Gratis brononderzoek

Wegcode

Verkeersregels, voorrang, snelheid en verkeerssignalisatie.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Let op: tegenstrijdige datuminformatie in de Wegcodebron

Justel vermeldt voor bepaalde gewestelijke teksten een opheffing op 1 september 2026. De gewestelijke overheden communiceren 1 juni 2027 voor de nieuwe verkeerscodes. Die informatie sluit niet op elkaar aan. De bronopname lost dit verschil niet op en bepaalt niet welke tekst in uw regio en op de datum van uw dossier geldt. Controleer de officiële gewestelijke publicaties voordat u deze bepalingen toepast.

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-03 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-08-31

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

151 bronvarianten

  1. Art. 22undecies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 22undecies.[1 Verkeer in schoolstraten    In de schoolstraten is de openbare weg voorbehouden voor voetgangers [2 , rijwielen en speed pedelecs]2.    Alleen [2 ...]2 prioritaire voertuigen als bedoeld in artikel 37, wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt, alsook voertuigen in het bezit van een vergunning afgegeven door de wegbeheerder, hebben toegang tot de schoolstraat.   [3 ...]3    Bestuurders die in de schoolstraat rijden, doen dit stapvoets; ze laten de doorgang vrij voor de voetgangers en fietsers, verlenen hen voorrang en stoppen er zo nodig voor. De bestuurders [2 ...]2 brengen de voetgangers en fietsers niet in gevaar en hinderen hen niet.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2018-09-02/18, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 20-10-2018>   (2)<W 2019-04-13/34, art. 3, 083; Inwerkingtreding : 01-07-2019>   (3)<W 2020-06-22/16, art. 6, 086; Inwerkingtreding : 01-10-2020>
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 23 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 23.STILSTAAN EN PARKEREN.   23.1. Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld :   1° Rechts ten opzichte van zijn rijrichting.   Indien het een rijbaan is met éénrichtingsverkeer, mag het evenwel langs de ene of langs de andere kant opgesteld worden.   2° Buiten de rijbaan op de gelijkgrondse berm of, buiten de bebouwde kommen, op eender welke berm.   Indien het een berm betreft die de voetgangers moeten volgen, moet langs de buitenkant van de openbare weg een begaanbare strook van ten minste (1,50 meter) breed vrij gelaten worden. <KB 2002-05-14/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2003>   Indien de berm niet breed genoeg is, moet het [3 geparkeerd]3 voertuig gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op de rijbaan opgesteld worden.   Indien er geen bruikbare berm is, moet het [3 geparkeerd]3 voertuig op de rijbaan opgesteld worden.   [3 Indien de berm niet breed genoeg is, moet het stilstaand voertuig opgesteld worden gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op:    - de zijdelingse strook,    - de rijbaan indien er geen zijdelingse strook is.    Indien er geen bruikbare berm is, moet het stilstaand voertuig opgesteld worden op:    - de zijdelingse strook of;    - de rijbaan indien er geen zijdelingse strook is.]3   23.2. Elk voertuig dat volledig of ten dele op de rijbaan opgesteld is, moet geplaatst worden :   1° zover mogelijk van de aslijn van de rijbaan;   2° evenwijdig met de rand van de rijbaan, behoudens bijzondere plaatsaanleg;   3° in één enkele file.   (Motorfietsen zonder zijspan of aanhangwagen mogen evenwel haaks op de rand van de rijbaan parkeren voor zover zij daarbij de aangeduide parkeermarkering niet overschrijden.) <KB 2006-12-28/42, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 01-03-2007>   23.3. (Fietsen [2 , voortbewegingstoestellen]2 en tweewielige bromfietsen moeten buiten de rijbaan en de [4 parkeerstroken]4 bedoeld in artikel 75.2 opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken, behalve op de plaatsen gesignaleerd zoals voorzien [2 in de artikelen 70.2.1, 3°, f) en 77.5, tweede lid"]2.) <KB 1990-07-20/40, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   [2 De voortbewegingstoestellen die bestemd zijn voor personen met een verminderde mobiliteit mogen altijd buiten de rijbaan en die [4 parkeerstroken]4 ]5opgesteld worden.]2   23.4. Motorfietsen mogen buiten de rijbaan en de [6 parkeerstroken]6 bedoeld in artikel 75.2 opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken.   ----------   (1)<KB 2011-06-11/04, art. 4, 049; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   (NOTA : art. 4 vernietigd bij het arrest nr 219.699 van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, XVde kamer, van 11-06-2012, zie B.St. van 30-07-2012, p. 45299.   (2)<W 2022-05-15/07, art. 5, 099; Inwerkingtreding : 01-07-2022>   (3)<KB 2022-07-30/21, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (4)<KB 2022-07-30/21, art. 9, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (5)<KB 2022-07-30/21, art. 8, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (6)<KB 2022-07-30/21, art. 10, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 24 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 24.STILSTAAN- EN PARKEERVERBOD.   Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid :   1° [1 onverminderd artikel 23.4,]1 op de trottoirs en, binnen de bebouwde kommen, op de verhoogde bermen, behoudens plaatselijke reglementering;   2° op de fietspaden (...) (en op minder dan 5 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden) ; <KB 1998-10-09/32, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-11-1998> <KB 2002-05-14/35, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2002>   3° op de overwegen;   4° (op de oversteekplaatsen voor voetgangers, op de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen en op de rijbaan op minder dan 5 meter vóór deze oversteekplaatsen;) <KB 1990-07-20/40, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   5° op de rijbaan in de onderbruggingen, in de tunnels en behoudens plaatselijke reglementering onder de bruggen;   6° op de rijbaan nabij de top van een helling en in een bocht wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is;   7° in de nabijheid van de kruispunten, op minder dan 5 meter van de verlening van de naastbijgelegen rand van de dwarsrijbaan, behoudens plaatselijke reglementering;   8° op minder dan 20 meter vóór de verkeerslichten op de kruispunten, behoudens plaatselijke reglementering;   9° op minder dan 20 meter vóór de verkeerslichten buiten de kruispunten;   10° op minder dan 20 meter vóór de verkeersborden;   [2 11° op de verhoogde inrichtingen, behoudens plaatselijke reglementering.]2   De bepalingen van 9° en 10° gelden niet voor de voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeersborden of -lichten zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt.   ----------   (1)<KB 2011-06-11/04, art. 5, 049; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   (2)<KB 2023-03-12/01, art. 8, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 25 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 25.PARKEERVERBOD.   25.1. Het is verboden een voertuig te parkeren :   1° op minder dan 1 meter zowel vóór als achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig en op elke plaats waar het voertuig het instappen in of het wegrijden van een ander voertuig zou verhinderen;   (2° op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bord dat een autobus-, trolleybus- of tramhalte aanwijst.) <KB 25-03-1987, art. 7>   3° vóór de inrij van eigendommen, behalve de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken leesbaar op die inrij is aangebracht;   4° (op de plaatsen waar de voetgangers en de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen op de rijbaan moeten komen om omheen een hindernis te gaan of te rijden;) <KB 1990-07-20/40, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   5° op elke plaats waar het voertuig de toegang tot buiten de (rijbaan) aangelegde parkeerplaatsen zou verhinderen; <KB 27-04-1976, art. 4>   6° op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden;   7° wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder dan 3 meter breed zou worden;   8° buiten de bebouwde kommen op de rijbaan van een openbare weg waarop het verkeersbord B 9, is aangebracht;   9° op de rijbaan wanneer deze verdeeld is in rijstroken, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E 9a of E 9b is aangebracht;   10° op de rijbaan langs de gele onderbroken streep, bedoeld in artikel 75.1.2°;   11. op rijbanen met tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, wanneer twee andere voertuigen daardoor elkaar moeilijk zouden kunnen kruisen;   12° op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen;   13° buiten de bebouwde kommen, langs de linkerkant van een rijbaan van een openbare weg met twee rijbanen of op de middenberm die deze rijbanen scheidt.   (14° op de parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3° c, behalve voor de voertuigen gebruikt door personen met een handicap die in het bezit zijn van een speciale kaart zoals bedoeld in artikel 27.4.1 of 27.4.3.) <KB 2003-04-04/66, art. 20, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   [1 15° op de zijdelingse stroken bedoeld in artikel 75.3.]1   25.2. Het is verboden op de openbare weg voertuigen voor verkoop of voor verhuring ten toon te stellen.   ----------   (1)<KB 2022-07-30/21, art. 11, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 26 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 26. HALFMAANDELIJKS BEURTELINGS PARKEREN IN GANS EEN BEBOUWDE KOM.   26.1. Het halfmaandelijks beurtelings parkeren is van kracht op alle rijbanen van een bebouwde kom, wanneer boven de verkeersborden die het begin van deze bebouwde kom aanduiden het verkeersbord E 11 is aangebracht.   Het parkeren op de rijbaan is dan slechts toegelaten van de 1ste tot de 15de van de maand, langs de kant van de gebouwen met onpare nummers en, van de 16de tot het einde van de maand, langs de kant van de gebouwen met pare nummers.   Wanneer er langs één kant van de rijbaan geen huisnummering is, staat zulks gelijk met een onpare nummering indien de gebouwen langs de andere kant pare nummers hebben, en met een pare nummering indien de gebouwen langs de andere kant onpare nummers hebben.   Het veranderen van kant van de rijbaan moet gebeuren op de laatste dag van elke periode, tussen 19 u. 30 en 20 uur.   26.2. Binnen die bebouwde kommen geldt het halfmaandelijks beurtelings parkeren niet op de plaatsen waar de voertuigen buiten de rijbaan, hetzij langs de ene kant hetzij langs de twee kanten ervan, geparkeerd worden en op de plaatsen waar een plaatselijke reglementering andere regels voorschrijft.
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 27 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 27.BEPERKTE PARKEERTIJD.   27.1. Zone met beperkte parkeertijd (blauwe zone).   27.1.1. Elke bestuurder die, op een werkdag, (of op de dagen vermeld op de signalisatie) een auto [1 een vierwielige bromfiets, een driewieler met motor of een vierwieler met motor]1 parkeert in een zone met beperkte parkeertijd, moet op de binnenkant van de voorruit of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het voertuig een parkeerschijf aanbrengen, die overeenstemt met het model dat bepaald is door de Minister van Verkeerswezen. <KB 2002-05-14/35, art. 7, 017; Inwerkingtreding : 31-03-2003>   (Het begin en het einde van die zone worden aangeduid door een verkeersbord waaraan de zonale geldigheid wordt gegeven bedoeld in artikel 65.5. en die het verkeersbord E9a en de parkeerschijf weergeeft.) <KB 1991-09-18/32, art. 12,1°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   27.1.2. <KB 2002-05-14/35, art. 7, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2003> (De bestuurder moet de pijl van de parkeerschijf op het streepje plaatsen dat volgt op het tijdstip van aankomst.) <KB 2002-10-21/36, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 05-11-2002>.   Behalve wanneer bijzondere voorwaarden zijn aangebracht op de signalisatie, is het gebruik van de schijf voorgeschreven van 9 u. tot 18 u. op de werkdagen en voor een maximumduur van twee uren.   Het voertuig moet de parkeerplaats verlaten hebben uiterlijk bij het verstrijken van de vergunde parkeerduur.   27.1.3. Het is verboden onjuiste aanduidingen op de schijf te laten verschijnen. De aanduidingen van de schijf mogen niet gewijzigd worden voordat het voertuig de parkeerplaats verlaten heeft.   27.1.4. Bovenvermelde bepalingen gelden niet op de plaatsen waar één van de verkeersborden E 9a tot E 9g is aangebracht, tenzij deze aangevuld zijn met een onderbord waarop een parkeerschijf is afgebeeld.   (Bovenvermelde bepalingen gelden evenmin wanneer een bijzondere parkeerregeling voorzien is voor de personen die in het bezit zijn van een (gemeentelijke parkeerkaart) en deze kaart op de binnenkant van de voorruit is aangebracht of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het voertuig. <KB 2007-01-09/37, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   De (gemeentelijke parkeerkaart) vervangt de parkeerschijf. <KB 2007-01-09/37, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   (De minister bevoegd voor het wegverkeer bepaalt het model en de nadere regels voor de afgifte en het gebruik van de gemeentelijke parkeerkaart in het algemeen, en de bewonerskaart en parkeerkaart voor autodelen in het bijzonder.) <KB 2007-01-09/37, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   27.2. Openbare weg met blauwe zone reglementering.   