Toekomstige verkeersregels
De hoofdregels gelden vanaf 1 juni 2027 volgens artikel 86. De Justel-hoofding vermeldt nog de oude datum 1 september 2026. Wijzigingen van de slotbepalingen zijn reeds in werking getreden; dat maakt de nieuwe verkeersregels niet vervroegd toepasselijk. Artikel 85 regelt de overgang voor bestaande verkeerstekens.
Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.
Bronopname: 2026-10-07 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-08-31
Open officiële bron ↗Onderzoek deze wet in Pro
Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.
Verken Pro voor deze wet →Art. 21 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 4. - Regels in verband met het stilstaan en het parkeren.
Lees de volledige brontekst
Art. 21.Stilstaan- en parkeerverbod.
Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren in de volgende gevallen:
1° op de rijbaan en erbuiten:
a) op de overwegen;
b) op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden;
c) op de oversteekplaatsen voor voetgangers en op de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen alsook op minder dan 5 m vóór deze oversteekplaatsen;
d) op minder dan 5 m vóór en achter de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad, het deel van de openbare weg aangeduid door de verkeersborden D9 of D11 of de zijdelingse strook te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op één van deze weggedeelten te rijden;
e) op de plaatsen waar de voetgangers, de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen op de rijbaan moeten komen om langsheen een hindernis te gaan of te rijden en op minder dan 1,50 m vóór en achter de hindernis;
f) op minder dan 20 m voor de verkeerslichten en verkeersborden. Dit verbod geldt niet voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt en als de onderkant van [1 deze verkeerstekens zich ten minste op 2 m hoogte bevindt]1;
g) in de nabijheid van de kruispunten, op minder dan 5 m van de verlenging van de dichtst bijgelegen rand van de dwarsrijbaan; indien evenwel een lokale trottoirverbreding aanwezig is, is het verbod geldig over de hele lengte van de trottoirverbreding;
h) op rotondes;
i) op autosnelwegen en autowegen;
j) op de parkeerplaatsen voorbehouden voor personen met een handicap met uitzondering van de personen die houder zijn van een parkeerkaart voor persoon met een handicap;
k) op elk andere plaats waar het hinder of gevaar voor andere weggebruikers zou veroorzaken;
2° op de rijbaan:
a) in de tunnels en onder de bruggen;
b) nabij de top van een helling en in een bocht wanneer in die gevallen de zichtbaarheid onvoldoende is;
c) op de verhoogde inrichtingen;
3° buiten de rijbaan:
a) op de trottoirs en, binnen de bebouwde kommen, op de verhoogde bermen;
b) op de fietspaden;
c) op de niet verplichte fietspaden;
d) op het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D9, D11, D13 of D15;
e) op de busbanen ;
f) op [1 podotactiele tegels]1.
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 22 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 4. - Regels in verband met het stilstaan en het parkeren.
Lees de volledige brontekst
Art. 22. Parkeerverbod.
Het is verboden een voertuig te parkeren in de volgende gevallen:
1° op de rijbaan en erbuiten:
a) op minder dan 1 m zowel voor als achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig en op elke plaats waar het voertuig het instappen in of het wegrijden van een ander voertuig zou verhinderen;
b) op minder dan 15 m aan weerszijden van een bord dat een halteplaats voor het geregeld openbaar vervoer aanwijst. Indien er evenwel een zig-zag markering of een lokale trottoirverbreding is voorzien, geldt het verbod over de hele lengte ervan;
c) voor de inrit van een eigendom, behalve de voertuigen waarvan de kentekenplaat leesbaar op die inrit is aangebracht;
d) op elke plaats waar het voertuig de toegang tot of het verlaten van buiten de rijbaan aangelegde parkeerplaatsen zou verhinderen;
e) op de zijdelingse stroken;
f) in erven;
2° op de rijbaan:
a) wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder dan 3 m breed zou worden;
b) wanneer de rijbaan verdeeld is in rijstroken;
c) op de rijbanen met tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, wanneer twee andere voertuigen daardoor elkaar moeilijk zouden kunnen kruisen;
d) op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen;
e) buiten de bebouwde kommen op de rijbaan van een openbare weg waarop het verkeersbord B9 is aangebracht;
f) buiten de bebouwde kommen, langs de linkerkant van een rijbaan van een openbare weg met twee rijbanen of op de middenberm die deze rijbanen scheidt;
g) in de voetgangerszones;
3° het is verboden op de openbare weg voertuigen voor verkoop of voor verhuring ten toon te stellen.
