd is dat hij waarschijnlijk op die oversteekplaats zou moeten stoppen.   40.6. Bij het voorbijrijden van een hindernis waar de voetgangers omheen moeten gaan op de rijbaan, moeten de bestuurders langs die hindernis een vrije ruimte laten van ten minste één meter. Kan dit voorschrift niet nageleefd worden en loopt een voetganger ter hoogte van de hindernis, dan mag de bestuurder die hindernis niet sneller dan stapvoets voorbijrijden.   (40.7. De bestuurder moet een zijdelingse afstand van ten minste één meter laten tussen zijn voertuig en de voetganger wanneer laatstgenoemde zich op de rijbaan bevindt onder de in dit reglement voorziene voorwaarden.   [1 Buiten de bebouwde kom bedraagt de zijdelingse afstand ten minste 1,5 meter.]1   Indien deze minimumafstand niet nageleefd kan worden, mag de bestuurder slechts stapvoets rijden en zo nodig moet hij stoppen.   40.8. (...) <KB 2007-02-13/33, art. 12, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   ----------   (1)<W 2019-04-13/31, art. 5, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 40bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 40bis. <KB 1999-05-07/44, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 21-05-1999> Gedrag tegenover groepen kinderen, scholieren, personen met een handicap en bejaarden.   1. Het is de weggebruikers verboden te breken door een groep kinderen (, scholieren, personen met een handicap of bejaarden) : <KB 1999-05-07/44, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 21-05-1999>   1° ofwel in rijen, vergezeld van een leider;   2° ofwel die de rijbaan oversteekt onder de controle van een jeugdverkeersbrigade, van een leider of van een gemachtigd opzichter.   2. De weggebruikers moeten de aanwijzingen opvolgen die ter beveiliging van het oversteken van kinderen (, scholieren, personen met een handicap of bejaarden) door daartoe gemachtigde opzichters worden gegeven. <KB 1999-05-07/44, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 21-05-1999>   3. Om het verkeer stil te leggen, moeten de gemachtigde opzichters gebruik maken van een schijf waarop het verkeersbord C 3 afgebeeld is en waarvan de karakteristieken bepaald worden door de Minister van Verkeerswezen.
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 40ter · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 40ter.<Ingevoegd bij KB 1990-07-20/40, art. 14, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991> Gedrag tegenover de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.   De bestuurder van een auto of van een motorfiets mag een fietser of bestuurder van een tweewielige bromfiets die zich op de openbare weg bevindt onder de in dit reglement voorziene voorwaarden niet in gevaar brengen.   Hij moet dubbel voorzichtig zijn ten aanzien van fietsende kinderen en bejaarden.   Hij moet een zijdelingse afstand van ten minst één meter laten tussen zijn voertuig en de fietser of bestuurder van een tweewielige bromfiets.   [1 Buiten de bebouwde kom bedraagt de zijdelingse afstand ten minste 1,5 meter.]1   Hij mag een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen slechts met matige snelheid naderen teneinde de weggebruikers die er zich op bevinden, niet in gevaar te brengen en ze niet te hinderen wanneer zij het oversteken van de rijbaan met normale snelheid beëindigen. Zo nodig moet hij stoppen om ze te laten doorrijden.   Hij mag een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen niet oprijden wanneer het verkeer zodanig belemmerd is dat hij waarschijnlijk op die oversteekplaats zou moeten stoppen.   ----------   (1)<W 2019-04-13/31, art. 6, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 40quater · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 40quater. [1 Gedrag tegenover de deelnemers aan een wielerwedstrijd.    Elke weggebruiker moet onmiddellijk uitwijken, de rijbaan zo ver als mogelijk vrijmaken en stoppen:    1° bij het naderen van het openingsvoertuig dat de wedstrijdkaravaan met een rode vlag aankondigt;    2° bij het naderen van het openingsvoertuig dat de publiciteitskaravaan met een rode vlag aankondigt;    3° bij het naderen van een renner of een groep renners die aan een wielerwedstrijd deelnemen;    4° bij het naderen van een voertuig of de voertuigen van de wedstrijdkaravaan of de publiciteitskaravaan.    