Justel 1990072035 / TITEL I/1. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie]1
Lees de volledige brontekst
Art. 38quinquies. [1 § 1. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie kunnen ambtshalve de inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie uitnodigen om op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen per videoconferentie, mits hun akkoord, elk voor wat hun verschijning of deelname betreft, wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
Voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de mogelijkheid tot interactie, de fase van de procedure, de beroepsmogelijkheden, de technische capaciteit van de gevangenissen, de verblijfssituatie waarin de inverdenkinggestelde zich bevindt, de fysieke of psychische toestand en de kwetsbare toestand van de inverdenkinggestelde.
De oproeping voor de zitting bevat de uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen.
Ten aanzien van de inverdenkinggestelde, aan wie een uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen is betekend en die niet verschijnt hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.
§ 2. De inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie kunnen het gerecht verzoeken om toelating om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen. Dit verzoek wordt ten laatste op de vijfde dag voor de zitting langs elektronische weg meegedeeld bij de griffie van het gerecht waarvoor de inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie moet verschijnen of worden gehoord en aan de partijen.
Het onderzoeksgerecht, de rechtbank of het Hof van Cassatie kan dit verzoek inwilligen indien het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, tweede lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
De griffie van het gerecht stelt de inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie in kennis van deze beslissing ten laatste op de derde dag vóór de zitting.
Ten aanzien van de inverdenkinggestelde die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.
§ 3. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie kunnen, bij een met redenen omklede beslissing, de inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie verbieden in fysieke persoon te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, tweede lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering zijn vervuld;
3° ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat:
a) een epidemische noodsituatie is afgekondigd overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt; of
b) er objectiveerbare aanwijzingen zijn van een ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid die verhinderen dat de betrokkene aanwezig kan zijn op de zitting of dat, ingeval de betrokkene gedetineerd is, zijn transport naar de zittingszaal in veiligheid kan worden gegarandeerd.
De oproeping bevat het verbod om fysiek te verschijnen. De griffie van het gerecht deelt deze beslissing eveneens onverwijld mee aan het openbaar ministerie.
Tegen deze beslissing staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open.
Ten aanzien van een inverdenkinggestelde die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.
§ 4. De verschijning van de inverdenkinggestelde per videoconferentie of de deelname van het openbaar ministerie per videoconferentie vindt, indien deze daarop werd uitgenodigd krachtens paragraaf 1, plaats mits hun respectievelijke akkoord. De inverdenkinggestelde, die van zijn vrijheid is benomen, deelt zijn akkoord mee ten laatste op de derde dag voor de zitting. Behalve in het geval van de inverdenkinggestelde die van zijn vrijheid is benomen, geldt de connectie met het videoconferentiesysteem op de dag en het tijdstip die in de oproeping zijn vermeld eveneens als akkoord.
De inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie die krachtens paragraaf 2 werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen of deel te nemen, wordt verondersteld te hebben toegestemd om te verschijnen of deel te nemen per videoconferentie.
Behalve de inverdenkinggestelde die van zijn vrijheid is benomen, heeft de partij die zijn toestemming om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen heeft meegedeeld of die daartoe werd toegelaten, altijd het recht om vóór het begin van de zitting te beslissen om in de zittingszaal waar het gerecht zetelt op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen.
Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
§ 5. Indien het gerecht in de loop van de zitting, ambtshalve of op aangeven van één van de personen die aan de zitting deelnemen, vaststelt dat niet langer is voldaan aan de in artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering bedoelde waarborgen of, in voorkomend geval, de in artikel 38sexies bedoelde voorwaarden, beveelt het:
1° de schorsing van de zitting totdat weer is voldaan aan deze voorwaarden;
2° in voorkomend geval, de voortzetting van het geding op een andere datum, hetzij per videoconferentie, hetzij in fysieke aanwezigheid van de personen die per videoconferentie verschenen in de zittingszaal, indien het vaststelt dat de voornoemde waarborgen en voorwaarden niet opnieuw vervuld kunnen zijn binnen de kortst mogelijke termijn na kennis te hebben genomen van het standpunt van de personen die aan de zitting deelnemen. De rechter geeft de redenen voor deze beslissing aan in het proces-verbaal van de zitting.
Indien het gerecht tijdens de zitting per videoconferentie, ambtshalve of op aangeven van één van de partijen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat het gebruik van de videoconferentie niet of niet meer verenigbaar is met de bijzondere omstandigheden van de zaak of, in voorkomend geval, de epidemische noodsituatie of het ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid heeft opgehouden te bestaan, beveelt het, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen, de voortzetting van de zitting in aanwezigheid van de personen die verschenen per videoconferentie binnen de kortst mogelijke termijn. De rechter laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.
Indien de zitting omwille van overmacht niet kan worden hervat tijdens de termijn voorzien in de artikelen 22 en 30, kan het gerecht deze termijn met vijf dagen verlengen. Deze beslissing tot verlenging dient op straffe van nietigheid te worden genomen binnen de geldigheidstermijn van de titel van vrijheidsbeneming. De zitting moet plaatsvinden binnen deze termijn. De omstandigheden die deze handelswijze rechtvaardigen, dienen uitdrukkelijk vermeld te worden in de beslissing die de vrijheidsbeneming verlengt. Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
§ 6. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze titel gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een inverdenkinggestelde betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, het elektronisch adres van de griffie van de gevangenis of, in voorkomend geval, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die inverdenkinggestelde indien het niet een gedetineerde betreft, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat de inverdenkinggestelde heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig door het gerecht werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.
§ 7. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de verschijning bedoeld in artikel 21.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2024-04-25/20, art. 33, 040; Inwerkingtreding : 01-09-2024>