Open officiële bron ↗Art. 23 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 23. Spoorwegen en overwegen.
§ 1. Elk verkeer op buiten de rijbaan aangelegde sporen is verboden.
§ 2. De weggebruiker mag zich slechts op een overweg begeven na er zich van vergewist te hebben dat geen enkel spoorvoertuig nadert wanneer:
1° het een overweg is zonder slagbomen;
2° het een overweg is zonder verkeerslichten;
3° de lichten aan de overweg niet werken.
§ 3. Het is verboden zich op een overweg te begeven wanneer:
1° de slagbomen in beweging of gesloten zijn;
2° de rode knipperlichten branden;
3° het geluidssein werkt;
4° het verkeer zodanig belemmerd is dat de bestuurder waarschijnlijk op die overweg zou moeten stoppen.
Open officiële bron ↗Art. 24 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 24.Autosnelwegen.
§ 1. De toegang tot de autosnelwegen is verboden:
1° voor de voetgangers, de bestuurders van rijwielen, van bromfietsen en van dieren;
2° voor de bestuurders van voertuigen of slepen die de snelheid van 70 km/u niet kunnen bereiken, uitgezonderd in konvooi rijdende legervoertuigen;
3° [1 ...]1
[1 3° voor de bestuurders van vierwielers met motor zonder passagiersruimte;
4° voor de bestuurders van landbouwvoertuigen.]1
De tot het verkeer op de autosnelwegen toegelaten voertuigen mogen die wegen slechts oprijden of verlaten op de plaatsen die daarvoor speciaal ingericht zijn.
§ 2. Op een autosnelweg is de maximale toegelaten snelheid 120 km/u.
Echter :
1° de snelheid van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton en van autobussen, is hier evenwel beperkt tot 90 km/u;
[1 Wanneer een verkeersbord een hogere maximumsnelheid aanduidt, blijft de hierboven vermelde snelheidsbeperking van toepassing.]1
2° [1 de snelheid van autocars uitgerust met een snelheidsbegrenzer tot 100 km/u en waarvan alle zitplaatsen zijn uitgerust met een veiligheidsgordel, met of zonder aanhangwagen, is er beperkt tot 100 km/u.
Als een verkeersbord een hogere maximumsnelheid aanduidt, blijft de hierboven vermelde snelheidsbeperking van toepassing.]1
§ 3. Wanneer de rijbaan van een autosnelweg drie of meer rijstroken in de gevolgde rijrichting omvat, mogen de autobussen, autocars en andere voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton niet op de meest links gelegen rijstrook rijden.
§ 4. Op autosnelwegen is het verboden:
1° de dwarsverbindingen te gebruiken;
2° te keren;
3° achteruit te rijden of te rijden in de tegenovergestelde rijrichting;
4° een voertuig te slepen met een nood- of hulpkoppeling;
5° [1 een voertuig te herstellen.]1
§ 5. Op autosnelwegen zijn verboden:
1° stoeten, betogingen en samenscholingen;
2° reclametochten;
3° sportwedstrijden, in het bijzonder snelheids-, regelmatigheids- of behendig-heidsritten of -wedstrijden.
§ 6. Voertuigen die ontplofbare, radioactieve, of dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking, vervoeren in de zin van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (A.D.R.) en zijn bijlagen, ondertekend te Genève op 30 september 1957 en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960, en die krachtens dat Verdrag of krachtens verordenings-bepalingen van intern recht voorzien moeten zijn van een oranje bord, moeten, behalve in geval van noodzaak, de autosnelwegen volgen.
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 25 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 25.[1 Autowegen.