De bestuurders moeten blijven staan tot dat het sluitingsvoertuig dat het einde van de wedstrijdkaravaan of de publiciteitskaravaan met een groene vlag aankondigt, gepasseerd is. Het normale verkeer is dan terug toegelaten. ]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2019-09-16/02, art. 3, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 41 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 41. <KB 1999-05-07/44, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 21-05-1999> Gedrag tegenover militaire kolonnes, stoeten, [groepen voetgangers,] [processies, culturele, sportieve en toeristische evenementen] wielerwedstrijden, niet gemotoriseerde sportwedstrijden of -competities, groepen [fietsers], [groepen motorfietsers] groepen ruiters en werfopzichters op de openbare weg. <KB 2002-12-18/32, art. 5, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2003-04-04/66, art. 25, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   41.1. Het is de weggebruikers verboden te breken :   1° door een afdeling van een militaire kolonne bestaande uit een op mars zijnde troep of een voertuigenkonvooi waarvan de gang geregeld wordt door bevoegde personen of door daartoe gemachtigde militairen;   2° door een stoet, [een groep voetgangers,] [een samenkomst naar aanleiding van een cultureel, sportief of toeristisch evenement] of een processie; <KB 2002-12-18/32, art. 5, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2003-04-04/66, art. 25, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   3° [door een groep deelnemers aan een wielerwedstrijd of aan een niet gemotoriseerde sportwedstrijd of -competitie.] <KB 1990-07-20/40, art. 15,2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   4° [opgeheven] <KB 1990-07-20/40, art. 15,3°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   41.2.[2 ...]2   41.3.1. De weggebruikers moeten de aanwijzingen opvolgen die gegeven worden :   1° ter vergemakkelijking van de beweging der legerkolonnes, door daartoe gemachtigde militairen;   2° om de veiligheid te verzekeren :   a) [van culturele, sportieve en toeristische evenementen] [van wielerwedstrijden en van niet gemotoriseerde sportwedstrijden of -competities, door daartoe gemachtigde signaalgevers.] <KB 1990-07-20/40, art. 15,4°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991> <KB 2002-12-18/32, art. 5, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003>   b) van de groepen [fietsers] [en groepen motorfietsers] door wegkapiteins; <KB 2003-04-04/66, art. 25, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   c) van de [groepen voetgangers en] groepen ruiters, door groepsleiders. <KB 2003-04-04/66, art. 25, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   [d) van het personeel van de werken op de openbare weg door de werfopzichters.] <KB 1999-05-07/44, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 21-05-1999>   [1 e) van uitzonderlijke voertuigen, door de begeleiders en de verkeerscoördinators.]1   41.3.2. Om het verkeer stil te leggen, moeten de militairen, signaalgevers, wegkapiteins [1 groepsleiders, werfopzichters, begeleiders en verkeerscoördinators]1 gebruik maken van een schijf waarop het verkeersbord C 3 afgebeeld is en waarvan de karakteristieken bepaald worden door de Minister van Verkeerswezen.   ----------   (1)<KB 2010-06-02/13, art. 38, 048; Inwerkingtreding : 01-07-2010>   (2)<KB 2019-09-16/02, art. 4, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 42 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 42.VOETGANGERS.   42.1. [4 De voetgangers gebruiken in volgorde van aanwezigheid de volgende toegankelijke en begaanbare delen van de openbare weg:    1° het trottoir of het deel van de openbare weg gesignaleerd door het verkeersbord D9, D10 of D11;    2° het deel van de openbare weg gesignaleerd door het verkeersbord D13;    3° de verhoogde berm;    4° de gelijkgrondse berm;    5° de parkeerstrook;    6° de zijdelingse strook;    7° het fietspad;    8° de rijbaan.    Wanneer de voetgangers de rijbaan volgen, houden ze zich zo dicht mogelijk bij de rand van de rijbaan.    Ze gaan links ten opzichte van de door hen gevolgde richting wanneer ze de rijbaan of de zijdelingse stroken volgen, of rechts wanneer veiligheidsredenen het rechtvaardigen.    