Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen. / Afdeling 2. - Definities.
Lees de volledige brontekst
Art. 2.Definities.
Voor de toepassing van deze code wordt verstaan onder:
I - Openbare weg:
1. Rijbaan: het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.
2. Rijstrook: elk deel van een rijbaan die in haar langsrichting verdeeld is door één of meer witte doorlopende of onderbroken strepen.
3. Middenrijbaan: deel van de openbare weg afgebakend door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 73, § 2, [1 2°]1 die aan beide kanten de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduiden.
4. Pechstrook: op een autosnelweg of een autoweg, de strook gelegen rechts van de rijbaan, de busbaan of de spitsstrook.
5. Parkeerstrook: op een andere openbare weg dan een autosnelweg of autoweg, de strook gelegen langs de rijbaan die is afgebakend door de witte doorlopende streep bedoeld in artikel 73, § 2 die de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduidt.
6. Zijdelingse strook: de strook gelegen langs de middenrijbaan. De zijdelingse strook maakt geen deel uit van de rijbaan.
7. Fietspad: het deel van de openbare weg gesignaleerd door het verkeersbord D7 of door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 75.
Het fietspad maakt geen deel uit van de rijbaan.
8. Trottoir: het deel van de openbare weg, al dan niet verhoogd aangelegd ten opzichte van de rijbaan, voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, het trottoir is verhard en te onderscheiden van de andere gedeelten van de openbare weg.
9. Verhoogde inrichting: een verhoogde aanleg die dwars op de openbare weg is aangebracht en die bestemd is om de snelheid te matigen.
10. Kruispunt: de plaats waar twee of meer openbare wegen samenkomen. De plaats waar een oprit aansluit op de hoofdweg van een autosnelweg wordt beschouwd als een kruispunt.
11. Gelijkgrondse berm: het deel van de openbare weg, onderscheiden van het trottoir, de zijdelingse strook, het voorbehouden of verplichte deel van de openbare weg, [1 het fietspad of het]1 niet verplicht fietspad, de parkeerstrook, de busbaan, de rijbaan, de vluchthaven en de pechstrook. Deze berm bevindt zich op hetzelfde hoogteniveau als de rijbaan.
12. Verhoogde berm: het deel van de openbare weg, onderscheiden van het trottoir, de zijdelingse strook, het voorbehouden of verplichte deel van de openbare weg, [1 het fietspad of het]1 niet verplicht fietspad en de parkeerstrook, de busbaan, de rijbaan, de vluchthaven en de pechstrook. Deze berm bevindt zich op een hoger niveau dan de rijbaan.
13. Middenberm: het deel van de openbare weg, onderscheiden van het trottoir, de gelijkgrondse berm, de verhoogde berm, de zijdelingse strook, het voorbehouden of verplichte deel van de openbare weg, [1 het fietspad of het]1 niet verplicht fietspad, de parkeerstrook, de busbaan, de rijbaan, de vluchthaven en de pechstrook. Deze berm in de lengterichting is een materiële scheiding van de rijbaan.
14. Pad: een smalle openbare weg die alleen het verkeer toelaat van voetgangers en van voertuigen die geen bredere dan de voor voetgangers vereiste ruimte nodig hebben.
15. Aardeweg: een openbare weg die breder is dan een pad en die niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht. Deze verliest zijn hoedanigheid niet zo hij enkel bij zijn aansluiting met een andere openbare weg het uitzicht van een rijbaan heeft.
16. Plein: elke open ruimte, waarop één of meerdere openbare wegen uitkomen.
Het plein is een openbare weg onderscheiden van die welke er op uitkomen.
17. Overweg: de gehele of gedeeltelijke kruising van de openbare weg door een of meer buiten de openbare weg aangelegde sporen.
18. Verkeersgeleider: een inrichting die op de rijbaan is aangebracht en die bestemd is om het voertuigenverkeer te kanaliseren; de verkeersgeleider bestaat uit een wegmarkering bedoeld in artikel 77, § 4, ofwel uit een verhoging op de rijbaan, ofwel uit beide elementen samen.
II - Gebruikers van de openbare weg en voertuigen:
19. Voetganger: een persoon die zich te voet verplaatst of die een voertuig aan de hand leidt met een breedte van maximum 1 m.