§ 1. De toegang tot autowegen is slechts toegestaan voor motorvoertuigen.
Echter, de volgende voertuigen hebben geen toegang tot de autowegen:
1° de vierwielers met motor zonder passagiersruimte;
2° de slepen van kermisvoertuigen;
3° de bromfietsen;
4° de landbouwvoertuigen.
§ 2. De bepalingen van artikel 24, § 4, 1° tot 4°, en § 5 gelden op de autowegen.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 13, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 26 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 26.Erven.
§ 1. Spelen is er toegelaten op de ganse breedte van de openbare weg.
De personen die er spelen en de voetgangers mogen er het verkeer niet nodeloos belemmeren.
§ 2. [1 De bestuurders die er rijden, moeten voorrang verlenen aan de voetgangers en de personen die er spelen en er zo nodig voor stoppen. De bestuurders van motorvoertuigen die er rijden, moeten bovendien voorrang verlenen aan de bestuurders van rijwielen die er rijden en er zo nodig voor stoppen. Dezelfde regel geldt voor de bestuurders van motorvoertuigen, andere dan speedpedelecs, ten aanzien van bestuurders van speedpedelecs.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 14, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 27 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 27. Rotondes.
§ 1. Wanneer er bij het naderen van en op de rotonde meer dan één rijstrook in de gevolgde richting aanwezig is, mogen de bestuurders op een andere dan de rechterrijstrook rijden als:
1° hij de rotonde niet verlaat via de eerste uitrit;
2° hij zich op de rotonde niet begeeft naar de meest rechts gelegen rijstrook voordat de eerste uitrit werd gepasseerd.
§ 2. Wanneer er bij het naderen van en op de rotonde geen rijstroken zijn, moet de bestuurder niet zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan rijden.
§ 3. Het oprijden en verlaten van een rotonde wordt beschouwd als een richtingsverandering. Echter, de richtingaanwijzers moeten slechts gebruikt worden bij het verlaten van de rotonde.
Open officiële bron ↗Art. 28 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 28.Voorbehouden wegen.
§ 1. [1 Behoudens de categorieën van weggebruikers die afgebeeld staan op het verkeersbord R9, hebben toegang tot voorbehouden wegen:
1° de voertuigen van de bewoners en hun bezoekers;
2° de voertuigen die er leveren;
3° de voertuigen van en naar de aanliggende percelen;
4° rijwielen, als het symbool van een landbouwvoertuig of een gespan is aangebracht op het verkeersbord R9;
5° gespannen, als het symbool van een landbouwvoertuig is aangebracht op het verkeersbord R9;
6° ruiters, als het symbool van een landbouwvoertuig of een gespan is aangebracht op het verkeersbord R9;
7° bestuurders van vee;
8° de voertuigen die dienen voor een werk op deze voorbehouden weg;
9° de voertuigen die gebruikt worden in het kader van de uitoefening van een medisch beroep of thuisverzorging om zorgen te verlenen aan een persoon die er zich bevindt;
10° houders van een vrije doorgangskaart.
Houders van een vrije doorgangskaart moeten deze aan de binnenkant van de voorruit van het voertuig aanbrengen of moeten drager zijn van deze kaart indien het voertuig geen voorruit heeft of wanneer het een digitale kaart betreft.]1
§ 2. Spelen is er toegelaten op de ganse breedte van de openbare weg.
De personen die er spelen en de voetgangers mogen er het verkeer niet nodeloos belemmeren.
§ 3. [1 De bestuurders die er rijden, moeten voorrang verlenen aan de voetgangers en de personen die er spelen en er zo nodig voor stoppen. De bestuurders van motorvoertuigen die er rijden, moeten bovendien voorrang verlenen aan de bestuurders van rijwielen die er rijden en er zo nodig voor stoppen. Dezelfde regel geldt voor de bestuurders van motorvoertuigen, andere dan speedpedelecs, ten aanzien van bestuurders van speedpedelecs.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 15, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 29 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 29.Voetgangerszones.