Wanneer voetgangers het fietspad volgen, verlenen zij doorgang aan de andere weggebruikers die zich hierop bevinden]4   42.2.1. (De personen die [1 een rijwiel, een gemotoriseerd rijwiel]1, een voortbewegingstoestel of een tweewielige bromfiets aan de hand leiden of die voorwerpen vervoeren die veel plaats innemen, moeten de rijbaan volgen zo zij in aanzienlijke mate de andere voetgangers hinderen.) <KB 2007-02-13/33, art. 14, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   42.2.2. [5 ...]5   42.3. Stoeten, processies en voetgangers in groep vergezeld van een leider, mogen de rijbaan volgen; in dat geval moeten zij rechts gaan.   (Groepen voetgangers van minimum vijf personen, vergezeld van een leider, mogen evenwel ook de linkerkant van de rijbaan volgen. In dat geval moeten zij achter elkaar lopen.   Wanneer (de zichtbaarheidsvereisten), bedoeld in artikel 30 van toepassing zijn, moet de positie van de lichten, voorgeschreven in artikel 30.3.5°, omgekeerd worden.) <Erratum, zie B.S. 12-01-2004, p. 1400> <KB 2003-04-04/66, art. 26, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   42.4.1. De voetgangers moeten de rijbaan haaks op haar aslijn oversteken; zij mogen er, zonder dat het nodig is, noch slenteren, noch blijven staan.   Wanneer er op minder dan ongeveer [3 20 meter]3 afstand een oversteekplaats voor voetgangers is, moeten de voetgangers deze oversteekplaats volgen.   (De voetgangers mogen het verkeer niet nodeloos belemmeren op een trottoir dat de rijbaan oversteekt, zoals gedefinieerd in artikel 2.40.) <KB 2003-04-04/66, art. 26, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   42.4.2. Op de plaatsen waar tweekleurige voetgangerslichten zijn aangebracht, mogen de voetgangers zich niet op de rijbaan begeven zolang de lichten hun dat niet toelaten.   42.4.3. Op de plaatsen waar het verkeer geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten zonder tweekleurige voetgangerslichten mogen de voetgangers zich slechts op de rijbaan begeven met inachtneming van de bevelen van de bevoegde personen of van de aanduidingen van de verkeerslichten.   42.4.4. Op de plaatsen waar het verkeer noch door een bevoegd persoon, noch door verkeerslichten geregeld wordt, mogen de voetgangers zich slechts voorzichtig op de rijbaan begeven en met inachtneming van de naderende voertuigen.   42.4.5. (...); <KB 2007-02-13/33, art. 15, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   (42.4.6. Behalve indien het hun toegestaan is door verkeerslichten, mogen de voetgangers zich niet op een oversteekplaats voor voetgangers begeven waarover een tramspoor of een eigen trambedding loopt, wanneer een tram nadert.) <KB 2003-04-04/66, art. 26, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   ----------   (1)<KB 2016-07-21/34, art. 19, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (2)<KB 2016-07-21/34, art. 20, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (3)<W 2019-04-13/31, art. 7, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>   (4)<KB 2022-07-30/21, art. 13, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (5)<KB 2022-07-30/21, art. 14, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 43 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 43.FIETSERS EN BROMFIETSERS.   43.1. (Het is de fietsers en bromfietsers verboden te rijden :   1° zonder het stuur vast te houden;   2° zonder de voeten op de pedalen of op de voetsteunen te hebben;   3° door zich te laten voorttrekken;   4° terwijl zij een dier aan het leizeel houden.) <KB 27-04-1976, art. 6>   43.2. (De fietsers [2 en bestuurders van speed pedelecs]2 die de rijbaan volgen, mogen met twee naast elkaar rijden, behalve wanneer het kruisen niet mogelijk is. Buiten de bebouwde kom moeten zij bovendien achter elkaar rijden bij het naderen van een achteropkomend voertuig.) <KB 1990-07-20/40, art. 17,1°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   (Wanneer fietsers de rijstrook die voorbehouden is aan voertuigen van geregelde openbare diensten en aan voertuigen bestemd voor het ophalen van leerlingen of de bijzondere overrijdbare bedding mogen volgen, moeten zij achter elkaar rijden.) <KB 2002-05-14/35, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2002>   (Fietsers moeten achter elkaar rijden wanneer een aanhangwagen aan een fiets gekoppeld is.) (De gebruikers van het fietspad mogen elkaar noch hinderen, noch in gevaar brengen, noch een gevaarlijk gedrag vertonen ten opzichte van de andere weggebruikers.) <KB 2002-12-18/32, art. 6, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2003-04-04/66, art. 27, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   [1 Wanneer bromfietsers de bijzondere overrijdbare bedding mogen volgen, moeten zij achter elkaar rijden.]1   43.3. (Wanneer er een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen is, moeten de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen die zich op het fietspad bevinden deze gebruiken.) <KB 2007-02-13/33, art. 16, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   (Zij mogen zich slechts voorzichtig op de oversteekplaats begeven met inachtneming van de naderende voertuigen.) <KB 1990-07-20/40, art. 17,2°, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   ----------   (1)<KB 2011-06-11/04, art. 8, 049; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   (2)<W 2019-04-13/31, art. 8, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 43bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 43bis. <KB 15-04-1980, art. 2> (FIETSERS IN GROEP.) <KB 2003-04-04/66, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   43bis.1. (Dit artikel is slechts van toepassing op groepen van 15 tot 150 (groepen fietsers). De groepen van meer dan 50 deelnemers moeten worden vergezeld door ten minste twee wegkapiteins. De groepen van (15) tot 50 deelnemers mogen worden vergezeld door ten minste twee wegkapiteins.) <KB 1991-09-18/32, art. 18,1°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1998-10-09/32, art. 10, 012; Inwerkingtreding : 01-11-1998> <KB 2003-04-04/66, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   43bis.2.1. De wielertoeristen die in een groep van ten minste 15 tot ten hoogste 50 deelnemers rijden, zijn niet verplicht de fietspaden te volgen en zij mogen bestendig met twee naast elkaar op de rijbaan rijden op voorwaarde dat zij gegroepeerd blijven.   43bis.2.2. Zij mogen voorafgegaan en gevolgd worden, op een afstand van ongeveer 30 meter, door een begeleidende auto; indien er slechts één begeleidende auto is, moet deze de groep volgen.   (43bis.2.3. Indien deze groep vergezeld wordt door wegkapiteins, zijn de bepalingen van artikel 43bis.3.3. 1° en 2° van toepassing.) <KB 1991-09-18/32, art. 18,2°; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   43bis.3.1. De (fietsers) die in een groep van ten minste 51 tot ten hoogste 150 deelnemers rijden, zijn niet verplicht de fietspaden te volgen en zij mogen bestendig met twee naast elkaar op de rijbaan rijden op voorwaarde dat zij gegroepeerd blijven. <KB 2003-04-04/66, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <Erratum, zie B.S. 12-01-2004, p. 1400>   43bis.3.2. Zij moeten voorafgegaan en gevolgd worden, op een afstand van ongeveer 30 meter, door een begeleidende auto.   43bis.3.3. 1° (De wegkapiteins waken over het goed verloop van de tocht.) Deze wegkapiteins moeten ten minste 21 jaar oud zijn en zij moeten om de linkerarm een band dragen met, horizontaal, de nationale kleuren en, in zwarte letters op de gele strook, het woord " wegkapitein ". (...). <KB 1991-09-18/32, art. 18,3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 2003-04-04/66, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   2° Op de kruispunten waar het verkeer niet geregeld wordt door verkeerslichten, mag ten minste één van de wegkapiteins het verkeer in de dwarswegen stilleggen op de wijze bepaald in artikel 41.3.2., terwijl de groep met inbegrip van de twee begeleidende voertuigen oversteekt.   43bis.4. De (fietsers) die met twee naast elkaar rijden mogen slechts van de rechter rijstrook van de rijbaan gebruik maken; indien de rijbaan niet in rijstroken verdeeld is mogen zij niet meer dan een breedte gelijk aan die van een rijstrook en in geen geval meer dan de helft van de rijbaan in beslag nemen. <KB 2003-04-04/66, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <Erratum, zie B.S. 12-01-2004, p. 1400>   43bis.5. Op het dak van de begeleidende auto's moet een blauw bord aangebracht zijn met de afbeelding van het verkeersbord A 51 en eronder het symbool in 't wit van een fiets.   Dit bord moet op een zodanige wijze aangebracht zijn op het voertuig dat de groep voorafgaat, dat het voor de tegenliggers goed zichtbaar is en, op het achterkomend voertuig, dat het goed zichtbaar is voor het achteropkomend verkeer.   De Minister van Verkeerswezen bepaalt de minimum afmetingen van deze signalisatie.
