Gratis brononderzoek

Voorlopige hechtenis

Aanhouding, bevelen tot aanhouding en controle van de voorlopige hechtenis.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-04 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-03-26

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

64 bronvarianten

  1. Art. 33 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IX. - De verlenging van de termijnen, de invrijheidstelling, de onmiddellijke aanhouding en het bevel tot aanhouding bij verstek.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 33. § 1. Tenzij de beklaagde of de beschuldigde gevangen gehouden wordt om een andere reden, wordt hij, niettegenstaande hoger beroep, onmiddellijk in vrijheid gesteld als hij wordt vrijgesproken, veroordeeld wordt met uitstel [3 , veroordeeld wordt tot een straf onder elektronisch toezicht, tot een werkstraf, tot een [6 ...]6 probatiestraf, of tot een geldboete alleen, of indien een [6 veroordeling bij schuldigverklaring]6 wordt uitgesproken]3 of indien hij opschorting heeft gekregen van de uitspraak der veroordeling (, of indien hij niet wordt veroordeeld tot een effectieve hoofdgevangenisstraf binnen zeven dagen te rekenen van de uitvaardiging van het bevel tot aanhouding met het oog op onmiddellijke verschijning). (De onmiddellijke invrijheidstelling van de beklaagde of de beschuldigde brengt met zich dat jegens hem geen dwangmiddelen mogen worden gebruikt.) <W 2000-03-28/31, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 2000-04-30> <W 2002-08-02/66, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 15-09-2002>   [5 Tenzij de beklaagde of de beschuldigde gevangen gehouden wordt om een andere reden, wordt hij, niettegenstaande hoger beroep, eveneens onmiddellijk in vrijheid gesteld als hij wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf zonder uitstel van minder dan drie jaar of als hij wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf zonder uitstel van minder dan een jaar op basis van [6 de artikelen van boek II, titel 4, hoofdstuk 1, en de artikelen 132 tot 168, 170 tot 174, 181 tot 186, 265 tot 268]6van het Strafwetboek. Indien het openbaar ministerie op basis van het dossier van oordeel is dat de beklaagde of de beschuldigde geen hoofdverblijfplaats heeft, maakt dit het voorwerp uit van een afzonderlijk debat. Indien naar aanleiding van dit debat wordt vastgesteld dat de beklaagde of beschuldigde geen hoofdverblijfplaats heeft, beveelt het hof of de rechtbank dat hij aangehouden blijft tenzij het hof of de rechtbank oordeelt dat deze situatie geen risico met zich meebrengt op het zich onttrekken aan de straf. Paragraaf 2, derde lid, is van toepassing op deze beslissing. De onmiddellijke invrijheidstelling van de beklaagde of de beschuldigde brengt met zich dat jegens hem geen dwangmiddelen mogen worden gebruikt.]5   [5 Onverminderd het tweede lid, wordt hij die tot een hoofdgevangenisstraf zonder uitstel wordt veroordeeld]5, niettegenstaande hoger beroep, in vrijheid gesteld zodra de ondergane hechtenis gelijk is aan de uitgesproken hoofdgevangenisstraf; zoniet, dan blijft hij aangehouden voor zover de straf wordt uitgesproken wegens het feit dat de voorlopige hechtenis heeft gewettigd.   § 2. Wanneer de hoven en de rechtbanken de beklaagde of de beschuldigde [2 veroordelen tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel, en voor veroordelingen wegens feiten bedoeld in [6 boek II, titel 4, hoofdstuk 1, en in de artikelen 132 tot 168, 170 tot 174, 181 tot 186, 265 tot 268]6 van het Strafwetboek, tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf, zonder uitstel,]2 kunnen zij, op vordering van het openbaar ministerie, zijn onmiddellijke aanhouding gelasten, indien te vrezen is dat de beklaagde of de beschuldigde zich aan de uitvoering van de straf zou pogen te onttrekken [4 of dat hij [6 nieuwe misdrijven]6 zou plegen]4. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden van de zaak die vrees bepaaldelijk wettigen.   Indien op verzet of hoger beroep de straf verminderd wordt [2 tot minder dan drie jaar en voor veroordelingen wegens feiten bedoeld in [6 boek II, titel 4, hoofdstuk 1, en in de artikelen 132 tot 168, 170 tot 174, 181 tot 186, 265 tot 268]6 van het Strafwetboek, tot minder dan een jaar]2, kan het hof of de rechtbank, met eenparigheid van stemmen, op vordering van het openbaar ministerie en na de beklaagde en zijn raadsman te hebben gehoord als zij aanwezig zijn, de gevangenhouding handhaven.   