Gratis brononderzoek

Voorlopige hechtenis

Aanhouding, bevelen tot aanhouding en controle van de voorlopige hechtenis.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-04 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-03-26

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

64 bronvarianten

  1. Art. 19 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK III. - Het bevel tot aanhouding.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 19. § 1. Het bevel tot aanhouding wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd. Het is niet vatbaar voor hoger beroep, noch voor cassatieberoep. Het is uitvoerbaar over het gehele grondgebied van het Rijk.   (§ 1bis. In vredestijd kan het bevel tot aanhouding dat wordt uitgevaardigd ten aanzien van een persoon bedoeld in [2 artikel 10]2 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, in voorkomend geval worden uitgevoerd op buitenlands grondgebied.) <W 2003-04-10/60, art. 51, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   § 2. De onderzoeksrechter bij wie de zaak rechtstreeks of door verwijzing overeenkomstig artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering aanhangig is gemaakt, doet aan de onderzoeksrechter van de plaats waar de verdachte gevonden is tegen wie een bevel is uitgevaardigd, de stukken, nota's en inlichtingen betreffende het misdrijf toekomen, teneinde die verdachte te doen verhoren.   Evenzo worden alle stukken vervolgens, met het proces-verbaal van verhoor, teruggezonden aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is.   § 3. Indien de rechter bij wie de zaak aanhangig is, in de loop van het onderzoek een bevel tot aanhouding verleent, kan hij bij dat bevel gelasten dat de verdachte zal worden overgebracht naar het huis van arrest van de plaats waar het onderzoek gedaan wordt.   Wordt in het bevel tot aanhouding niet bepaald dat de verdachte aldus zal worden overgebracht, dan blijft hij in het huis van arrest van het arrondissement waar hij gevonden is, totdat de raadkamer beschikt heeft overeenkomstig de artikelen 127, 128, 129, 130, 132 en 133 van het Wetboek van Strafvordering.   § 4. De houder van een bevel tot aanhouding vordert desnoods het optreden van de openbare macht van de dichtstbijgelegen plaats, die verplicht is gevolg te geven aan de in het bevel vervatte vordering.   § 5. De verdachte, gevat krachtens een bevel tot aanhouding, wordt zonder verwijl naar het in het bevel aangewezen huis van arrest gebracht.   § 6. De officier belast met de uitvoering van het bevel tot aanhouding, geeft de verdachte over aan de bewaarder van het huis van arrest, die hem daarvan ontlasting geeft.   Vervolgens brengt hij de stukken betreffende de aanhouding naar de griffie van de correctionele rechtbank en krijgt daarvan een ontvangbewijs.   Hij vertoont het bewijs van ontlasting en het ontvangbewijs binnen [1 achtenveertig]1 uren aan de onderzoeksrechter; deze voorziet beide stukken van zijn visum, dat hij dagtekent en ondertekent.   (Wanneer het bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 19, § 1bis, dient het bewijs van ontlasting en het ontvangstbewijs de onderzoeksrechter binnen de [1 achtenveertig]1 uur na de aankomst van de verdachte op het Belgische grondgebied te worden overgemaakt.) <W 2003-04-10/60, art. 51, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   § 7. Het verzuim van de vormen die voorgeschreven zijn voor het bevel tot aanhouding, [3 ...]3 kan aanleiding geven tot vermaning van de onderzoeksrechter en van de procureur des Konings, en zelfs tot verhaal op de rechter.   ----------   (1)<W 2017-10-31/06, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 29-11-2017>   (2)<W 2024-04-09/07, art. 56, 038; Inwerkingtreding : 28-04-2024>   (3)<W 2026-03-11/03, art. 239, 043; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 20 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK III. - Het bevel tot aanhouding.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 20.(§ 1.) [1 Onverminderd het bepaalde in de [4 artikelen 2bis en 16]4, kan de verdachte onmiddellijk na zijn eerste verhoor door de onderzoeksrechter vrij verkeer hebben met zijn advocaat.]1 <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007>   (§ 2.) Wanneer zulks voor het onderzoek noodzakelijk is, kan de rechter het vrije verkeer met andere personen dan de advocaat verbieden. Hij geeft te dien einde een met redenen omklede beschikking, die zal worden overgeschreven in het register van de gevangenis. Het verbod geldt ten hoogste voor drie dagen na het eerste verhoor. Het kan niet worden vernieuwd. <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007>   (§ 3. Als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat een verdachte zou pogen bewijzen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, kan de onderzoeksrechter bevelen om een verdachte gescheiden te houden van andere verdachten en, in afwijking van § 2 :   1° het bezoek verbieden van individueel in het bevel vermelde personen van buiten de inrichting;   2° de briefwisseling verbieden gericht aan of uitgaande van individueel in het bevel vermelde personen;   3° telefonische contacten verbieden met individueel in het bevel vermelde personen.   [2 § 3bis. Indien het bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht, kan de onderzoeksrechter :    1° verbieden dat de verdachte bezoek ontvangt van de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen;    2° elke briefwisseling verbieden met de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen of instellingen;    3° elke telefonische of elektronische communicatie verbieden met de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen of instellingen.]2   § 4. De onderzoeksrechter neemt deze beslissing bij een met redenen omklede beschikking, die wordt overgeschreven in een daartoe bestemd register in de gevangenis en die door de directeur van de gevangenis wordt betekend aan de verdachte.   De beslissing geldt voor de strikt noodzakelijke duur door de onderzoeksrechter bepaald en uiterlijk tot op het ogenblik dat hij het dossier overzendt aan de procureur des Konings overeenkomstig artikel 127, eerste lid van het Wetboek van strafvordering.   § 5. De beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van bezoek, briefwisseling en telefoongesprekken laat de rechten van de verdachte op deze contactmogelijkheden met zijn advocaat onverlet.   De beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van briefwisseling, laat de rechten van de verdachte op briefwisseling met personen met wie hij krachtens [artikel 57] van de basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden zonder controle briefwisseling mag voeren, onverlet. <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007; gewijzigd bij W 2005-12-23/31, art. 34>   De onderzoeksrechter kan het bezoek van de in artikel 59, § 1, eerste lid, bedoelde personen, enkel beperken indien deze personen in verdenking werden gesteld, onverminderd de in artikel 59, § 1, tweede lid van de basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden bepaalde bepalingen.) <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2011>   § 6. De verdachte kan bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis een verzoekschrift indienen tot wijziging of opheffing van de door de onderzoeksrechter [krachtens [2 § 3 en § 3bis]2] opgelegde maatregelen bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis. Het verzoekschrift wordt bij het dossier van de voorlopige hechtenis gevoegd.<W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007; gewijzigd bij W 2005-12-23/31, art. 34>   De procedure verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 21 tot 24. Hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld overeenkomstig artikel 30 [3 ...]3.) [3 Tegen de beslissing in hoger beroep kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld.]3 <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007>   [2 § 7. De §§ 2 en 3 zijn niet van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht.]2      (NOTA : Inwerkingtreding van art. 20, §5, vastgesteld op 01-09-2011 bij KB 2011-04-08/01, art. 31, 2°)   ----------   (1)<W 2011-08-13/13, art. 9, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2012>   (2)<W 2012-12-27/29, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (3)<W 2016-02-05/11, art. 127, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 127 vernietigd)   (4)<W 2017-10-31/06, art. 16, 030; Inwerkingtreding : 29-11-2017>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 20bis · Federaal

    Opheffingsvermelding

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IIIbis. - (Bevel tot aanhouding met het oog op onmiddellijke verschijning). <Ingevoegd bij W 2000-03-28/31, art. 7; Inwerkingtreding : 30-04-2000>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 20bis.   <Opgeheven bij W 2024-01-18/06, art. 54, 037; Inwerkingtreding : 05-02-2024>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 21 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IV. - De handhaving van de voorlopige hechtenis.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 21.§ 1. Het bevel tot aanhouding verleend door de onderzoeksrechter is geldig voor een termijn van ten hoogste vijf dagen, te rekenen van zijn tenuitvoerlegging.   Vóór het verstrijken van die termijn en onverminderd de bepalingen van artikel 25, § 1, beslist de raadkamer, op verslag van de onderzoeksrechter en na de procureur des Konings [3 en de verdachte en/of zijn raadsman]3 te hebben gehoord, of de voorlopige hechtenis gehandhaafd moet blijven [1 en over de modaliteit van uitvoering ervan]1.   § 2. Ten minste vierentwintig uren vóór de verschijning voor de raadkamer, worden de plaats, de dag en het uur daarvan opgetekend in een bijzonder register dat ter griffie wordt gehouden en de griffier geeft hiervan per faxpost [3 , bij aangetekende zending of langs elektronische weg]3, bericht aan de verdachte en aan zijn raadsman.   § 3. Het dossier wordt gedurende de laatste werkdag vóór de verschijning ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman. [4 De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.]4   [2 Deze terbeschikkingstelling kan gebeuren in de vorm van afschriften, in voorkomend geval in elektronische vorm, die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard.]2   Indien de voorafgaande dag geen werkdag is, wordt het dossier opnieuw te hunner beschikking gehouden gedurende de voormiddag van de dag van verschijning; in dat geval heeft de verschijning voor de raadkamer 's namiddags plaats.   § 4. De raadkamer gaat na of het bevel tot aanhouding regelmatig is ten aanzien van de bepalingen van deze wet. Zij oordeelt bovendien over de noodzakelijkheid van de handhaving van de hechtenis [1 en over de modaliteit van uitvoering ervan]1, volgens de in artikel 16, § 1, bepaalde criteria.   § 5. Oordeelt de raadkamer dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan moet haar beslissing met redenen worden omkleed op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.   § 6. De beschikking tot handhaving van de hechtenis is één maand geldig vanaf de dag waarop ze wordt gegeven.   ----------   (1)<W 2012-12-27/29, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (2)<W 2012-12-27/29, art. 12, 022; Inwerkingtreding : 10-02-2013>   (3)<W 2012-12-27/29, art. 15, 022; Inwerkingtreding : 10-02-2013>   (4)<W 2019-05-05/19, art. 156, 034; Inwerkingtreding : 29-06-2019>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 22 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IV. - De handhaving van de voorlopige hechtenis.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 22.Zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet is afgesloten, oordeelt de raadkamer van maand tot maand [5 of, vanaf de [7 vierde]7 beslissing, om de twee maanden]5 over het handhaven van de voorlopige hechtenis [2 en over de modaliteit van uitvoering ervan]2.   [5 Vanaf de [7 vierde]7 beslissing, levert de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering hiervan een titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden op.]5   Op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman roept de onderzoeksrechter, binnen tien dagen die aan elke verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 31, § 4, uitspraak doet na verwijzing voorafgaan, de verdachte op voor een samenvattende ondervraging; de griffier brengt de oproeping, schriftelijk [4 , per faxpost of langs elektronische weg]4, onmiddellijk ter kennis van de raadsman van de verdachte en van de procureur des Konings, die deze ondervraging kunnen bijwonen.   Het dossier wordt gedurende twee dagen vóór de verschijning ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman. De griffier geeft hun hiervan bericht per faxpost [4 , bij aangetekende zending of langs elektronische weg]4. [6 De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.]6   [3 Deze terbeschikkingstelling kan gebeuren in de vorm van afschriften, in voorkomend geval in elektronische vorm, die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard.]3   De raadkamer onderzoekt of er tegen de verdachte ernstige aanwijzingen van schuld blijven bestaan en of er met artikel 16, § 1, overeenstemmende redenen voorhanden zijn om de hechtenis te handhaven [2 of de modaliteit van uitvoering ervan te wijzigen]2.   Oordeelt zij dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd [2 of dat de modaliteit van uitvoering ervan moet worden gewijzigd]2, dan moet haar beslissing met redenen worden omkleed op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.   [5 ...]5.<W 2005-05-31/32, art. 7, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>   ----------   (1)<W 2010-02-11/02, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 17-02-2010>   (2)<W 2012-12-27/29, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (3)<W 2012-12-27/29, art. 13, 022; Inwerkingtreding : 10-02-2013>   (4)<W 2012-12-27/29, art. 16, 022; Inwerkingtreding : 10-02-2013>   (5)<W 2016-02-05/11, art. 128, 025; Inwerkingtreding : 01-07-2016. Overgangsbepaling : art. 140>   (6)<W 2019-05-05/19, art. 157, 034; Inwerkingtreding : 29-06-2019>   (7)<W 2023-07-31/02, art. 11, 036; Inwerkingtreding : 01-09-2023>
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 22bis · Federaal

    Opheffingsvermelding

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IV. - De handhaving van de voorlopige hechtenis.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 22bis.   <Opgeheven door W 2016-02-05/11, art. 1, 025; Inwerkingtreding : 01-07-2016. Overgangsbepaling : art. 140>
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 23 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IV. - De handhaving van de voorlopige hechtenis.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 23.Voor de toepassing van de [2 artikelen 21 en 22]2 gelden de volgende regels : <W 2005-05-31/32, art. 9, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>   1° de rechtspleging verloopt met gesloten deuren, hetgeen wordt vermeld in de beslissing;   2° [1 de verdachte verschijnt persoonlijk of in de persoon van een advocaat. De raadkamer kan de persoonlijke verschijning bevelen [3 al dan niet in een videoconferentie]3 ten minste drie dagen voor de verschijning, zonder dat tegen haar beslissing een rechtsmiddel kan worden ingesteld. Deze beslissing wordt op verzoek van het openbaar ministerie aan de betrokkene betekend. Indien de verdachte of zijn advocaat niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan in hun afwezigheid;]1   3° in elk stadium van de rechtspleging kan de raadkamer, indien zij de kwalificatie van de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten niet passend acht, en na de partijen de gelegenheid te hebben geboden hun standpunt daarover mede te delen, de kwalificatie wijzigen. Zij mag er evenwel geen andere feiten voor in de plaats stellen;   4° de raadkamer moet antwoorden op de conclusies van de partijen. Betwisten de partijen in hun conclusies het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld, onder vermelding van feitelijke gegevens, dan moet de raadkamer, indien zij de voorlopige hechtenis handhaaft, preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken.   ----------   (1)<W 2012-12-27/29, art. 18, 022; Inwerkingtreding : 10-02-2013>   (2)<W 2016-02-05/11, art. 130, 025; Inwerkingtreding : 01-07-2016>   (3)<W 2016-01-29/08, art. 7, 026; Inwerkingtreding : onbepaald en uitlerlijk op 01-09-2017, (NOTA : bij arrest nr.76/2018 van 21-06-2018 (B.St. 02-07-2018, p. 53419), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 7 vernietigd)>