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 43ter · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 43ter. <Ingevoegd bij KB 2003-04-04/66, art. 29, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Motorfietsers in groep.   43ter.1. Wanneer motorfietsers met ten minste twee in groep rijden op een weg met rijstroken, moeten ze niet achter elkaar rijden; ze mogen in dezelfde rijstrook in twee evenwijdige rijen geschrankt rijden, met een voldoende veiligheidsafstand onderling.   Wanneer de rijbaan niet verdeeld is in rijstroken, mogen ze niet meer dan de helft van de rijbaan in beslag nemen. Als het kruisen onmogelijk is moeten zij desgevallend achter elkaar rijden.   43ter.2. De motorfietsers die in een groep van meer dan 50 deelnemers rijden, moeten vergezeld worden door ten minste twee wegkapiteins. Groepen van 15 tot 50 deelnemers mogen vergezeld zijn door ten minste twee wegkapiteins.   43ter.3. 1° De wegkapiteins waken over het goed verloop van de tocht. Deze wegkapiteins moeten ten minste 25 jaar oud zijn en een retorreflecterende veiligheidsvest dragen, waarop in zwarte letters op de rug het woord " wegkapitein " voorkomt.   2° Op de kruispunten waar het verkeer niet geregeld wordt door verkeerslichten, mag ten minste één van de wegkapiteins het verkeer in de dwarswegen stilleggen, op de wijze bepaald in artikel 41.3.2. terwijl de groep oversteekt.   43ter.4. De wegkapiteins zijn in het bezit van een verkeersbord van het type C3.
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 44 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 44.(BESTUURDERS EN PASSAGIERS VAN VOERTUIGEN). <KB 1996-05-29/32, art. 2, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1996>   44.1. De bestuurder van een auto moet beschikken over een plaatsruimte van ten minste 0,55 meter breed.   Hij mag naast zich geen andere personen laten plaatsnemen, tenzij elk van die personen over een plaatsruimte van ten minste 0,40 meter breed beschikt.   (Het aantal inzittenden van een auto mag niet meer bedragen dan de som van het aantal plaatsen uitgerust met een veiligheidsgordel of (een goedgekeurd kinderbeveilingssysteem) en van het aantal plaatsen die daarmee niet behoeven te zijn uitgerust.) <KB 1996-05-29/32, art. 2, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1996> <KB 2006-08-22/31, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   (...). <KB 2002-12-18/32, art. 7, 021; Inwerkingtreding : 01-09-2003 en 01-09-2005, zie KB 2002-12-18/32, art. 15>   (De plaatsen uitgerust met veiligheidsgordels (of kinderbeveilingssysteem) moeten bij voorrang worden ingenomen.) <KB 1996-05-29/32, art. 2, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1996> <KB 2006-08-22/31, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   (Aan de passagiers van voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, wordt de verplichting om de veiligheidsgordel te dragen op minstens één van de volgende manieren meegedeeld :   - door de bestuurder;   - door de controleur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon;   - met behulp van audiovisuele middelen;   - door opschriften en/of het onderstaand pictogram, duidelijk aangebracht op iedere zitplaats.   (Pictogram niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 25-08-2006, p. 42356.)) <KB 2006-08-22/31, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   44.2. [3 Het is verboden personen te vervoeren op voortbewegingstoestellen, behalve op voortbewegingstoestellen gebouwd voor het vervoer van personen en op voorwaarde dat er niet meer passagiers worden vervoerd dan het getal waarvoor de zitplaats of zitplaatsen ingericht zijn]3.   44.3. Het is verboden personen te vervoeren op de uitwendige delen van de carrosserie van een voertuig.   