§ 1. Alleen de volgende bestuurders hebben toegang tot de voetgangerszones:
1° de rijwielen en de speedpedelecs;
2° [1 ...]1
[1 2]1° de voertuigen voor het geregeld openbaar vervoer;
[1 3]1° in geval van absolute noodzaak, de voertuigen van handelsondernemingen die in die zones gevestigd zijn en slechts via die zones toegankelijk zijn, wanneer deze voertuigen bestemd zijn voor leveringen en indien die leveringen een hoofdactiviteit van deze ondernemingen uitmaken;
[1 4]1° de voertuigen die dienen voor een werk in de voetgangerszone;
[1 5]1° de voertuigen die gebruikt worden in het kader van de uitoefening van een medisch beroep of thuisverzorging om zorgen te verlenen aan een persoon die er zich bevindt;
[1 6]1° houders van een vrije doorgangskaart [1 of wanneer het een digitale kaart betreft]1.
Houders van een vrije doorgangskaart moeten deze aan de binnenkant van de voorruit van het voertuig aanbrengen of moeten drager zijn van deze kaart indien het voertuig geen voorruit heeft.
§ 2. Spelen is er toegelaten op de ganse breedte van de openbare weg.
De personen die er spelen en de voetgangers mogen er het verkeer niet nodeloos belemmeren.
§ 3. [1 De bestuurders die er rijden, moeten voorrang verlenen aan de voetgangers en de personen die er spelen en er zo nodig voor stoppen. De bestuurders van motorvoertuigen die er rijden, moeten bovendien voorrang verlenen aan de bestuurders van rijwielen die er rijden en er zo nodig voor stoppen. Dezelfde regel geldt voor de bestuurders van motorvoertuigen, andere dan speedpedelecs, ten aanzien van bestuurders van speedpedelecs.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 30 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 30.Speelstraten.
§ 1. Alleen de volgende bestuurders hebben toegang tot de speelstraat:
1° de bewoners en de personen die er een garage hebben;
2° de rijwielen en de speedpedelecs;
3° [1 ...]1
[1 3]1° de voertuigen die dienen voor een werk in de speelstraat;
[1 4]1° de voertuigen die gebruikt worden in het kader van de uitoefening van een medisch beroep of thuisverzorging om zorgen te verlenen aan een persoon die er zich bevindt;
[1 5]1° houders van een vrije doorgangskaart [1 of wanneer het een digitale kaart betreft]1.
Houders van een vrije doorgangskaart moeten deze aan de binnenkant van de voorruit van het voertuig aanbrengen of moeten drager zijn van deze kaart indien het voertuig geen voorruit heeft.
§ 2. Spelen is er toegelaten op de ganse breedte van de openbare weg.
De personen die er spelen en de voetgangers mogen er het verkeer niet nodeloos belemmeren.
§ 3. [1 De bestuurders die er rijden, moeten voorrang verlenen aan de voetgangers en de personen die er spelen en er zo nodig voor stoppen. De bestuurders van motorvoertuigen die er rijden, moeten bovendien voorrang verlenen aan de bestuurders van rijwielen die er rijden en er zo nodig voor stoppen. Dezelfde regel geldt voor de bestuurders van motorvoertuigen, andere dan speedpedelecs, ten aanzien van bestuurders van speedpedelecs.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 17, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 31 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 5. - Gedragsregels op specifieke weggedeelten.
Lees de volledige brontekst
Art. 31.Schoolstraten.
§ 1. Alleen de volgende bestuurders hebben toegang tot de schoolstraat:
1° de rijwielen en de speedpedelecs;
2° de voertuigen die gebruikt worden in het kader van de uitoefening van een medisch beroep of thuisverzorging om zorgen te verlenen aan een persoon die er zich bevindt;
3° de houders van een vrije doorgangskaart [1 of wanneer het een digitale kaart betreft]1.
Houders van een vrije doorgangskaart moeten deze aan de binnenkant van de voorruit van het voertuig aanbrengen of moeten drager zijn van deze kaart indien het voertuig geen voorruit heeft.
§ 2. De voetgangers mogen er het verkeer niet nodeloos belemmeren.