Over de krachtens deze paragraaf genomen beslissingen moet een afzonderlijk debat worden gehouden, onmiddellijk na de uitspraak van de straf. De beklaagde of de beschuldigde en zijn raadsman worden gehoord als ze aanwezig zijn. Deze beslissingen zijn niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. [1 Ze zijn vatbaar voor cassatieberoep voor zover dit rechtsmiddel ook tegen de veroordelende beslissing wordt ingesteld.]1   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 139, 025; Inwerkingtreding : 29-02-2016>   (2)<W 2017-12-21/19, art. 7, 031; Inwerkingtreding : 21-01-2018>   (3)<W 2019-05-05/10, art. 117, 033; Inwerkingtreding : 03-06-2019>   (4)<W 2019-11-29/06, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 21-12-2019>   (5)<W 2023-07-31/02, art. 14, 036; Inwerkingtreding : 19-08-2023>   (6)<W 2026-03-11/03, art. 242, 043; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 34 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK IX. - De verlenging van de termijnen, de invrijheidstelling, de onmiddellijke aanhouding en het bevel tot aanhouding bij verstek.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 34.§ 1. Wanneer de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt of wanneer er grond bestaat om zijn uitlevering te vragen, kan de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding bij verstek uitvaardigen.   § 2. Wordt dit bevel uitgevoerd vóór het onderzoek is afgesloten, dan moet de verdachte door de onderzoeksrechter worden ondervraagd. Oordeelt de onderzoeksrechter dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan kan hij een nieuw bevel tot aanhouding uitvaardigen, waarop de bepalingen van de hoofdstukken III, IV en V mede van toepassing zijn.   Dit nieuwe bevel tot aanhouding wordt aan de verdachte betekend binnen [1 achtenveertig]1 uren te rekenen van de betekening op het Belgisch grondgebied (of op het buitenlandse grondgebied waar een legeronderdeel is gestationeerd) van het bevel tot aanhouding bij verstek, welke betekening moet geschieden binnen [1 achtenveertig]1 uren na de aankomst of de vrijheidsbeneming op het Belgisch grondgebied.<W 2003-04-10/60, art. 53, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   § 3. De beklaagde of de beschuldigde kan zijn invrijheidstelling alleen vragen overeenkomstig artikel 27.   ----------   (1)<W 2017-10-31/06, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 29-11-2017>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 35 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK X. - Vrijheid onder voorwaarden en invrijheidstelling onder voorwaarden.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 35.§ 1. In de gevallen waarin voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, § 1, bepaalde voorwaarden, kan de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden.   [1 Hij kan de betrokkene verbieden om een activiteit uit te oefenen waarbij hij in contact zou komen met minderjarigen.]1   [Met het oog op de bepaling van de voorwaarden, kan de onderzoeksrechter de [4 bevoegde dienst van de gemeenschappen]4 van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de betrokkene de opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De Koning bepaalt de nadere regels inzake het beknopt voorlichtingsrapport en de maatschappelijke enquête.   Deze rapporten en deze onderzoeken mogen alleen de pertinente elementen bevatten die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de [4 bevoegde dienst van de gemeenschappen]4 richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen maatregel of straf.] <W 2006-12-27/33, art. 48, 1°, 016; Inwerkingtreding : 07-01-2007>   § 2. Alle beslissingen waarbij aan de verdachte of de beklaagde een of meer voorwaarden worden opgelegd, moeten met redenen omkleed zijn, zoals bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.   § 3. De rechter bepaalt de op te leggen voorwaarden. Deze moeten betrekking hebben op [3 een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid,]3 en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak.   § 4. De rechter kan ook de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom vorderen, waarvan hij het bedrag bepaalt.   Hij kan zijn beslissing met name gronden op ernstige vermoedens dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst ofwel verborgen gehouden.   De borgsom wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort en het openbaar ministerie doet, op vertoon van het ontvangstbewijs, de beschikking of het arrest van invrijheidstelling ten uitvoer leggen.   Niettegenstaande de termijn bepaald in artikel 35, § 1, en onverminderd de toepassing van artikel 36, wordt de borgsom teruggegeven indien de verdachte bij alle proceshandelingen, alsook ter tenuitvoerlegging van het vonnis, verschenen is. Wanneer de veroordeling voorwaardelijk is, is het voldoende dat de verdachte bij alle proceshandelingen verschenen is.   