20. Bestuurder: een persoon die:
1° een voertuig bestuurt of een voertuig met een breedte van meer dan 1 m aan de hand leidt;
2° trek-, last- of rijdieren of vee, afzonderlijk of in kudde, [1 berijdt,]1 geleidt of bewaakt.
21. Voertuig: elk middel van vervoer te land, alsmede alle verrijdbaar landbouw- of bedrijfsmaterieel.
22. Voortbewegingstoestel:
1° ofwel een niet-gemotoriseerd voortbewegingstoestel, dit wil zeggen elk voertuig dat niet beantwoordt aan de definitie van een rijwiel, dat door de gebruiker of de gebruikers door middel van spierkracht wordt voortbewogen en niet met een motor is uitgerust, onder meer:
a) handbewogen rolstoelen;
b) rolschaatsen;
c) rollers;
d) steps;
e) skateboards;
f) éénwielers;
2° ofwel een gemotoriseerd voortbewegingstoestel, dit wil zeggen elk voertuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km/u, onder meer:
a) gemotoriseerde steps;
b) elektrische rolstoelen;
c) elektrische rolwagens voor personen met een verminderde mobiliteit;
d) zelf balancerende elektrische toestellen;
3° de gebruikers van niet-gemotoriseerde voortbewegingstoestellen waarmee niet sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met voetgangers.
De gebruikers van niet-gemotoriseerde voortbewegingstoestellen waarmee sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met fietsers;
4° De gebruikers van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen worden gelijkgesteld met fietsers.
Echter, de personen met een verminderde mobiliteit die gemotoriseerde voortbewegingstoestellen gebruiken en waarmee niet sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met voetgangers;
5° de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen worden niet gelijkgesteld met motorvoertuigen.
[1 6° het niet bereden voortbewegingstoestel wordt niet als voertuig beschouwd.]1
23. Rijwiel:
1° elk voertuig met twee of meer wielen, dat wordt voortbewogen door middel van pedalen of van handpedalen door één of meer van de gebruikers en niet met een motor is uitgerust, zoals een fiets, een ligfiets, een velomobiel, een driewieler of een vierwieler. Een ligfiets is een rijwiel met een bestuurder in bijna liggende positie en een velomobiel is een ligfiets met een carrosserie.
De bevestiging van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, brengt geen wijziging in de classificatie als rijwiel;
2° elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km/u.
De cilinderinhoud van een motor met inwendige verbranding bedraagt ten hoogste 50 cm3 en het netto-maximumvermogen 1 kW. Voor een elektrische motor bedraagt het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 1 kW;
3° Drie-en vierwielers die een breedte hebben van maximum 1 m worden gelijkgesteld met fietsen;
4° Bevestiging van een aanhangwagen aan een rijwiel brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.
[1 5° het niet bereden rijwiel met een breedte van maximum 1 meter wordt niet als voertuig beschouwd.]1
24. Motorvoertuig: elk voertuig uitgerust met een motor, bestemd om op eigen kracht te rijden.
25. Bromfiets:
1° ofwel een bromfiets klasse A, dit wil zeggen elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3 bedraagt met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW, of met een elektrische motor met een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km/u, met uitsluiting van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen;
2° ofwel een bromfiets klasse B, dit wil zeggen:
a) elk tweewielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A en van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/u en met de volgende kenmerken:
- een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of
- een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;
b) elk drie- of vierwielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/u en met de volgende kenmerken:
- een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met elektrische ontsteking betreft, of
- een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met compressieontsteking betreft, of
- een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.
Voor vierwielige bromfietsen met een gesloten bestuurders- en passagiersruimte die maximaal van drie zijden toegankelijk is, bedraagt het netto-maximumvermogen of het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 6 kW;
3° ofwel een speedpedelec of bromfiets klasse P, dit wil zeggen elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van [1 ...]1 rijwielen, met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km/u, en met de volgende kenmerken:
- een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met inwendige verbranding betreft;
- een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.
De maximale massa in rijklare toestand is beperkt tot 270 kg voor de driewielige bromfietsen en tot 425 kg voor de vierwielige bromfietsen; voor de elektrische voertuigen geldt die massa evenwel zonder de batterijen.