§ 3. [1 De bestuurders die er rijden, moeten voorrang verlenen aan de voetgangers en de personen die er spelen en er zo nodig voor stoppen. De bestuurders van motorvoertuigen die er rijden, moeten bovendien voorrang verlenen aan de bestuurders van rijwielen die er rijden en er zo nodig voor stoppen. Dezelfde regel geldt voor de bestuurders van motorvoertuigen, andere dan speedpedelecs, ten aanzien van bestuurders van speedpedelecs.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 18, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 32 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 32.Prioritaire voertuigen.
§ 1. De bestuurder van een prioritair voertuig [1 die]1 een prioritaire opdracht uitvoert:
1° moet gebruik maken van de blauwe knipperlichten;
2° mag gebruik maken van het speciaal geluidstoestel; het speciaal geluidstoestel mag slechts gebruikt worden wanneer het prioritaire voertuig een prioritaire opdracht uitvoert;
3° [1 moet deze code niet naleven, met uitzondering van artikelen 4, 8, § 5, 17, § 4, 1°, 21, 1°, a), 23, 32, 42, 43 en de verkeersborden C21, C22, C26, C27 en C29, op voorwaarde dat dit geen gevaar voor de andere weggebruikers oplevert]1
§ 2. Wanneer het verkeer door verkeerslichten wordt geregeld mag het prioritaire voertuig met een prioritaire opdracht, het rood licht voorbijrijden met een gematigde snelheid op voorwaarde dat:
1° de blauwe knipperlichten en het speciaal geluidstoestel worden gebruikt;
2° dit geen gevaar voor de andere weggebruikers oplevert.
§ 3. Wanneer het prioritair voertuig geen prioritaire opdracht uitvoert, mogen de blauwe knipperlichten alleen worden gebruikt wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt.
§ 4. Elk prioritair voertuig heeft toegang tot voetgangerszones, voorbehouden wegen en speel- of schoolstraten, indien zijn opdracht het rechtvaardigt.
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 33 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 33.Oversteken voor voetgangers.
§ 1. Indien de voetgangers de rijbaan, het fietspad, de zijdelingse strook of de busbaan oversteken, moeten zij:
1° de oversteekplaats gebruiken, die op minder dan 20 m afstand gelegen is;
2° als er geen oversteekplaats voor voetgangers aanwezig is, haaks op de aslijn oversteken;
3° dit doen zonder te slenteren of te blijven staan.
§ 2. Indien de voetgangers de rijbaan, het fietspad, de zijdelingse strook of de busbaan oversteken, mogen zij op de plaatsen waar het verkeer noch door een bevoegd persoon, noch door verkeerslichten geregeld wordt, zich er op begeven met inachtneming van de naderende voertuigen.
§ 3. [1 Op de kruispunten waar het verkeer geregeld wordt door verkeerslichten met het voetgangerssilhouet omringd door pijlen, mogen de voetgangers het kruispunt diagonaal oversteken]1
§ 4. Behalve indien het hun toegestaan is door verkeerslichten, mogen de voetgangers zich niet op een oversteekplaats voor voetgangers begeven waarover een tramspoor loopt, wanneer een tram nadert.
§ 5. De bepaling onder paragraaf 1, 1°, geldt niet voor de deelnemers aan een wandel- of loopwedstrijd.
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 34 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 34. Gedrag tegenover voetgangers.
§ 1. De bestuurder mag zich niet op een oversteekplaats voor voetgangers of een trottoir begeven wanneer de verkeersomstandigheden zodanig belemmerd zijn dat hij waarschijnlijk op die oversteekplaats of op dat trottoir zou moeten stoppen.
§ 2. De bestuurder moet een zijdelingse afstand van ten minste 1 m laten tussen zijn voertuig en de voetgangers.
Buiten de bebouwde kommen bedraagt die zijdelingse afstand ten minste 1,50 m.
Indien deze minimumafstand niet nageleefd kan worden, moet de bestuurder vertragen om de voetganger voorbij te rijden en zo nodig moet hij stoppen.