Buiten een zone met beperkte parkeertijd, gelden bovenvermelde bepalingen ook op alle plaatsen voorzien van een verkeersbord E 5, E 7 of E 9a tot E 9g, dat is aangevuld met een onderbord waarop een parkeerschijf is afgebeeld.   27.3. <KB 1991-09-18/32, art. 12,3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Betalend parkeren.   27.3.1. <KB 1991-09-18/32, art. 12,3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> 1°. Op plaatsen met parkeermeters of parkeerautomaten geschiedt het parkeren op de wijze en onder de voorwaarden die op deze toestellen zijn vermeld.   (Wanneer meer dan één motorfiets binnen een afgebakend parkeervak bedoeld voor één auto wordt geparkeerd, dan moet voor dat parkeervak slechts één maal betaald worden.) <KB 2006-12-28/42, art. 5, 035; Inwerkingtreding : 01-03-2007>   2°. Is de parkeermeter of parkeerautomaat buiten gebruik, dan moet de parkeerschijf worden gebruikt volgens de nadere regels van 27.1.   3°. Het gebruik van de parkeerschijf is niet verplicht bij het parkeren op plaatsen met parkeermeters of parkeerautomaten, wanneer zij in een zone met beperkte parkeertijd liggen, behalve in het geval bedoeld in 27.3.1.2°.   27.3.2. <KB 1991-09-18/32, art. 12,3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Op plaatsen gesignaleerd door de verkeersborden E5, E7 of E9a tot E9h, aangevuld met een onderbord met de vermelding " betalend ", moet een betaalparkeerkaart worden gebruikt op de wijze en onder de voorwaarden die op deze kaart zijn vermeld.   Deze kaart moet op goed zichtbare wijze aangebracht worden.   Op plaatsen met parkeermeters of parkeerautomaten mag het gebruik van de parkeermeter of de parkeerautomaat vervangen worden door het gebruik van een betaalparkeerkaart.   De toegelaten parkeertijd mag echter de maximale toegelaten parkeertijd van de parkeermeter of parkeerautomaat niet overschrijden.   27.3.3. <KB 1991-09-18/32, art. 12,3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Op plaatsen gesignaleerd door het verkeersbord E5, E7 of E9a tot E9h, aangevuld met een onderbord met de vermelding " betalend ", evenals op plaatsen met parkeermeters of parkeerautomaten, kan het parkeren eveneens geschieden op andere wijzen en onder andere voorwaarden die ter plaatse ter kennis van de betrokkenen worden gebracht.   27.3.4. <KB 1991-09-18/32, art. 12,3°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Wanneer voorzien is in een bijzondere parkeerregeling voor de personen die in het bezit zijn van een (gemeentelijke parkeerkaart), moeten deze laatsten bedoelde kaart op de binnenkant van de voorruit aanbrengen of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het voertuig. <KB 2007-01-09/37, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   27.4. Parkeerfaciliteiten voor (personen met een handicap). <KB 2003-04-04/66, art. 35, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   27.4.1. De beperkingen van de parkeertijd gelden niet voor de voertuigen die gebruikt worden door (personen met een handicap) wanneer de speciale kaart bedoeld in 27.4.3. is aangebracht op de binnenkant van de voorruit of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het voertuig.   (Met de speciale kaart bedoeld in 27.4.3. wordt gelijkgesteld het document dat in een ander land door de bevoegde overheid van dat land afgeleverd wordt aan de (personen met een handicap) die voertuigen gebruiken, en waarop het symbool afgebeeld onder 70.2.1.3° c) voorkomt.) <KB 23-06-1978, art. 4> <KB 2003-04-04/66, art. 35, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   27.4.2. De speciale kaart vervangt de parkeerschijf wanneer het gebruik daarvan verplicht is.   27.4.3. De Minister van Verkeerswezen duidt de personen aan die de speciale kaart kunnen bekomen en de overheden die bevoegd zijn om ze af te leveren; hij bepaalt er het model van, alsmede de modaliteiten van intrekking en van gebruik.   27.5. (Beperking van het langdurig parkeren.   27.5.1. Het is verboden op de openbare weg motorvoertuigen die niet meer kunnen rijden en aanhangwagens langer dan vierentwintig uur na elkaar te laten parkeren.   