Drie- en vierwielige bromfietsen zijn uitgerust met maximaal twee zitplaatsen, inclusief de bestuurderszitplaats.
[1 De speedpedelecs worden gelijkgesteld met motorvoertuigen.]1
De driewielige bromfiets met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m, wordt beschouwd als bromfiets met twee wielen.
Bevestiging van een aanhangwagen aan een bromfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.
[1 De niet bereden bromfiets met een breedte van maximum 1 meter wordt niet als voertuig beschouwd.]1
26. Motorfiets: elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van het gemotoriseerd voortbewegingstoestel of van de bromfiets.
Bevestiging van een aanhangwagen aan een motorfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.
27. Driewieler met motor: elk driewielig motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de bepaling van het gemotoriseerd voortbewegingstoestel of van de bromfiets en waarvan de maximale massa in rijklare toestand niet meer dan 1.000 kg bedraagt.
De driewielers met motor met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m worden gelijkgesteld met motorfietsen.
Bevestiging van een aanhangwagen aan een driewieler met motor brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.
De bestuurders van driewielers met motor, uitgezonderd deze bedoeld in het tweede lid, worden gelijkgesteld met bestuurders van auto's.
28. Vierwieler met motor: elk vierwielig motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de bepaling van het gemotoriseerd voortbewegingstoestel of van de bromfiets, met een massa in rijklare toestand van ten hoogste 450 kg of 600 kg voor voertuigen gebruikt voor het goederenvervoer. Voor de elektrische voertuigen geldt die massa zonder de batterijen.
Bevestiging van een aanhangwagen aan een vierwieler met motor brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.
De bestuurders van vierwielers met motor worden gelijkgesteld met bestuurders van auto's.
29. Auto: elk motorvoertuig, dat niet beantwoordt aan de bepaling van het gemotoriseerd voortbewegingstoestel, van de bromfiets, van de motorfiets en van de drie- en van de vierwieler met motor.
30. Personenauto: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen met ten hoogste acht plaatsen, zonder die van de bestuurder.
31. Auto voor dubbelgebruik: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en goederen met ten hoogste acht plaatsen, zonder die van de bestuurder.
32. Minibus: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen met ten hoogste acht plaatsen, zonder die van de bestuurder, en die voorzien is van een koetswerk van hetzelfde type als dat van bestelwagens of autobussen.
33. Kampeerwagen: elke auto met tenminste vier wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van passagiers, waarvan de constructie een woonaccommodatie omvat die ten minste bestaat uit de volgende uitrustingen:
1° zitplaatsen en een tafel;
2° slaapaccommodatie die al of niet met behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd;
3° kookgelegenheid;
4° en opbergfaciliteiten.
Deze uitrusting moet vast zijn bevestigd; de tafel mag echter zodanig zijn ontworpen dat zij gemakkelijk opklapbaar is.
34. Bestelwagen: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt.
[1 Motorvoertuigen die geheel worden aangedreven door elektriciteit of waterstof, zoals bedoeld in de lijst van alternatieve brandstoffen gedefinieerd in artikel 2, a) en b) van Richtlijn 96/53/EG, en die zijn goedgekeurd overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3 500 kg maar niet meer dan 4 250 kg worden gelijkgesteld met een bestelwagen, behalve voor de toepassing van het bord C21.]1
35. Autobus: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van zittende en staande passagiers met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
36. Autocar: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van uitsluitend zittende passagiers met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.
37. Vrachtauto: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg overschrijdt.
38. Trekkend voertuig: elke auto ontworpen en gebouwd voor het trekken van een [1 aanhangwagen]1.
39. Aanhangwagen: elk voertuig dat bestemd is om door een ander te worden voortbewogen.
40. Oplegger: elke aanhangwagen zonder vooras, waarvan het voorste gedeelte steunt op het trekkend voertuig door middel van een specifiek dragende koppeling.
41. Kampeeraanhangwagen: elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het verblijf van personen en waarvan de binneninrichting blijvend aan het koetswerk bevestigd is.