De borgsom wordt toegewezen aan de Staat, zodra gebleken is dat de verdachte zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is bij enige proceshandeling of ter tenuitvoerlegging van het vonnis. [2 In geval echter van buitenvervolgingstelling, vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, voorwaardelijke veroordeling of verjaring van de strafvordering, beveelt het vonnis of het arrest de teruggave, onder voorbehoud van de buitengewone kosten waartoe de niet-verschijning aanleiding mocht hebben gegeven.]2   De niet-verschijning van de verdachte bij een proceshandeling wordt vastgesteld door het vonnis of het arrest van veroordeling, waarbij eveneens verklaard wordt dat de borgsom aan de Staat vervalt.   De niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis wordt, op vordering van het openbaar ministerie, vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken. Het vonnis verklaart tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.   § 5. De onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten beschikken over dezelfde bevoegdheden wanneer een verdachte of een beklaagde in vrijheid wordt gesteld.   (§ 6. Indien de voorwaarden die krachtens § 3 bepaald zijn, het volgen van een begeleiding of een behandeling opleggen, nodigt de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht de inverdenkinggestelde uit om een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Die keuze wordt aan de rechter of het gerecht ter goedkeuring voorgelegd.   Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de rechter of aan het gerecht ( [4 en aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen]4 die met de ondersteuning en de controle is belast), binnen de maand na de invrijheidstelling en telkens als die dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de rechter of van het gerecht en ten minste om de twee maanden, verslag uit over de begeleiding of de behandeling. <W 2006-12-27/33, art. 48, 2°, 016; Inwerkingtreding : 07-01-2007>   Het in het tweede lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.   De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de rechter of het gerecht op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling.) <W 2000-11-28/35, art. 46, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2001>   [4 De onderzoeksrechter of, na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, de procureur des Konings bezorgt de bevoegde dienst of persoon, bedoeld in het tweede lid, de gegevens van het dossier die noodzakelijk zijn voor de behandeling of begeleiding van de betrokkene. Hiervoor kan, mits toelating van de onderzoeksrechter dan wel de procureur des Konings, beroep worden gedaan op de bevoegde diensten van de gemeenschappen, mits hen daartoe de nodige toelating te verlenen.]4   ----------   (1)<W 2009-07-31/20, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 30-06-2009>   (2)<W 2009-12-30/14, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 25-01-2010>   (3)<W 2012-12-27/29, art. 9, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (4)<W 2024-01-18/06, art. 55, 037; Inwerkingtreding : 05-02-2024>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 36 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK X. - Vrijheid onder voorwaarden en invrijheidstelling onder voorwaarden.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 36.§ 1. De onderzoeksrechter kan in de loop van het gerechtelijk onderzoek, ambtshalve of op vordering van de procureur des Konings, een of meer nieuwe voorwaarden opleggen, reeds opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk opheffen, wijzigen of verlengen.   (De beslissing tot verlenging van de voorwaarden wordt genomen vóór het verstrijken van de door de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 35, § 1, bepaalde termijn. Bij gebreke hiervan vervallen de voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen worden verlengd voor de termijn die hij bepaalt en maximum voor drie maanden). <W 2005-05-31/32, art. 14, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>   Hij kan vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of van sommige daarvan.   De verdachte kan vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd; hij kan ook vragen te worden vrijgesteld van alle voorwaarden of van sommige daarvan.   Doet de raadkamer binnen vijf dagen geen uitspraak over het verzoek van de verdachte, dan vervallen de bevolen maatregelen.   § 2. Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank (of naar de politierechtbank) verwijst wegens een feit dat de toepassing wettigt van een van de voorwaarden bedoeld in artikel 35, [1 beslist zij bij een afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, of de opgelegde voorwaarden al dan niet gehandhaafd worden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt die een einde maakt aan de vervolging. Zij kan ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden wijzigen, opheffen of vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of sommige daarvan]1. Zij kan geen nieuwe voorwaarden opleggen. <W 1994-07-11/33, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>   § 3. Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek kan het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden [1 wijzigen, opheffen of vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of sommige daarvan]1. Het kan geen nieuwe voorwaarden opleggen.   [1 § 4. De beslissingen en beschikkingen, bedoeld in de paragrafen 1 tot 3, krijgen uitwerking op de datum van de beslissing of beschikking.]1   ----------   (1)<W 2024-01-18/06, art. 56, 037; Inwerkingtreding : 05-02-2024>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 37 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK X. - Vrijheid onder voorwaarden en invrijheidstelling onder voorwaarden.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 37.De beslissingen genomen ter uitvoering van de artikelen 35 en 36 worden aan de partijen betekend met inachtneming van de vormen bepaald voor de voorlopige hechtenis. Tegen deze beslissingen staan dezelfde rechtsmiddelen open als tegen de beslissingen die inzake voorlopige hechtenis worden genomen.   [1 De beslissingen genomen met toepassing van artikel 35, § 1, tweede lid, alsook de beslissingen tot intrekking, wijziging of verlenging van deze beslissingen worden overgezonden [2 aan het Centraal Strafregister en]2 aan de politiedienst van de gemeente waar de betrokkene zijn woon- of verblijfplaats heeft. [2 ...]2.]1   ----------   (1)<W 2009-07-31/20, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 30-06-2009>   (2)<W 2016-12-25/14, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 38 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK X. - Vrijheid onder voorwaarden en invrijheidstelling onder voorwaarden.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38.§ 1. [1 Voor hulp en voor nazicht betreffende het respecteren van de begeleidingsvoorwaarden kan er een beroep gedaan worden op de bevoegde diensten van de gemeenschappen. Daartoe wordt hen een kopie van de beslissing of beschikking waarbij een begeleidingsvoorwaarde wordt opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd of opgeheven, of vrijstelling van de naleving ervan wordt verleend, overgemaakt.    In het kader van het toezicht op de naleving van de begeleidingsvoorwaarden maakt de bevoegde dienst van de gemeenschappen tijdens het gerechtelijk onderzoek een verslag over aan de onderzoeksrechter ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de door hem opgelegde termijn, en bezorgt de dienst een kopie ervan aan de procureur des Konings.    Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek bezorgt de bevoegde dienst van de gemeenschappen een verslag aan de procureur des Konings telkens als deze erom verzoekt, en tenminste om de zes maanden.    De bevoegde dienst van de gemeenschappen kan een verslag opstellen telkens als zij dit nodig acht.    Het toezicht op het volgen van een begeleiding of een behandeling gebeurt overeenkomstig artikel 35, § 6.    Het naleven van de verbodsvoorwaarden wordt door de politiediensten gecontroleerd.]1   § 2. Bij niet-naleving van de voorwaarden kan de onderzoeksrechter, de rechtbank of het hof van beroep, al naar het geval, een bevel tot aanhouding uitvaardigen onder de voorwaarden bepaald in artikel 28.   ----------   (1)<W 2024-01-18/06, art. 57, 037; Inwerkingtreding : 05-02-2024>
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 38bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK X. - Vrijheid onder voorwaarden en invrijheidstelling onder voorwaarden.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38bis. <ingevoegd bij W 2006-12-27/33, art. 50; Inwerkingtreding : 07-01-2007> Op federaal en lokaal niveau, worden overlegstructuren inzake de toepassing van deze wet opgericht. Deze overlegstructuren hebben tot taak de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering deze wet, op regelmatige basis samen te brengen teneinde hun samenwerking te evalueren. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van deze overlegstructuren.