27.5.2. Binnen de bebouwde kommen is het verboden (op de openbare weg) auto's, slepen en aanhangwagens met een (maximale toegelaten massa) van meer dan 7,5 ton langer dan (acht uur) na elkaar te laten parkeren, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a, E9c of E9d is aangebracht. <KB 1991-09-18/32, art. 12,4°, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   27.5.3. Het is verboden op de openbare weg reclamevoertuigen langer dan drie uur na elkaar te laten parkeren.) <KB 1990-07-20/40, art. 12; 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   (27.6. De beperkte parkeertijd, bedoeld in 27.1. en 27.2. is niet van toepassing op de voertuigen die geparkeerd staan voor de inrij van eigendommen en waarvan het inschrijvingsteken van dit voertuig leesbaar op die inrij is aangebracht.) <KB 2007-01-09/37, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   ----------   (1)<KB 2014-01-29/13, art. 10, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 27bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 27bis. <KB 23-06-1978, art. 5> PARKEERPLAATSEN VOORBEHOUDEN VOOR (PERSONEN MET EEN HANDICAP). <KB 2003-04-04/66, art. 35, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   De parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3° c) zijn voorbehouden voor voertuigen die gebruikt worden door de (personen met een handicap) die houder zijn van de speciale kaart bedoeld in artikel 27.4.3. of van het door artikel 27.4.1. hiermee gelijkgestelde document. <KB 2003-04-04/66, art. 35, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   Die kaart of dit document moet aangebracht worden op de binnenkant van de voorruit of, indien er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het op die plaatsen geparkeerde voertuig.
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 27ter · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 27ter. <KB 2007-01-09/37, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 01-02-2007> Voorbehouden parkeerplaatsen.   Parkeerplaatsen gesignaleerd overeenkomstig artikel 70.2.1.3°, d), alsmede in een woonerf, waar de letter " P " en het woord " parkeerkaart ", " bewoners " of " autodelen " zijn aangebracht, zijn voorbehouden voor de voertuigen waarop op de binnenkant van de voorruit of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het voertuig, respectievelijk de gemeentelijke parkeerkaart, de bewonerskaart of de parkeerkaart voor autodelen duidelijk leesbaar en zichtbaar is aangebracht.
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 27quater · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 27quater. <Ingevoegd bij KB 2007-01-09/37, art. 4; Inwerkingtreding : 01-02-2007> Elektronische toezicht.   De gemeente kan het gebruik van de gemeentelijke parkeerkaart vervangen door een elektronisch toezichtsysteem op basis van het kenteken van het voertuig. In dat geval wordt de bijzondere parkeerregeling inzake beperkte parkeertijd, betalend parkeren of voorbehouden parkeerplaatsen gecontroleerd op basis van de kentekenplaat van het voertuig en hoeft er geen kaart op de voorruit te worden aangebracht.
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 27quinquies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 27quinquies. [1 - Gebruik van een wielklem    Bij overtreding van de bepalingen van de artikelen 27.1.1, 27.1.2, 27.1.4, 27.2, 27.3, 27ter en 27quater, kan het voertuig met een wielklem worden geïmmobiliseerd.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2013-06-05/08, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 08-07-2013>
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 28 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 28. OPENEN VAN PORTIEREN.   Het is verboden het portier van een voertuig te openen of open te laten, in- of uit een voertuig te stappen, zonder zich ervan vergewist te hebben dat dit de andere weggebruikers niet in gevaar kan brengen of hinderen (in het bijzonder voetgangers en bestuurders van tweewielers.) <KB 2003-04-04/66, art. 21, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 29 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 29. GEBRUIK VAN DE LICHTEN : ALGEMENE REGEL.   Het is verboden andere lichten te gebruiken dan die welke in dit reglement of in de technische reglementen van de auto's of van de bromfietsen en motorfietsen voorgeschreven of voorzien zijn.