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 24 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IV. - De handhaving van de voorlopige hechtenis.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 24. Na zes maanden vrijheidsbeneming indien het maximum van de van toepassing zijnde straf [1 een straf van niveau 4]1 niet te boven gaat, of na een jaar in het andere geval, kan de verdachte bij zijn verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artikelen 22 (...) of 30, vragen om in openbare terechtzitting te verschijnen. <W 2003-01-23/42, art. 124, 011; Inwerkingtreding : 13-03-2003> <W 2005-05-31/32, art. 10 , 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>   Dit verzoek kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd :   - indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de orde, de goede zeden of de nationale veiligheid;   - indien de belangen van de minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van de slachtoffers of van de andere verdachten dit vereisen;   - indien de openbaarheid de belangen van de justitie kan schaden wegens de gevaren die zij meebrengt voor de veiligheid van de slachtoffers of van de getuigen.   ----------   (1)<W 2026-03-11/03, art. 240, 043; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 24bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IV. - De handhaving van de voorlopige hechtenis.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 24bis.[2 § 1.]2 [1 De onderzoeksrechter kan in elke stand van het geding, ambtshalve of op vordering van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking beslissen dat het bevel tot aanhouding of de beschikking of het arrest tot handhaving van de voorlopige hechtenis uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht, vanaf dat moment ten uitvoer zal worden gelegd in de gevangenis, indien :    1° de verdachte verzuimt bij enige proceshandeling te verschijnen [2 overeenkomstig de bepalingen van artikel 23, 2°]2;    2° de verdachte de standaardinstructies en de overeenkomstig artikel 16, § 1, tweede lid, bepaalde regels van de hechtenis onder elektronisch toezicht niet naleeft;    3° de verdachte de bij artikel 20, § 3bis, bepaalde verboden overtreedt;    4° nieuwe en ernstige omstandigheden dit noodzakelijk maken.   [4 5° het technisch onmogelijk blijkt het elektronisch toezicht voort te zetten.]4    De beschikking wordt onmiddellijk aan de verdachte betekend en onmiddellijk aan de procureur des Konings meegedeeld.    Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.    De procedure verloopt overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken III, IV en V.]1   [2 § 2. De onderzoeksrechter kan in elke stand van het geding ambtshalve of op vordering van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking die hij onmiddellijk aan de procureur des Konings meedeelt, beslissen dat het bevel tot aanhouding of de beschikking of het arrest tot handhaving van de voorlopige hechtenis dat ten uitvoer wordt gelegd in de gevangenis, vanaf dat moment ten uitvoer zal worden gelegd door een hechtenis onder elektronisch toezicht.]2   [3 § 3. Ingeval van handhaving van een hechtenis onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 26, § 3, tweede lid, worden de bevoegdheden bedoeld in de paragrafen 1 en 2, uitsluitend op vordering van het openbaar ministerie, uitgeoefend door de in artikel 27, § 1, bedoelde rechtsinstanties.    Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en ingeschreven in een daartoe bestemd register. Over het verzoekschrift wordt in raadkamer beslist binnen vijf dagen na de neerlegging ervan, het openbaar ministerie, de betrokkene en diens raadsman gehoord, waarbij aan deze laatste bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2.    Indien er binnen die termijn van vijf dagen, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 32, geen beslissing over het verzoekschrift is genomen, blijft de voorlopige hechtenis uitgevoerd onder elektronisch toezicht.    De beslissing wordt met redenen omkleed overeenkomstig artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.]3   [4 § 4. De verdachte die in voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht is geplaatst, verblijft in de gevangenis :    1° voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de plaatsing en de activering van het materiaal voor het elektronisch toezicht;    2° op bevel van de procureur des Konings, in geval van overmacht of wanneer hij een van de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden vervuld acht, of wanneer de verdachte wordt onderschept nadat hij zich aan het elektronisch toezicht heeft onttrokken, of wanneer het noodzakelijk blijkt bij wijziging van het adres van uitvoering van het elektronisch toezicht.    De onderzoeksrechter, die behoorlijk en onverwijld in kennis wordt gesteld door de procureur des Konings van het bevel vermeld in het eerste lid, 2°, doet binnen vijf werkdagen te rekenen vanaf de terugkeer van de verdachte in de gevangenis uitspraak over het al dan niet voortzetten van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht, zulks met toepassing van de paragrafen 1 en 2. Hij moet voorafgaandelijk de verdachte en zijn advocaat horen, aan wie daarvan bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2. In geval van handhaving van een hechtenis onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 26, § 3, tweede lid, wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf 3.]4   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2012-12-27/29, art. 7, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (2)<W 2014-04-25/23, art. 162, 023; Inwerkingtreding : 24-05-2014>   (3)<W 2016-02-05/11, art. 131, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016>   (4)<W 2019-05-05/10, art. 116, 033; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 24bis/1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IV/1. [1 - Bijstand van de advocaat bij de verhoren tijdens de periode van de handhaving van de voorlopige hechtenis.