44.4. Een fiets [2 , een gemotoriseerd rijwiel,]2, een bromfiets, een motorfiets, een drie- of vierwieler (met of) zonder motor mogen niet meer personen vervoeren dan het getal waarvoor de zitplaats of zitplaatsen ingericht zijn. <KB 2002-05-14/35, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2002>   (Alleen in [2 aan rijwielen of gemotoriseerde rijwielen]2 gekoppelde aanhangwagens mogen passagiers worden vervoerd. (...). <KB 2006-05-09/30, art. 1, 1°, 028 ; Inwerkingtreding : 18-05-2006>   (Een aanhangwagen mag slechts twee passagiers vervoeren en moet uitgerust zijn met beveiligde zitplaatsen met een afdoende bescherming van handen, voeten en rug.) <KB 2006-05-09/30, art. 1, 2°, 028 ; Inwerkingtreding : 18-05-2006>   ([2 Een rijwiel of een gemotoriseerd rijwiel]2 mag slechts één aanhangwagen trekken.) <KB 2006-05-09/30, art. 1, 3°, 028 ; Inwerkingtreding : 18-05-2006>   44.5. Het is de bestuurders van fietsen, bromfietsen [1 , motorfietsen, driewielers met motor en vierwielers met motor]1 verboden de " amazonezit " aan te nemen of te laten aannemen door een passagier.   Het is de passagiers van deze voertuigen verboden de " amazonezit " aan te nemen.   [1 De passagiers van bromfietsen, motorfietsen, driewielers met motor en vierwielers met motor moeten de voeten op de voetsteunen hebben.]1   ----------   (1)<KB 2011-06-11/04, art. 9, 049; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   (2)<KB 2016-07-21/34, art. 21, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (3)<W 2022-05-15/07, art. 6, 099; Inwerkingtreding : 01-07-2022>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  17. Art. 45 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45. LADING VAN DE VOERTUIGEN : ALGEMENE VOORSCHRIFTEN.   45.1. (De lading van een voertuig moet zodanig geschikt zijn dat ze bij normale wegomstandigheden :   1° de zichtbaarheid van de bestuurder niet kan hinderen;   2° geen gevaar voor de bestuurder, de vervoerde personen en de andere weggebruikers kan vormen;   3° geen schade kan veroorzaken aan de openbare weg, zijn aanhorigheden, aan de erin liggende kunstwerken of aan de openbare of privé-eigendommen;   4° niet op de openbare weg kan slepen of vallen;   5° de stabiliteit van het voertuig niet in het gedrang kan brengen;   6° de lichten, de reflectoren en het inschrijvingsnummer niet onzichtbaar kan maken.) <KB 2007-04-27/33, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 01-06-2007>   45.2. De ladingen van graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk of in balen, moeten overdekt worden met een dekzeil of met een net. Deze bepaling geldt echter niet voor vervoer binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, voor zover het niet langs een autosnelweg geschiedt.   45.3. Bestaat de lading uit lange stukken, dan moeten deze onderling en ook aan het voertuig zo stevig vastgemaakt worden dat zij bij het schommelen niet buiten de grootste zijomtrek van het voertuig komen.   45.4. (Al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten moet in goede staat zijn en correct worden gebruikt.   Elk onderdeel dat de lading omsluit, zoals een ketting, een dekzeil, een net, enz. moet de lading nauw omsluiten.) <KB 2007-04-27/33, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 01-06-2007>   45.5. De bestuurder van het voertuig moet de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat de lading, alsmede al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten, door lawaai de bestuurder zouden hinderen, het publiek ongemak aandoen of de dieren doen schrikken.   45.6. Indien zij- of achterdeuren bij uitzondering moeten openblijven, moeten zij zodanig vastgezet worden dat zij niet uitsteken buiten de grootste zijomtrek van het voertuig.