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 30 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 30. GEBRUIK VAN DE LICHTEN : VOERTUIGEN EN WEGGEBRUIKERS DIE DE OPENBARE WEG VOLGEN.   Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter, worden de hierna vermelde lichten gebruikt :   30.1. Motorvoertuigen.   1° Vooraan, de dimlichten of de grootlichten die gelijktijdig mogen gebruikt worden.   De grootlichten moeten echter gedoofd en door de dimlichten vervangen worden :   a) bij het naderen van een tegemoetkomende weggebruiker, op de nodige afstand opdat deze laatste zijn weg gemakkelijk en zonder gevaar zou kunnen voortzetten, en in ieder geval zodra een bestuurder zijn grootlichten achtereenvolgens snel ontsteekt en dooft om te kennen te geven dat hij verblind wordt;   b) bij het naderen van een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman door de grootlichten zou kunnen verblind worden;   c) wanneer het voertuig een ander voertuig op minder dan 50 meter afstand volgt, behalve wanneer het inhaalt;   d) wanneer de rijbaan onafgebroken en voldoende verlicht is zodat de bestuurder in staat is tot op ongeveer 100 meter duidelijk te zien.   De voormistlichten mogen slechts gebruikt worden bij mist, sneeuwval of felle regen. Zij mogen de dimlichten of de grootlichten vervangen, of gelijktijdig met deze lichten branden.   (2° Achteraan, de rode lichten.   Bovendien, wanneer het voertuig voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m alsook bij felle regen. Deze lichten mogen in geen andere omstandigheden gebruikt worden.) <KB 11-05-1982, art. 1, 2>   30.2. (...) <KB 2007-02-13/33, art. 11, 1°, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   30.3. Andere voertuigen, weggebruikers en dieren hierna vermeld :   1° bereden rijwielen :   vooraan, een wit of geel licht;   achteraan, een rood licht.   (2° aanhangwagens, voor zover zij met die lichten moeten uitgerust zijn :   - vooraan, twee witte lichten;   - achteraan, de rode lichten.   Bovendien, wanneer het voertuig voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m alsook bij felle regen. Deze lichten mogen in geen andere omstandigheden gebruikt worden.) <KB 11-05-1982, art. 1>   3° gespannen, handkarren, niet-ingespannen trekdieren, last- of rijdieren en vee :   vooraan, een wit of geel licht;   achteraan, een rood licht.   Die lichten mogen in één enkel toestel verenigd zijn dat links geplaatst of gedragen wordt, behalve in de volgende gevallen :   a) indien het gespan een ander voertuig trekt;   b) indien het vee een kudde van zes stuks of meer vormt.   4° alle andere voertuigen wanneer zij de rijbaan volgen : het onder 3° hierboven voorziene wit of geel licht en rood licht.   Deze bepaling geldt evenwel niet wanneer die voertuigen slechts op de rijbaan rijden om over te steken.   5° afdelingen van militaire kolonnes bestaande uit een op mars zijnde troep, stoeten, groepen in rijen vergezeld van een leider, wanneer zij de rijbaan volgen :   vooraan links, een wit of geel licht;   achteraan links, een rood licht.   Een licht van dezelfde kleur mag rechts gedragen worden. De flanken van die formaties moeten, indien zulks wegens hun lengte vereist is, door één of meer witte of gele lichten worden gesignaleerd, die in alle richtingen moeten zichtbaar zijn.   (6° De gebruikers van voortbewegingstoestellen die rijden op de andere delen van de openbare weg dan degene die voorbehouden zijn voor het verkeer van voetgangers :   - vooraan, een wit of geel licht;   - achteraan, een rood licht.   Die lichten mogen in één enkel toestel verenigd zijn, dat links geplaatst of gedragen wordt.   