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 24bis/1. [1 De verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft vanaf de betekening van het bevel tot aanhouding recht op vertrouwelijk overleg met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20, § 1, recht op bijstand van een advocaat tijdens de verhoren die worden afgenomen en recht op de onderbreking van het verhoor overeenkomstig artikel 2bis, § 5, tweede lid. In het licht van bijzondere omstandigheden van de zaak kan de gelaste onderzoeksrechter beslissen te handelen overeenkomstig artikel 2bis, §§ 9 en 10.    Indien het verhoor op schriftelijke uitnodiging geschiedt met vermelding van een beknopte omschrijving van de feiten, van het recht op vertrouwelijk overleg met zijn advocaat, het recht op bijstand van zijn advocaat tijdens het verhoor, het recht om het verhoor eenmalig te onderbreken overeenkomstig artikel 2bis, § 5, tweede lid, en de rechten bepaald in artikel 47bis, § 2, 2) en 3), van het Wetboek van strafvordering, wordt betrokkene geacht zijn advocaat te hebben geraadpleegd.    Enkel de meerderjarige kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor in een door hem gedateerd en ondertekend document, waarin hem de nodige informatie wordt verstrekt over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op bijstand van een advocaat. Betrokkene wordt in kennis gesteld dat hij zijn afstand kan herroepen.    De verhoorder neemt contact op met de permanentie bepaald in artikel 2bis, § 2, teneinde de gekozen advocaat of zijn plaatsvervanger op te roepen voor het verhoor met vermelding van plaats, dag en uur. De advocaat die een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt bijstaat of die een andere advocaat opvolgt, meldt zijn tussenkomst onverwijld aan de in artikel 2bis, § 2, bedoelde permanentie.    Indien het verhoor niet op schriftelijke uitnodiging geschiedt of indien er tussen de uitnodiging en het verhoor geen vrije dag wordt gelaten, zijn de bepalingen van artikel 2bis, §§ 2 en 3, van toepassing.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2016-11-21/02, art. 9, 028; Inwerkingtreding : 27-11-2016>
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 25 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK V. - De opheffing van het bevel tot aanhouding.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 25.§ 1. Vóór de in artikel 21 bedoelde verschijning van de verdachte voor de raadkamer kan de onderzoeksrechter, bij een met redenen omklede beschikking die hij onmiddellijk aan de procureur des Konings meedeelt, het bevel tot aanhouding opheffen.   Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.   § 2. (Na de bij artikel 21 bedoelde beslissing van de raadkamer, kan de onderzoeksrechter in de loop van het onderzoek, bij een met redenen omklede beschikking die hij onmiddellijk aan de procureur des Konings meedeelt, het bevel tot aanhouding opheffen.   Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.   De procureur des Konings kan bovendien op elk moment de onderzoeksrechter verzoeken het bevel tot aanhouding op te heffen [1 ...]1.) <W 2005-05-31/32, art. 11, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>   § 3. In alle gevallen waarin met toepassing van de voorgaande bepalingen opheffing van het bevel tot aanhouding is verleend, is de verdachte verplicht om bij de proceshandelingen te verschijnen zodra zulks van hem wordt gevorderd.   ----------   (1)<W 2014-04-25/23, art. 163, 023; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 26 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK VI. - De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 26. § 1. Ingeval van beschikking tot buitenvervolgingstelling of van beschikking tot verwijzing naar de politierechtbank, wordt de verdachte in vrijheid gesteld (tenzij hij werd verwezen wegens een feit dat een inbreuk uitmaakt op de [2 artikelen 106, 107 en 107/1]2 van het Strafwetboek of op de artikelen 33, § 2, en 36 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer). <W 1994-07-11/33, art. 16, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>   § 2. Indien de raadkamer de verdachte naar de correctionele rechtbank (of naar de politierechtbank) verwijst wegens een feit dat [2 alleen een straf van niveau 1 tot gevolg kan hebben]2, wordt de verdachte in vrijheid gesteld, onder verplichting om op een te bepalen dag voor de bevoegde rechtbank te verschijnen. <W 1994-07-11/33, art. 15, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>   § 3. Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank (of naar de politierechtbank) verwijst wegens een feit waarvoor hij zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarop volgens de wet een gevangenisstraf staat waarvan de duur langer is dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, (kan zij de verdachte in vrijheid stellen of, bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de verdachte aangehouden blijft " of dat hij in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35). <W 1994-07-11/33, art. 15, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 1996-08-04/04, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 27-09-1996>   [1 Indien de verdachte in hechtenis onder elektronisch toezicht staat, kan de raadkamer bij een met redenen omklede beslissing de hechtenis onder elektronisch toezicht handhaven.]1   § 4. In geval uit de beschikking van de raadkamer de invrijheidstelling van de verdachte volgt, kan de procureur des Konings hiertegen, wat de voorlopige hechtenis betreft, hoger beroep aantekenen binnen vierentwintig uren; in de gevallen bedoeld in de bovenstaande §§ 1 en 2, kan hij dit slechts doen na hoger beroep ingesteld te hebben tegen de beslissing in zoverre zij de regeling van de rechtspleging betreft.   De verdachte blijft aangehouden tot na verloop van de voormelde termijn.   Het hoger beroep heeft schorsende werking.   § 5. De raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen, in de gevallen van de artikelen 133 en 231 van het Wetboek van Strafvordering, een beschikking tot gevangenneming geven en de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan bevelen.   Deze beschikkingen bevatten de naam van de verdachte, zijn persoonsbeschrijving, zijn woonplaats, indien zij bekend zijn, de uiteenzetting van het feit en de aard van het misdrijf.   Wanneer een beschikking tot gevangenneming gegeven wordt ten aanzien van een verdachte of een beschuldigde die wegens [2 een misdrijf waarop een straf van niveau 2 of 3 is gesteld,]2 wordt vervolgd, worden de bepalingen van artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, in acht genomen.   De beschikkingen van de raadkamer en van de kamer van inbeschuldigingstelling worden door de rechters bij meerderheid van stemmen genomen.   [1 In voorkomend geval is paragraaf 4 van toepassing.]1   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 132, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 132, 1° vernietigd)   (2)<W 2026-03-11/03, art. 241, 043; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 27 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK VI. - De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 27.§ 1. Wanneer geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis en ofwel het onderzoek afgesloten is, ofwel toepassing werd gemaakt van artikel 133 van het Wetboek van Strafvordering en van artikel 26, § 5, kan de voorlopige invrijheidstelling worden verleend op indiening van een verzoekschrift dat gericht wordt :   1° aan de correctionele rechtbank (of aan de politierechtbank) waar de zaak aanhangig is, vanaf de verwijzende beschikking tot het vonnis; <W 1994-07-11/33, art. 16, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>   2° (aan de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep, of) aan de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep, vanaf het instellen van het beroep tot de beslissing in hoger beroep; <W 1994-07-11/33, art. 16, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>   3° aan de kamer van inbeschuldigingstelling :   a) (vanaf de beschikking gegeven overeenkomstig artikel 133 van het Wetboek van strafvordering totdat het hof van assisen einduitspraak heeft gedaan;) <W 2000-06-30/47, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 27-03-2001>   b) tijdens het geding tot regeling van rechtsgebied, wanneer de verdachte gevangen gehouden wordt ter uitvoering van een beschikking tot gevangenneming gegeven door de raadkamer;   (c) tijdens het geding voor de kamer van inbeschuldigingstelling bedoeld in de artikelen 135, 235 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering) <W 1998-03-12/39, art. 41, 005; Inwerkingtreding : 1998-10-02>   4° (...) <W 2000-06-30/47, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 27-03-2001>   5° aan de kamer van inbeschuldigingstelling, vanaf het cassatieberoep tot het arrest.   § 2. De voorlopige invrijheidstelling kan ook worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na veroordeling uitgesproken bevel tot onmiddellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend. Zij kan in dezelfde voorwaarden worden aangevraagd door wie aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek, waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend.   [1 § 2bis. De voorlopige invrijheidstelling kan ook worden aangevraagd door degene die aangehouden is op het ogenblik van zijn internering of van wie de onmiddellijke opsluiting is bevolen ter gelegenheid van de internering, conform artikel 10 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen, mits er tegen de internering zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend.]1   § 3. Het verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en het wordt er ingeschreven in het register vermeld in artikel 21, § 2.   Over het verzoekschrift wordt beslist in raadkamer binnen vijf dagen na de neerlegging ervan, het openbaar ministerie, de betrokkene en diens raadsman gehoord, waarbij aan deze laatste bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2.   Indien er binnen de termijn van vijf dagen, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 32, geen uitspraak over het verzoekschrift is gedaan, wordt de betrokkene in vrijheid gesteld.   De beslissing tot verwerping wordt gemotiveerd met inachtneming van hetgeen voorgeschreven is in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.   [2 § 4. Indien het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidsstelling is verworpen, kan een nieuw verzoekschrift slechts worden ingediend na een termijn van een maand na de verwerping ervan.]2   ----------   (1)<W 2014-05-05/11, art. 130, 024; Inwerkingtreding : (W 2016-05-04/03, art. 250) gewijzigd door <L 2016-05-04/03, art. 241> . Overgangsbepalingen: art. 134 en 13>   (2)<W 2016-02-05/11, art. 133, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 28 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK VI. - De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 28.§ 1. De onderzoeksrechter kan in elke stand van de zaak een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de in vrijheid gelaten of in vrijheid gestelde verdachte :   1° als deze verzuimt bij enige proceshandeling te verschijnen;   2° indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken. In dit laatste geval vermeldt het bevel de nieuwe en ernstige omstandigheden die de aanhouding wettigen.   De bepalingen van hoofdstukken III, IV en V zijn mede van toepassing.   § 2. De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval bedoeld in [1 § 1, 1° en 2°]1.   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 134, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 28/1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK VI. - De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 28/1. [1 De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval dat de verdachte niet persoonlijk kan verschijnen omwille van een hechtenis in het buitenland en hijzelf gevraagd heeft om persoonlijk aanwezig te kunnen zijn.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-11/02, art. 12, 032; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 29 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK VI. - De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 29.De voorlopig in vrijheid gestelde persoon moet aangeven op welk adres hem nadien de voor het onderzoek [1 en het strafproces"]1 vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan. Tot op het ogenblik dat de betrokkene bij ter post aangetekende brief aan het openbaar ministerie een wijzigingsbericht doet geworden [1 of indien hij is ingeschreven op een nieuw adres in het Rijksregister]1, worden de oproepingen en betekeningen geldig op die plaats gedaan.   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 135, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 30 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK VII. - Het hoger beroep.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 30.(§ 1. De verdachte, de beklaagde of de beschuldigde en het openbaar ministerie kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in de artikelen 21, 22 (...) [2 ...]2 en 28. Over het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de correctionele rechtbank of van de politierechtbank, gewezen overeenkomstig artikel 27, wordt uitspraak gedaan, naar het geval, door de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep of door de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep.) <W 1994-07-11/33, art. 17, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 2005-05-31/32, art. 12, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>   § 2. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die, ten aanzien van het openbaar ministerie, begint te lopen vanaf de dag van de beslissing en ten aanzien van de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde, vanaf de dag waarop die hem betekend is in de vorm bepaald in artikel 18.   Deze betekening wordt gedaan binnen vierentwintig uren. In de akte van betekening wordt aan de verdachte kennis gegeven van het hem toekomende recht van hoger beroep en van de termijn waarbinnen dit recht moet worden uitgeoefend.   De verklaring van hoger beroep wordt gedaan op de griffie van de rechtbank die uitspraak heeft gedaan, en wordt ingeschreven in het register van hoger beroep in correctionele zaken.   De stukken worden, in voorkomend geval, door de procureur des Konings bezorgd aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.   Aan de raadsman van de verdachte wordt bericht gegeven door de griffier (van het gerecht in hoger beroep). <W 1994-07-11/33, art. 17, 2°, 003; Inwerkingtreding : onbepaald >   § 3. Over het hoger beroep wordt uitspraak gedaan met voorrang boven alle andere zaken, [1 het openbaar ministerie en de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde en/of zijn raadsman gehoord]1. [3 De kamer van inbeschuldigingstelling kan beslissen dat de inverdenkinggestelde in een videoconferentie verschijnt.]3   De verdachte blijft in hechtenis totdat over het hoger beroep is beslist, voor zover dit geschiedt binnen vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld; de verdachte wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet gewezen is binnen die termijn.   [1 Op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling zijn de bij artikel 23, 1° tot 4°, bepaalde regels van toepassing.]1   § 4. Het gerecht dat over het hoger beroep beslist, doet uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van de artikelen 21, 22 (...) [2 ...]2 en 28, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, levert het arrest een titel van vrijheidsbeneming op voor (een maand) te rekenen van de beslissing [2 indien zij betrekking heeft op de [4 eerste, tweede of de derde]4 beschikking van de raadkamer, of voor twee maanden te rekenen van de beslissing indien zij betrekking heeft op een daaropvolgende beschikking]2. <W 2005-05-31/32, art. 12, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>   (Wanneer, bij toepassing van de artikelen 135 en 235 van het Wetboek van Strafvordering, de kamer van inbeschuldigingstelling een onderzoeksmagistraat met een zaak belast en de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, doet de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak over de voorlopige hechtenis in een afzonderlijk arrest dat, in geval van handhaving van de voorlopige hechtenis, geldt als titel van vrijheidsbeneming voor [2 twee maanden]2.) <W 1998-03-12/39, art. 42, 005; Inwerkingtreding : 1998-10-02>   ----------   (1)<W 2012-12-27/29, art. 19, 022; Inwerkingtreding : 10-02-2013>   (2)<W 2016-02-05/11, art. 136, 025; Inwerkingtreding : 01-07-2016. Overgangsbepaling : 140>   (3)<W 2016-01-29/08, art. 8, 026; Inwerkingtreding : onbepaald en uitlerlijk op 01-09-2017, (NOTA : bij arrest nr.76/2018 van 21-06-2018 (B.St. 02-07-2018, p. 53419), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 8 vernietigd)>   (4)<W 2023-07-31/02, art. 12, 036; Inwerkingtreding : 01-09-2023>