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 38ter · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I. - De voorlopige hechtenis. / HOOFDSTUK XI. [1 Het informeren van de slachtoffers]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38ter. [1 De benadeelde persoon of de burgerlijke partij kunnen in kennis worden gesteld van het verloop van de voorlopige hechtenis van de verdachte van een [2 misdrijf]2 waarbij de fysieke en/of psychische integriteit van henzelf of van een derde die ze vertegenwoordigen, werd bedreigd of aangetast.    De aldus meegedeelde informatie heeft betrekking op de volgende aspecten:    1° het afleveren of het opheffen van een bevel tot aanhouding;    2° het uitvoeren van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht;    3° de beslissing tot invrijheidstelling;    4° de voorwaarden die in het belang van de benadeelde persoon of de burgerlijke partij worden opgelegd evenals het opleggen van nieuwe voorwaarden, het gedeeltelijk of geheel opheffen of het wijzigen ervan overeenkomstig artikel 36 in het geval van een beslissing tot invrijheidstelling onder voorwaarden of tegen borgstelling en een beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling.    Tenzij er een aanwijsbaar risico bestaat dat de verdachte als gevolg van de kennisgeving schade zou kunnen worden berokkend, informeert de griffier de benadeelde persoon of de burgerlijke partij volgens de door de Koning bepaalde regels zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vierentwintig uur via het meest geschikte communicatiemiddel.    De kennisgeving is, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, gericht aan de benadeelde persoon of de burgerlijke partij.    De benadeelde persoon of de burgerlijke partij kunnen ook verzoeken dat een afschrift van de informatie aan hun raadsheer of aan de bevoegde diensten van de gemeenschappen wordt bezorgd. In dat laatste geval bepaalt de Koning hoe de griffier die informatie indien nodig aan de gemeenschapsdiensten en aan de politiediensten moet bezorgen.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2023-03-02/18, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 01-04-2024>   (2)<W 2026-03-11/03, art. 243, 043; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 38quater · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I/1. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38quater. [1 De artikelen 556 tot 562 en 565 tot 567 van het Wetboek van strafvordering zijn van toepassing voor zover daarvan niet wordt afgeweken door deze titel.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-04-25/20, art. 32, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 38quinquies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I/1. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38quinquies. [1 § 1. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie kunnen ambtshalve de inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie uitnodigen om op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen per videoconferentie, mits hun akkoord, elk voor wat hun verschijning of deelname betreft, wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:    1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;    2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.    Voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de mogelijkheid tot interactie, de fase van de procedure, de beroepsmogelijkheden, de technische capaciteit van de gevangenissen, de verblijfssituatie waarin de inverdenkinggestelde zich bevindt, de fysieke of psychische toestand en de kwetsbare toestand van de inverdenkinggestelde.    De oproeping voor de zitting bevat de uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen.    Ten aanzien van de inverdenkinggestelde, aan wie een uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen is betekend en die niet verschijnt hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.    § 2. De inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie kunnen het gerecht verzoeken om toelating om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen. Dit verzoek wordt ten laatste op de vijfde dag voor de zitting langs elektronische weg meegedeeld bij de griffie van het gerecht waarvoor de inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie moet verschijnen of worden gehoord en aan de partijen.    Het onderzoeksgerecht, de rechtbank of het Hof van Cassatie kan dit verzoek inwilligen indien het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:    1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, tweede lid;    2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.    De griffie van het gerecht stelt de inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie in kennis van deze beslissing ten laatste op de derde dag vóór de zitting.    Ten aanzien van de inverdenkinggestelde die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.    § 3. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie kunnen, bij een met redenen omklede beslissing, de inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie verbieden in fysieke persoon te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:    1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, tweede lid;    2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering zijn vervuld;    3° ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat:    a) een epidemische noodsituatie is afgekondigd overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt; of    b) er objectiveerbare aanwijzingen zijn van een ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid die verhinderen dat de betrokkene aanwezig kan zijn op de zitting of dat, ingeval de betrokkene gedetineerd is, zijn transport naar de zittingszaal in veiligheid kan worden gegarandeerd.    De oproeping bevat het verbod om fysiek te verschijnen. De griffie van het gerecht deelt deze beslissing eveneens onverwijld mee aan het openbaar ministerie.    Tegen deze beslissing staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open.    Ten aanzien van een inverdenkinggestelde die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.    § 4. De verschijning van de inverdenkinggestelde per videoconferentie of de deelname van het openbaar ministerie per videoconferentie vindt, indien deze daarop werd uitgenodigd krachtens paragraaf 1, plaats mits hun respectievelijke akkoord. De inverdenkinggestelde, die van zijn vrijheid is benomen, deelt zijn akkoord mee ten laatste op de derde dag voor de zitting. Behalve in het geval van de inverdenkinggestelde die van zijn vrijheid is benomen, geldt de connectie met het videoconferentiesysteem op de dag en het tijdstip die in de oproeping zijn vermeld eveneens als akkoord.    De inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie die krachtens paragraaf 2 werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen of deel te nemen, wordt verondersteld te hebben toegestemd om te verschijnen of deel te nemen per videoconferentie.    Behalve de inverdenkinggestelde die van zijn vrijheid is benomen, heeft de partij die zijn toestemming om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen heeft meegedeeld of die daartoe werd toegelaten, altijd het recht om vóór het begin van de zitting te beslissen om in de zittingszaal waar het gerecht zetelt op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen.    Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.    § 5. Indien het gerecht in de loop van de zitting, ambtshalve of op aangeven van één van de personen die aan de zitting deelnemen, vaststelt dat niet langer is voldaan aan de in artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering bedoelde waarborgen of, in voorkomend geval, de in artikel 38sexies bedoelde voorwaarden, beveelt het:    1° de schorsing van de zitting totdat weer is voldaan aan deze voorwaarden;    2° in voorkomend geval, de voortzetting van het geding op een andere datum, hetzij per videoconferentie, hetzij in fysieke aanwezigheid van de personen die per videoconferentie verschenen in de zittingszaal, indien het vaststelt dat de voornoemde waarborgen en voorwaarden niet opnieuw vervuld kunnen zijn binnen de kortst mogelijke termijn na kennis te hebben genomen van het standpunt van de personen die aan de zitting deelnemen. De rechter geeft de redenen voor deze beslissing aan in het proces-verbaal van de zitting.    Indien het gerecht tijdens de zitting per videoconferentie, ambtshalve of op aangeven van één van de partijen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat het gebruik van de videoconferentie niet of niet meer verenigbaar is met de bijzondere omstandigheden van de zaak of, in voorkomend geval, de epidemische noodsituatie of het ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid heeft opgehouden te bestaan, beveelt het, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen, de voortzetting van de zitting in aanwezigheid van de personen die verschenen per videoconferentie binnen de kortst mogelijke termijn. De rechter laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.    Indien de zitting omwille van overmacht niet kan worden hervat tijdens de termijn voorzien in de artikelen 22 en 30, kan het gerecht deze termijn met vijf dagen verlengen. Deze beslissing tot verlenging dient op straffe van nietigheid te worden genomen binnen de geldigheidstermijn van de titel van vrijheidsbeneming. De zitting moet plaatsvinden binnen deze termijn. De omstandigheden die deze handelswijze rechtvaardigen, dienen uitdrukkelijk vermeld te worden in de beslissing die de vrijheidsbeneming verlengt. Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.    § 6. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze titel gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een inverdenkinggestelde betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, het elektronisch adres van de griffie van de gevangenis of, in voorkomend geval, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die inverdenkinggestelde indien het niet een gedetineerde betreft, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat de inverdenkinggestelde heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig door het gerecht werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.    § 7. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de verschijning bedoeld in artikel 21.