Justel 2006051735 / TITEL XIIter. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank]1
Lees de volledige brontekst
Art. 98/3. [1 § 1. De veroordeelde, het slachtoffer, de directeur of elke andere persoon waarvan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank heeft beslist deze te horen, kunnen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank verzoeken om toelating om aan de zitting per videoconferentie deel te nemen. Dit verzoek moet ten laatste op de zesde dag voor de zitting langs elektronische weg worden meegedeeld bij de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en aan de andere in deze paragraaf bedoelde personen.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan dit verzoek inwilligen indien hij van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
Voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de mogelijkheid tot interactie tussen de aanwezigen op de zitting, de fase van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de technische capaciteit van de gevangenissen en de verblijfssituatie, de fysieke of psychische toestand en de kwetsbare toestand waarin de veroordeelde, het slachtoffer of elke andere persoon die het gerecht beslist te horen, bevindt.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank stelt de betrokkene, het openbaar ministerie en naargelang het geval, de veroordeelde, het slachtoffer en de directeur in kennis van deze beslissing ten laatste op de derde dag vóór de zitting.
Ten aanzien van de veroordeelde die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 2. De strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank kunnen, bij een met redenen omklede beslissing, de veroordeelde, het slachtoffer, de directeur of elke andere persoon die ze beslist hebben te horen, verbieden fysiek te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting, wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals voorzien in paragraaf 1, derde lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering zijn vervuld;
3° ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat de epidemische noodsituatie is afgekondigd ingevolge artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank geeft, ten laatste op de zesde dag voor de zitting, kennis van deze beslissing aan de opgeroepen personen om te verschijnen op of om deel te nemen aan de zitting per videoconferentie.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
Ten aanzien van een veroordeelde die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 3. De persoon die overeenkomstig paragraaf 1 werd toegelaten om per videoconferentie deel te nemen aan de zitting, wordt verondersteld te hebben toegestemd.
Behalve de veroordeelde die van zijn vrijheid is benomen, heeft de persoon die werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen of deel te nemen, altijd het recht om voor het begin van de zitting te beslissen om in de zittingszaal waar het gerecht zetelt te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting.
Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
§ 4. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze titel gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een persoon betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, aan het gerechtelijk elektronisch adres van de griffie van de gevangenis als het een veroordeelde betreft die van zijn vrijheid benomen is of, in voorkomend geval, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die persoon, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij of persoon heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.]1
----------
(1)<Ingevoegd bij W 2024-04-25/20, art. 39, 041; Inwerkingtreding : 01-09-2024>