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 31 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK VIII. - Het cassatieberoep.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 31.§ 1. De arresten (en vonnissen) waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, worden binnen vierentwintig uren aan de verdachte betekend in de vorm bepaald in artikel 18. <W 1994-07-11/33, art. 18, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>   § 2. [1 Tegen deze beslissingen kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld behoudens tegen de arresten gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling op het beroep tegen de beslissingen bedoeld in artikel 21, § 1, tweede lid, waartegen cassatieberoep kan]1 worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die begint te lopen vanaf de dag waarop (de beslissing) aan verdachte wordt betekend. <W 1994-07-11/33, art. 18, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>   § 3. Het dossier wordt binnen vierentwintig uren te rekenen van het instellen van het cassatieberoep aan de griffier van het Hof van Cassatie toegestuurd. Cassatiemiddelen kunnen worden voorgedragen, hetzij in de akte van voorziening, hetzij in een bij die gelegenheid neergelegd geschrift, hetzij in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen uiterlijk de vijfde dag na de datum van de voorziening.   Het Hof van Cassatie beslist binnen vijftien dagen te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. De verdachte wordt in vrijheid gesteld als het arrest niet gewezen is binnen die termijn.   § 4. Na een cassatiearrest met verwijzing, doet de kamer van inbeschuldigingstelling waarnaar de zaak verwezen is, uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. De verdachte wordt in vrijheid gesteld als het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling niet gewezen is binnen die termijn.   Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 30, §§ 3 en 4, mede van toepassing.   Als het gerecht waarnaar de zaak verwezen is de voorlopige hechtenis handhaaft, geldt zijn beslissing als titel van hechtenis voor (een maand) te rekenen van de beslissing [2 indien ze betrekking heeft op de eerste, de tweede of de derde beschikking van de raadkamer of voor twee maanden indien ze betrekking heeft op een daaropvolgende beschikking]2. <W 2005-05-31/32, art. 13, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>   (§ 5. Als het cassatiebroep wordt verworpen, dient de raadkamer uitspraak te doen [2 binnen een maand te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie indien de beroepen beschikking de eerste, de tweede of de derde beschikking van de raadkamer is of binnen de twee maanden na die uitspraak indien de beroepen beschikking een daaropvolgende beschikking is]2, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. Hij wordt in vrijheid gesteld als de beschikking van de raadkamer niet gewezen wordt binnen deze termijn.) <W 1990-11-28/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 137, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016> (NOTA : bij arrest nr. 148/2017 van 21-12-2017 (B.St. 12-01-2018, p. 1393), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 137 vernietigd)   (2)<W 2023-07-31/02, art. 13, 036; Inwerkingtreding : 01-09-2023>
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 32 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IX. - De verlenging van de termijnen, de invrijheidstelling, de onmiddellijke aanhouding en het bevel tot aanhouding bij verstek.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 32.De termijnen bepaald in de artikelen 21, § 1, [1 22, 24bis, § 3, 25]1, § 2, 27, § 3, 30, § 3 en 31, § 3, worden geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman.   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 138, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 32bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IX. - De verlenging van de termijnen, de invrijheidstelling, de onmiddellijke aanhouding en het bevel tot aanhouding bij verstek.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 32bis. <ingevoegd bij W 2003-04-10/60, art. 52; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Wanneer het bevel tot aanhouding dient te worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 19, § 1bis, kan de onderzoeksrechter in het geval van overmacht de termijn van artikel 21 met vijf dagen verlengen. Deze verlenging dient op straffe van nietigheid te gebeuren binnen de geldigheidstermijn van het afgeleverde bevel tot aanhouding.   De omstandigheden die deze handelswijze rechtvaardigen, dienen uitdrukkelijk vermeld te worden op het bevel tot aanhouding dat deze verlenging vaststelt. Hiertegen staat geen rechtsmiddel open.
    Open officiële bron ↗