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 45 · Wallonië

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45_WAALS_GEWEST.    LADING VAN DE VOERTUIGEN : ALGEMENE VOORSCHRIFTEN.   45.1. (De lading van een voertuig moet zodanig geschikt zijn dat ze bij normale wegomstandigheden :   1° de zichtbaarheid van de bestuurder niet kan hinderen;   2° geen gevaar voor de bestuurder, de vervoerde personen en de andere weggebruikers kan vormen;   3° geen schade kan veroorzaken aan de openbare weg, zijn aanhorigheden, aan de erin liggende kunstwerken of aan de openbare of privé-eigendommen;   4° niet op de openbare weg kan slepen of vallen;   5° de stabiliteit van het voertuig niet in het gedrang kan brengen;   6° de lichten, de reflectoren en het inschrijvingsnummer niet onzichtbaar kan maken.) <KB 2007-04-27/33, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 01-06-2007>   45.2. [1 De ladingen van graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk of in balen, moeten overdekt worden met een dekzeil of met een net.    Deze bepaling geldt echter niet voor :    1° vervoer binnen een straal van 25 km van de plaats van lading, voor zover het niet langs een autosnelweg geschiedt;    2° vervoer van ladingen waarbij geen stof of deeltjes vrijkomen ten gevolge van de luchtdrukgolf.]1   45.3. Bestaat de lading uit lange stukken, dan moeten deze onderling en ook aan het voertuig zo stevig vastgemaakt worden dat zij bij het schommelen niet buiten de grootste zijomtrek van het voertuig komen.   45.4. (Al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten moet in goede staat zijn en correct worden gebruikt.   Elk onderdeel dat de lading omsluit, zoals een ketting, een dekzeil, een net, enz. moet de lading nauw omsluiten.) <KB 2007-04-27/33, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 01-06-2007>   45.5. De bestuurder van het voertuig moet de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat de lading, alsmede al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten, door lawaai de bestuurder zouden hinderen, het publiek ongemak aandoen of de dieren doen schrikken.   45.6. Indien zij- of achterdeuren bij uitzondering moeten openblijven, moeten zij zodanig vastgezet worden dat zij niet uitsteken buiten de grootste zijomtrek van het voertuig.   ----------   (1)<BWG 2021-09-09/09, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 02-10-2021>
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 45 · Vlaanderen

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45_VLAAMS_GEWEST.    LADING VAN DE VOERTUIGEN : ALGEMENE VOORSCHRIFTEN.   45.1. (De lading van een voertuig moet zodanig geschikt zijn dat ze bij normale wegomstandigheden :   1° de zichtbaarheid van de bestuurder niet kan hinderen;   2° geen gevaar voor de bestuurder, de vervoerde personen en de andere weggebruikers kan vormen;   3° geen schade kan veroorzaken aan de openbare weg, zijn aanhorigheden, aan de erin liggende kunstwerken of aan de openbare of privé-eigendommen;   4° niet op de openbare weg kan slepen of vallen;   5° de stabiliteit van het voertuig niet in het gedrang kan brengen;   6° de lichten, de reflectoren en het inschrijvingsnummer niet onzichtbaar kan maken.) <KB 2007-04-27/33, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 01-06-2007>   45.2. [2 De ladingen van graangewassen, vlas, stro, paarden- of veevoeder in bulk of in balen, moeten overdekt worden met een dekzeil of met een net.    Zijn hiervan echter vrijgesteld:    1° vervoer binnen een straal van 25 km van de plaats van de lading, voor zover het niet langs een autosnelweg geschiedt; en    2° vervoer van ladingen die niet stuiven of waaien.]2   45.3. Bestaat de lading uit lange stukken, dan moeten deze onderling en ook aan het voertuig zo stevig vastgemaakt worden dat zij bij het schommelen niet buiten de grootste zijomtrek van het voertuig komen.   45.4. (Al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten moet in goede staat zijn en correct worden gebruikt.   Elk onderdeel dat de lading omsluit, zoals een ketting, een dekzeil, een net, enz. moet de lading nauw omsluiten.) <KB 2007-04-27/33, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 01-06-2007>   45.5. De bestuurder van het voertuig moet de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat de lading, alsmede al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten, door lawaai de bestuurder zouden hinderen, het publiek ongemak aandoen of de dieren doen schrikken.   45.6. Indien zij- of achterdeuren bij uitzondering moeten openblijven, moeten zij zodanig vastgezet worden dat zij niet uitsteken buiten de grootste zijomtrek van het voertuig.   [1 45.7. Als het voertuig uitgerust is met een uitschuifbare inrichting ter ondersteuning van de lading, mag deze enkel uitgeschoven worden wanneer het voertuig geladen is.]1   ----------   (1)<BVR 2019-03-22/15, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 10-05-2019>   (2)<BVR 2021-01-15/11, art. 1, 091; Inwerkingtreding : 14-02-2021>