§ 3. De bestuurder moet zijn snelheid aanzienlijk matigen en zo nodig stoppen wanneer hij rijdt langs een autocar, een autobus, een minibus of een spoorvoertuig die stilstaat om reizigers te laten in- of uitstappen.
De bestuurder die rijdt langs de kant waar de reizigers in- of uitstappen moet achter dit voertuig stoppen om hen de gelegenheid te laten in alle veiligheid het voertuig, het trottoir, de delen van de openbare weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers of de berm te bereiken:
1° bij afwezigheid van een perron aan de halteplaats van een voertuig voor het geregeld openbaar vervoer;
2° bij het naderen van een voertuig gebruikt voor schoolvervoer waarvan alle richtingaanwijzers werken.
Open officiële bron ↗Art. 35 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 35.[1 Gedrag van bestuurders van rijwielen, bromfietsen of motorfietsen.
§ 1. Het is de bestuurders van rijwielen, van bromfietsen of van motorfietsen verboden te rijden:
1° zonder het stuur vast te houden;
2° zonder de voeten op de pedalen of op de voetsteunen te hebben;
3° door zich te laten trekken of duwen, of een rijwiel, bromfiets of motorfiets te trekken of te duwen;
4° als zij een dier aan de leiband houden.
§ 2. De fietsers en bestuurders van bromfietsen die de rijbaan volgen, mogen met twee naast elkaar rijden, behalve wanneer het kruisen niet mogelijk is. Buiten de bebouwde kom moeten zij bovendien achter elkaar rijden bij het naderen van een achteropkomend voertuig.
§ 3. De fietsers en bestuurders van bromfietsen die de busbaan mogen volgen, mogen er met twee naast elkaar rijden. Zij moeten evenwel achter elkaar rijden en zoveel mogelijk rechts houden bij het naderen van een achteropkomend voertuig.
§ 4. Wanneer er een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen is, moeten de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen die zich op het fietspad, het deel van de openbare weg aangeduid door de verkeersborden D9 of D11 of de zijdelingse strook bevinden deze gebruiken voor het oversteken van de rijbaan.
§ 5. Op de plaatsen waar het verkeer geregeld wordt door verkeerslichten met het fietssilhouet omringd door pijlen, mogen de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen het kruispunt diagonaal oversteken.
§ 6. De bestuurders van drie- of vierwielige bromfietsen moeten dezelfde regels naleven als de bestuurders van auto's.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 21, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 36 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 36. Gespannen - dieren.
§ 1. In een gespan mogen niet meer dan vier dieren achter elkaar en niet meer dan drie naast elkaar lopen.
§ 2. Het leidsel of het tuig moet de bestuurder in staat stellen de dieren goed in de hand te houden en zijn voertuig op een veilige manier te mennen.
§ 3. Gespannen moeten vergezeld zijn van zoveel begeleiders als voor de veiligheid van het verkeer vereist is. Aan de bestuurder van het voertuig dient in ieder geval een begeleider te worden toegevoegd, zodra er meer dan vijf dieren ingespannen zijn.
Wanneer een gespan een ander voertuig voortbeweegt en de sleep, zonder inbegrip van de dissel van het eerste voertuig, langer dan 16 m is, moet een begeleider het tweede voertuig vergezellen.
De bestuurder van trek-, last- of rijdieren en van vee moet, zo nodig, door een voldoend aantal begeleiders bijgestaan worden.
§ 4. De bestuurder en de begeleiders moeten voortdurend in de nabijheid van de dieren blijven, ze kunnen in bedwang houden en kunnen beletten dat zij het verkeer belemmeren of ongevallen veroorzaken.
De bestuurder mag de dieren die hij geleidt of bewaakt niet verlaten zonder de nodige voorzorgen te hebben genomen om enig ongeval te voorkomen.
§ 5. Binnen de bebouwde kommen is het verboden de ingespannen of de bereden dieren te laten galopperen.
§ 6. De ruiters die de rijbaan volgen, mogen met twee naast elkaar rijden, behalve wanneer het kruisen niet mogelijk is. Buiten de bebouwde kom moeten zij bovendien achter elkaar rijden bij het naderen van een achteropkomend voertuig.