Indien de gebruikers van voortbewegingstoestellen links op de rijbaan rijden moeten de positie en de plaats van de lichten omgekeerd worden.) <KB 2007-02-13/33, art. 11, 2°, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   (7° voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor folkloristische manifestaties en slechts bij uitzondering op de openbare weg komen ofwel ter gelegenheid van een door de gemeente toegelaten folkloristische manifestatie, of op de weg er naartoe ofwel voor proefritten met het oog op die manifestatie, en voor zover zij niet meer dan 25 km per uur rijden :   - vooraan, een wit of geel licht;   - achteraan een rood licht;   - de omtreklichten bedoeld in artikel 30.4 indien het voertuig meer dan 2,5 meter breed is.   Deze bepaling geldt evenwel niet binnen het door de gemeente afgebakende traject van de manifestatie.) <KB 2008-01-27/30, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 29-01-2008>   30.4. Voertuigen die meer dan 2,50 meter breed zijn :   buiten de lichten voorgeschreven in artikel 30.1. of 30.3., omtreklichten.   Deze lichten worden vooraan, achteraan, aan weerszijden en, in voorkomend geval, aan de uiterste zijdelingse uitstekken van het voertuig geplaatst.   De lichten die vooraan zichtbaar zijn moeten wit zijn, die welke achteraan zichtbaar zijn, rood.   30.5. (...) <KB 2007-02-13/33, art. 11, 3°, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 30bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 30bis. <KB 21-12-1983, art. 5> GEBRUIK VAN DE LICHTEN : BROMFIETSEN EN MOTORFIETSEN DIE OP DE OPENBARE WEG RIJDEN - BIJZONDERE REGEL.   Buiten de omstandigheden bedoeld in artikel 30, moeten het dimlicht en het rode achterlicht van de tweewielige bromfietsen en van de (...) motorfietsen bestendig gebruikt worden. Het grootlicht mag dan niet gebruikt worden. <KB 1997-07-16/32, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 31 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 31. GEBRUIK VAN DE LICHTEN BIJ HET STILSTAAN OF PARKEREN.   31.1. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter, moet de aanwezigheid op de openbare weg van de hierna vermelde voertuigen, weggebruikers en dieren, op de volgende wijze gesignaleerd worden :   31.1.1. Motorvoertuigen, met uitzondering van de tweewielige bromfietsen, volgens de voorgeschreven uitrusting :   vooraan, door een of twee witte of gele standlichten;   achteraan, door een of twee rode lichten.   Evenwel : 1° bij mistig weer, sneeuwval of felle regen, mogen de dimlichten of voormistlichten gebruikt worden;   (2° bij mistig weer, sneeuwval of felle regen mogen ook de achtermistlichten gebruikt worden.) <KB 11-05-1982, art. 3>   3° binnen de bebouwde kommen mogen de standlichten en de rode achterlichten vervangen worden door een parkeerlicht, wanneer het voertuig evenwijdig met de aslijn van de rijbaan geplaatst is en er geen aanhangwagen aan gekoppeld is.   Alleen het parkeerlicht dat zich aan de kant van de aslijn van de rijbaan bevindt, mag gebruikt worden.   31.1.2. Voertuigen, weggebruikers en dieren, vermeld in artikel 30.3., met uitzondering van de rijwielen :   door dezelfde lichten als voorgeschreven wanneer zij de openbare weg volgen;   wanneer die lichten, om technische redenen, niet kunnen gebruikt worden :   vooraan, door een wit of geel licht;   achteraan, door een rood licht.   Die lichten worden aan de kant van de aslijn van de rijbaan aangebracht.   Onder de in 31.1.1.3° bepaalde voorwaarden mogen de niet aangekoppelde aanhangwagens eveneens gesignaleerd worden door een parkeerlicht.   31.2. Het gebruik van de in artikel 31.1. voorgeschreven lichten is alleen verplicht wanneer de openbare verlichting niet toelaat het voertuig van op ongeveer 100 meter duidelijk te zien.