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-04-25/20, art. 33, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 38sexies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I/1. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38sexies. [1 Behalve wanneer de procedure ter openbare terechtzitting moet plaatsvinden, is de verschijning per videoconferentie van de inverdenkinggestelde slechts mogelijk indien de videoconferentie de waarborgen vervult bedoeld in artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering en:    1° ingeval de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid benomen is, een gemachtigde van de directeur van de gevangenis of, in voorkomend geval, zijn advocaat als hij aanwezig is, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf, de inverdenkinggestelde en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar ze zich bevinden, noch op andere wijze kan worden gevolgd wat er wordt gezegd; of    2° de inverdenkinggestelde zelf of, in voorkomend geval, zijn advocaat aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of    3° ingeval het gerecht van oordeel is dat de aanwezigheid van de advocaat of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bij de inverdenkinggestelde vereist is, de advocaat of, bij gebreke ervan, de gerechtsdeurwaarder aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan hijzelf en de betrokken persoon en, in voorkomend geval, de met name in genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-04-25/20, art. 34, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 38septies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I/1. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38septies. [1 Artikel 38quinquies is niet van toepassing ten aanzien van de inverdenkinggestelde die van zijn vrijheid is benomen in de gevallen waarin de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling in het administratieve gedeelte van de gevangenis zetelt overeenkomstig de artikelen 76, § 5, en 101, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. Zijn advocaat kan evenwel deelnemen aan de zitting per videoconferentie.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-04-25/20, art. 35, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 38octies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL I/1. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 38octies. [1 In de gevallen waarin de raadkamer in de gevangenis zetelt overeenkomstig artikel 76, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de onderzoeksrechter aan de zitting deelnemen per videoconferentie, mits toestemming van de raadkamer en mits toestemming van zijn korpsoverste als aan de volgende voorwaarden voldaan is:    1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;    2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.    Voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, de mogelijkheid tot interactie, de fase van de procedure, de beroepsmogelijkheden, de technische capaciteit van de gevangenissen en de kwetsbare toestand van de inverdenkinggestelde.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-04-25/20, art. 36, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2024>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 39 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL II. - Slot-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 39. <Wijzigingsbepaling van art. 128 van SV 1808-11-17/30>
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 40 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL II. - Slot-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 40. <Wijzigingsbepaling van art. 129, Lid 1, van SV 1808-11-17/30>
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 41 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL II. - Slot-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 41. <Wijzigingsbepaling van art. 133, Lid 1, van SV 1808-11-17/30>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 42 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL II. - Slot-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 42. <Wijzigingsbepaling van art. 135 van SV 1808-11-17/30>
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 43 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL II. - Slot-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 43. Artikel 24 van de wet van 20 april 1874 betreffende de voorlopige hechtenis, gewijzigd bij de besluitwet van 1 februari 1947 en bij de wetten van 27 maart 1969 en 18 juni 1985, vormt artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering.
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 44 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL II. - Slot-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 44. Artikel 25 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989, vormt artikel 90bis van het Wetboek van strafvordering met als opschrift " § 5. - Onderzoek aan het lichaam ", ingevoegd in hoofdstuk VI van boek I van hetzelfde Wetboek.
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 45 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1990072035 / TITEL II. - Slot-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45. Artikel 26 van dezelfde wet vormt artikel 136bis van hetzelfde Wetboek.
    Open officiële bron ↗