Open officiële bron ↗Art. 37 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 37.[1 Gedrag tegenover de fietsers, bestuurders van tweewielige bromfietsen en trek, -last of rijdieren.
§ 1. De bestuurder van een motorvoertuig, moet een zijdelingse afstand van ten minste 1 m laten tussen zijn voertuig en de fietser, de bestuurder van een tweewielige bromfiets en trek, -last of rijdieren.
Buiten de bebouwde kommen bedraagt die zijdelingse afstand ten minste 1,50 m.
Indien deze minimumafstand niet nageleefd kan worden, moet de bestuurder vertragen om de fietser, de bestuurder van een tweewielige bromfiets of een trek, -last of rijdier in te halen of te kruisen en zo nodig moet hij stoppen.
§ 2. De bestuurder mag een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen niet oprijden wanneer het verkeer zodanig belemmerd is dat hij waarschijnlijk op die oversteekplaats zou moeten stoppen.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 22, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 38 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 38.Gedrag van weggebruikers in georganiseerde groepen.
§ 1. De stoeten die een voertuig volgen en de op mars zijnde militaire kolonnes mogen gebruik maken van de rechterrijstrook; indien de rijbaan niet in rijstroken verdeeld is, mogen zij niet meer dan een breedte gelijk aan die van een rijstrook en in geen geval meer dan de helft van de rijbaan innemen.
De andere groepen van voetgangers, zoals bij culturele, sportieve of toeristische activiteiten mogen rechts op de rijbaan gaan [1 en zijn niet verplicht achter elkaar te lopen als zij gegroepeerd blijven]1.
§ 2. Wanneer er meer dan 100 deelnemers zijn, moeten de fietsers, bromfietsers, [1 motorfietsers, drie- of vierwielers]1 met motor zich verdelen in groepen van maximum 100 deelnemers.
De groepen van meer dan 50 deelnemers moeten worden vergezeld door ten minste twee signaalgevers.
De groepen van 10 tot 50 deelnemers mogen worden vergezeld door [1 één of meerdere signaalgevers]1.
§ 3. Groepen van 10 tot 50 fietsers mogen voorafgegaan en gevolgd worden, op een afstand van ongeveer 30 m, door een begeleidend voertuig; indien er slechts één begeleidend voertuig is, moet dit de groep volgen.
Groepen van 51 tot 100 fietsers moeten voorafgegaan en gevolgd worden, op een afstand van ongeveer 30 m, door een begeleidend voertuig.
Het bord V5 moet op het begeleidend voertuig aangebracht worden.
§ 4. De fietsers en de bromfietsers die in een groep van ten minste 10 deelnemers rijden, zijn niet verplicht de fietspaden, de delen van de openbare weg gesignaleerd door het verkeersbord D9 of D11 of de zijdelingse stroken te volgen en zij mogen bestendig met twee naast elkaar op de rijbaan rijden als zij gegroepeerd blijven.
De fietsers en de bromfietsers die met twee naast elkaar rijden mogen slechts van de rechterrijstrook gebruik maken. Indien de rijbaan niet in rijstroken verdeeld is mogen zij niet meer dan een breedte gelijk aan die van een rijstrook en in geen geval meer dan de helft van de rijbaan in beslag nemen.
§ 5. De ruiters die in een groep van ten minste 10 ruiters rijden, mogen vergezeld worden door ten minste één signaalgever.
§ 6. De legerkonvooien worden als volgt gesignaleerd:
1° het eerste voertuig voert een blauwe wimpel [1 ...]1;
2° het laatste voertuig voert een groene wimpel [1 ...]1.
De wimpels worden aan de linkerzijde van de voertuigen aangebracht.
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 23, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 39 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 39.Gedrag tegenover georganiseerde groepen weggebruikers.
§ 1. Het is de bestuurder verboden te breken door een georganiseerde groep van weggebruikers, zoals een rij scholieren, een op mars zijnde militaire kolonne, een stoet of samenkomst naar aanleiding van een [1 cultureel, sportief of toeristisch]1 evenement.