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 45bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45bis.<KB 2007-04-27/33, art. 4, 040; Inwerkingtreding : 10-09-2009> Lading van de voertuigen : specifieke voorschriften voor de voertuigen van groep C.   45bis.1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder " voertuig van groep C " verstaan : motorvoertuig van de categorieën [1 C1, C, C1+E of C+E]1, zoals gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, met uitzondering van de voertuigen en samenstellen van voertuigen die uitsluitend worden gebruikt door kermiskramers en eigen zijn aan dat beroep.   45bis.2. De bestuurder van een voertuig van groep C mag zijn voertuig niet gebruiken indien het ladingzekeringssysteem van de in of op het voertuig vervoerde lading niet in overeenstemming is met artikel 45bis. 4.   De bestuurder van een voertuig van groep C moet :   1° een visuele controle uitvoeren om zich ervan te vergewissen dat de achterste laaddeuren, de inklapbare laadklep, de deuren, de dekzeilen, het reservewiel en de andere uitrustingen die te maken hebben met het gebruik van het voertuig zijn vastgezet;   2° zich ervan vergewissen dat de lading geen hinder vormt voor het veilig besturen van het voertuig;   3° zich ervan vergewissen dat het zwaartepunt van de lading zoveel als mogelijk gecentreerd wordt op het voertuig.   45bis.3. Indien de primaire verpakking van een goed niet voldoende stevig is voor een veilig transport van de goederen, dan moet de verpakker en/of verlader de goederen bijkomend omhullen met een transportverpakking die stevig genoeg is om een goede ladingzekering mogelijk te maken.   De verlader dient de vervoerder waarop hij beroep doet vooraf schriftelijk alle informatie te verschaffen die de vervoerder nodig acht om de goederen te stouwen.   45bis.4. Het ladingzekeringssysteem moet de krachten kunnen weerstaan die worden uitgeoefend wanneer het voertuig van groep C de volgende versnellingen ondergaat :   1° vertraging van 0,8 g in voorwaartse richting;   2° vertraging van 0,5 g in achterwaartse richting;   3° versnelling van 0,5 g in zijdelingse richting, aan beide zijden.   Wanneer een samenstellend onderdeel van een ladingzekeringssysteem onderworpen wordt aan een kracht zoals beschreven in het eerste lid, mag de erop uitgeoefende drukkracht de maximale nominale last van dit onderdeel niet overschrijden.   De samenstellende onderdelen van een ladingzekeringssysteem van een voertuig van groep C :   1° moeten correct functioneren;   2° moeten geschikt zijn voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt;   3° mogen geen knopen, beschadigde of verzwakte elementen vertonen die hun werking met het oog op het zekeren van de lading kunnen aantasten;   4° mogen geen scheuren, sneden of uitrafelingen vertonen;   5° moeten conform de hiervoor geldende Europese en/of internationale productnormen zijn.   Het ladingzekeringssysteem dat wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig van groep C te omsluiten, vast te zetten of tegen te houden, moet geschikt zijn voor de afmetingen, de vorm, de stevigheid en de kenmerken van de lading.   Het ladingzekeringssysteem kan opgebouwd zijn uit enkelvoudige of gecombineerde toepassing van ladingzekeringssystemen.   45bis.5. De stouwvoorziening of de geïntegreerde vergrendelvoorziening die wordt gebruikt om een lading aan een voertuig van groep C vast te maken, moet zelf zodanig worden gezekerd dat ze niet kan ontgrendeld raken of loskomen.   De stouwvoorziening of de geïntegreerde vergrendelvoorziening die wordt gebruikt om een lading in of op een voertuig van groep C vast te zetten, moet :   1° ontworpen en vervaardigd zijn voor de doeleinden waarvoor ze wordt gebruikt; en   2° gebruikt en onderhouden worden in overeenstemming met de specificaties van de fabrikant en de geldende Europese en/of internationale normen.   45bis.6. Voor een lading die op een voertuig van groep C omsloten, vastgezet of gestouwd wordt in overeenstemming met de voorschriften van de " Europese richtlijnen voor beste praktijken over het zekeren van lading voor wegtransport ", opgesteld onder auspiciën van de Europese Commissie, geldt dat het ladingzekeringssysteem voldoet aan de eisen van artikel 45bis.4, eerste lid.   ----------   (1)<KB 2013-01-08/01, art. 36, 057; Inwerkingtreding : 01-05-2013>
    Open officiële bron ↗