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 32 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 32.GEBRUIK VAN SPECIALE LICHTEN.   32.1. Zoeklichten en tijdens het werk te gebruiken projectoren, mogen slechts branden wanneer het volstrekt noodzakelijk is.   Deze lichten, evenals de achteruitrijlichten, mogen in geen geval de andere bestuurders hinderen.   32.2. De oranjegele knipperlichten mogen slechts gebruikt worden gedurende de tijd dat de voertuigen werkelijk gebruikt worden voor de taken om dewelke zij hiermede mogen uitgerust zijn, overeenkomstig het technisch reglement van de auto's, of wanneer hun aanwezigheid op de openbare weg een hinder of gevaar voor het verkeer vormt.   De oranjegele knipperlichten van de takelwagens moeten op de plaats van het depanneren en gedurende het wegslepen gebruikt worden.   Buiten die omstandigheden mogen zij niet branden.   (De bestuurders van landbouwtractoren moeten één of twee oranjegele knipperlichten gebruiken die zodanig zijn geplaatst dat zij in alle richtingen zichtbaar zijn, tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 meter en, bestendig op openbare wegen met meer dan twee rijstroken.) <KB 1991-09-18/32, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   [2 De oranje-gele knipperlichten van het openings- en sluitingsvoertuig, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 28 juni 2019 tot reglementering van de wielerwedstrijden en van de alle-terreinwedstrijden, moeten tijdens de wielerwedstrijd gebruikt worden.]2   [1 32.3. In afwijking van artikel 32.2 moeten de takelvoertuigen en de voertuigen van de door het openbaar ministerie of door de federale of lokale politie opgeroepen personen of diensten, wanneer zij op de pechstrook rijden om zich naar de plaats van een incident op of langs de autosnelweg of autoweg te begeven, [3 of die op de reddingsstrook rijden,]3 één of twee oranjegele knipperlichten gebruiken.]1   ----------   (1)<KB 2014-01-29/13, art. 11, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (2)<KB 2019-09-16/02, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2020>   (3)<KB 2023-03-12/01, art. 9, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 32bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 32bis. <KB 23-06-1978, art. 6> GELIJKTIJDIG GEBRUIK VAN AL DE RICHTINGSAANWIJZERS.   De inrichting die toelaat al de richtingsaanwijzers van een voertuig gelijktijdig te laten werken, mag slechts gebruikt worden in de gevallen voorzien in (artikelen 39bis.2. en 51) of om de andere weggebruikers te wijzen op een dreigend gevaar voor ongeval. <KB 1991-09-18/32, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 01-09-1992>
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 33 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 33. GEBRUIK VAN GELUIDSTOESTELLEN.   33.1. Het is verboden andere toestellen voor het geven van geluidssignalen te gebruiken dan die welke voorzien zijn in dit reglement of in de technische reglementen van de auto's of van de bromfietsen en motorfietsen.   33.2. Geluidssignalen moeten zo kort mogelijk zijn. Zij zijn alleen toegelaten om een noodzakelijke waarschuwing te geven ten einde een ongeval te voorkomen en, buiten de bebouwde kommen wanneer men een bestuurder die men wil inhalen moet waarschuwen.   33.3. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, behalve bij dreigend gevaar, moeten de geluidssignalen vervangen worden door het kortstondig en afwisselend aansteken van de grootlichten en de dimlichten.
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 34 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 34. GEBRUIK VAN DE ACHTERUITKIJKSPIEGELS.   De bestuurder moet de achteruitkijkspiegels zo stellen dat hij van zijn zitplaats het verkeer achter en links kan gadeslaan, en ondermeer een ander voertuig kan waarnemen dat begonnen is links in te halen.
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 34bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 34bis. [1 Gebruik van aerodynamische voorzieningen.    Het is verboden andere aerodynamische voorzieningen te gebruiken dan die welke in het technisch reglement van de auto's voorgeschreven of voorzien zijn.    Deze voorzieningen mogen enkel op de autosnelwegen en de autowegen gebruikt worden.    In omstandigheden waarin de veiligheid van andere weggebruikers of van de bestuurder in gevaar is, worden deze door de bestuurder ingeklapt, ingetrokken of verwijderd.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2017-07-31/07, art. 5, 071; Inwerkingtreding : 20-08-2017>
    Open officiële bron ↗