§ 2. [1 Elke weggebruiker moet onmiddellijk uitwijken, de rijbaan zo ver als mogelijk vrijmaken en stoppen:
1° bij het naderen van het openingsvoertuig, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 28 juni 2019 tot reglementering van de wielerwedstrijden en van de alleterreinwedstrijden, dat een wedstrijdkaravaan of een publiciteitskaravaan met een rode vlag aankondigt;
2° bij het naderen van de renner of de groep renners die aan een wielerwedstrijd deelnemen;
3° bij het naderen van het voertuig of de voertuigen van een wedstrijdkaravaan of een publiciteitskaravaan, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 28 juni 2019 tot reglementering van de wielerwedstrijden en van de alleterreinwedstrijden.
De bestuurders moeten blijven staan tot dat het sluitingsvoertuig, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 28 juni 2019 tot reglementering van de wielerwedstrijden en van de alleterreinwedstrijden, dat het einde van de wedstrijdkaravaan of de publiciteitskaravaan met een groene vlag aankondigt, gepasseerd is. Het normale verkeer is dan terug toegelaten.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 24, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗Art. 40 · Federaal
Brontekst
Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 6. - Gedragsregels van specifieke weggebruikersen het gedrag hiertegenover.
Lees de volledige brontekst
Art. 40.Slepen.
§ 1. Een rijwiel, een motorvoertuig en een gespan mogen slechts één enkel voertuig trekken.
Evenwel:
1° een motorfiets met zijspanwagen mag alleen een aanhangwagen trekken indien het zijspanwiel uitgerust is met een rem;
2° een takelwagen mag een trekkend voertuig met oplegger trekken, uitsluitend [1 met het oog op een herstelling]1.
§ 2. Paragraaf 1 geldt niet voor de hierna genoemde voertuigen:
1° slepen van [1 foorvoertuigen]1, woonwagens inbegrepen;
2° slepen van voertuigen die door aannemers van werken worden gebruikt en rijden hetzij tussen hun standplaats en de werf, hetzij van de ene werf naar de andere;
3° slepen van landbouwvoertuigen die rijden binnen een straal van 25 km van de hoeve;
4° toeristische [1 miniatuurtreinen]1 mits de exploitatie ervan, door de gemeenteoverheid als "openbare ontspanning" wordt toegelaten en zij voldoen aan de voorschriften van de gemeentelijke machtiging;
5° slepen van publiciteitsmaterieel;
6° slepen van folkloristische voertuigen;
7° slepen van voertuigen van de politie of de krijgsmacht, als de bepaling onder paragraaf 1 onverenigbaar is met de aard of met de tijdelijke of vaste aanwending van het voertuig.
De totale lengte van de slepen mag niet meer dan 25 m bedragen, behalve voor de voertuigen van de krijgsmacht.
§ 3. Het is verboden een motorvoertuig te slepen behalve indien dit voertuig zich niet meer op eigen kracht kan verplaatsen of niet meer alle veiligheidswaarborgen biedt.
§ 4. Mogen slechts door de bestuurders van auto's worden gebruikt in geval van overmacht en uitsluitend om het voertuig tot op de plaats van herstelling te brengen:
1° de hulpkoppeling alleen voor een aanhangwagen waarvan de hoofdkoppeling of de bevestiging ervan niet meer de vereiste veiligheid biedt;
2° de noodkoppeling voor een auto of een vierwieler met motor die zich niet meer op eigen kracht kan verplaatsen of die niet alle veiligheidswaarborgen biedt.
§ 5. Zodra de afstand tussen de voorkant van een getrokken voertuig en de achterkant van het trekkend voertuig groter is dan 3 m, moet de koppeling gesignaleerd worden:
1° als het voertuig niet moet verlicht zijn: door een rode lap;
2° als het voertuig moet verlicht zijn: door een van de zijkant zichtbaar oranje-geel licht, tenzij de koppeling verlicht is.
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 25, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
Open officiële bron ↗