42. Landbouwvoertuig: elk landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten minste 6 km/u, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan zijn aangepast om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en kan zijn uitgerust met één of meer zitplaatsen voor passagiers.
43. Prioritair voertuig: elk voertuig uitgerust met een of meerdere blauwe knipperlichten en een speciaal geluidstoestel.
44. Sleep: elke groep voertuigen die aan elkaar gekoppeld zijn met het doel door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen.
45. Folkloristische voertuig: elk voertuig dat uitsluitend bestemd is voor folkloristische manifestaties en slechts bij uitzondering op de openbare weg komt ofwel ter gelegenheid van een toegelaten folkloristische manifestatie, of op de weg er naartoe ofwel voor proefritten met het oog op die manifestatie.
46. Passagiersruimte: het oorspronkelijk of door ombouw voor het vervoer van de bestuurder en de passagiers ingerichte deel van het voertuig en voorzien van zijdelingse bescherming of een dak.
III - Andere definities:
47. Stilstaan: het stilstaan van een voertuig voor een tijdspanne die nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van goederen.
48. Parkeren: het stilstaan van een voertuig voor een langere tijdspanne dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van goederen. Tanken of de batterij van een elektrisch of hybride elektrisch voertuig opladen wordt beschouwd als parkeren.
49. Deelvoertuig: voertuigen gebruikt via een vereniging of een vennootschap voor deelvoertuigen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop.
50. Voertuigen voor het geregeld openbaar vervoer: de voertuigen van de exploitanten die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad zijn belast met een openbare dienstverplichting en die worden ingezet voor het geregeld openbaar vervoer van personen of de voertuigen die belast zijn met het toezicht, controle of onderhoud ervan.
51. [1 Parkeerkaart: een kaart die de houder ervan recht geeft op een bijzondere parkeerregeling, zoals voor onder meer bewoners, deelvoertuigen, personen met een handicap. De minister bevoegd voor personen met een handicap duidt de personen aan die de parkeerkaart voor personen met een handicap kunnen bekomen en de overheden die bevoegd zijn om ze af te geven; hij bepaalt er het model van, alsmede de modaliteiten van afgifte en van intrekking. Het document dat in een ander land door de bevoegde overheid van dat land aan personen met een handicap wordt afgegeven, wordt hiermee gelijkgesteld.]1
52. Plaatselijk verkeer of plaatselijke bediening:
1° de voertuigen van de bewoners en hun bezoekers, de voertuigen die er leveren en de voertuigen van en naar de aanliggende percelen;
2° de voertuigen voor het geregeld openbaar vervoer en de voertuigen gebruikt voor schoolvervoer;
3° de voertuigen voor het wegruimen van vuilnis;
4° de voertuigen die dienen voor een werk op die openbare weg;
5° de prioritaire voertuigen;
6° rijwielen, speedpedelecs en [1 trek, -last of rijdieren]1;
7° de begeleidende voertuigen van een groep;
8° de voertuigen voor toezicht, controle en onderhoud van het wegennet, als de aard van hun opdracht het vereist.
53. Technisch reglement van de auto's: het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
54. Technisch reglement van de bromfietsen en motorfietsen: het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.
55. Lading: elk goed of materiaal dat door een voertuig wordt vervoerd.
56. Maximaal toegelaten massa (MTM): de maximale totale massa van het voertuig, bepaald volgens de weerstand van de onderdelen van het chassis overeenkomstig de voorschriften van het technisch reglement van de auto's.
57. Eigen massa: de massa van een rijklaar voertuig met carrosserie, uitrusting en toebehoren, dat brandstof, water en smeerolie heeft ingenomen, echter zonder inbegrip van de vervoerde personen of goederen.
58. Lege massa [1 ...]1: de eigen massa van het voertuig[1 ...]1 met de aanvullende uitrusting voor zijn normaal gebruik, alsook met de reglementaire uitrusting, met uitzondering van bijkomende benodigdheden.
59. Massa in beladen toestand (MBT): het geheel van de eigen massa van het voertuig en van de massa van zijn lading, van de bestuurder en van elke andere vervoerde persoon.
60. [1 Reddingsstrook: de vrije ruimte tussen twee rijstroken in een file.]1
----------
(1)<KB 2026-06-30/09, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>