Gratis brononderzoek

Code van de openbare weg

Toekomstige federale verkeersregels vanaf 1 juni 2027.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Toekomstige verkeersregels

De hoofdregels gelden vanaf 1 juni 2027 volgens artikel 86. De Justel-hoofding vermeldt nog de oude datum 1 september 2026. Wijzigingen van de slotbepalingen zijn reeds in werking getreden; dat maakt de nieuwe verkeersregels niet vervroegd toepasselijk. Artikel 85 regelt de overgang voor bestaande verkeerstekens.

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-07 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-08-31

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

89 bronvarianten

  1. Art. 1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen. / Afdeling 1. - Toepassingsgebied.

    Lees de volledige brontekst
    Artikel 1. Toepassingsgebied.   Deze code geldt voor het verkeer op de openbare weg en het gebruik ervan.   Spoorvoertuigen die van de openbare weg gebruik maken, vallen niet onder de toepassing van deze code.
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen. / Afdeling 2. - Definities.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 2.Definities.   Voor de toepassing van deze code wordt verstaan onder:   I - Openbare weg:   1. Rijbaan: het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.   2. Rijstrook: elk deel van een rijbaan die in haar langsrichting verdeeld is door één of meer witte doorlopende of onderbroken strepen.   3. Middenrijbaan: deel van de openbare weg afgebakend door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 73, § 2, [1 2°]1 die aan beide kanten de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduiden.   4. Pechstrook: op een autosnelweg of een autoweg, de strook gelegen rechts van de rijbaan, de busbaan of de spitsstrook.   5. Parkeerstrook: op een andere openbare weg dan een autosnelweg of autoweg, de strook gelegen langs de rijbaan die is afgebakend door de witte doorlopende streep bedoeld in artikel 73, § 2 die de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduidt.   6. Zijdelingse strook: de strook gelegen langs de middenrijbaan. De zijdelingse strook maakt geen deel uit van de rijbaan.   7. Fietspad: het deel van de openbare weg gesignaleerd door het verkeersbord D7 of door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 75.   Het fietspad maakt geen deel uit van de rijbaan.   8. Trottoir: het deel van de openbare weg, al dan niet verhoogd aangelegd ten opzichte van de rijbaan, voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, het trottoir is verhard en te onderscheiden van de andere gedeelten van de openbare weg.   9. Verhoogde inrichting: een verhoogde aanleg die dwars op de openbare weg is aangebracht en die bestemd is om de snelheid te matigen.   10. Kruispunt: de plaats waar twee of meer openbare wegen samenkomen. De plaats waar een oprit aansluit op de hoofdweg van een autosnelweg wordt beschouwd als een kruispunt.   11. Gelijkgrondse berm: het deel van de openbare weg, onderscheiden van het trottoir, de zijdelingse strook, het voorbehouden of verplichte deel van de openbare weg, [1 het fietspad of het]1 niet verplicht fietspad, de parkeerstrook, de busbaan, de rijbaan, de vluchthaven en de pechstrook. Deze berm bevindt zich op hetzelfde hoogteniveau als de rijbaan.   12. Verhoogde berm: het deel van de openbare weg, onderscheiden van het trottoir, de zijdelingse strook, het voorbehouden of verplichte deel van de openbare weg, [1 het fietspad of het]1 niet verplicht fietspad en de parkeerstrook, de busbaan, de rijbaan, de vluchthaven en de pechstrook. Deze berm bevindt zich op een hoger niveau dan de rijbaan.   13. Middenberm: het deel van de openbare weg, onderscheiden van het trottoir, de gelijkgrondse berm, de verhoogde berm, de zijdelingse strook, het voorbehouden of verplichte deel van de openbare weg, [1 het fietspad of het]1 niet verplicht fietspad, de parkeerstrook, de busbaan, de rijbaan, de vluchthaven en de pechstrook. Deze berm in de lengterichting is een materiële scheiding van de rijbaan.   14. Pad: een smalle openbare weg die alleen het verkeer toelaat van voetgangers en van voertuigen die geen bredere dan de voor voetgangers vereiste ruimte nodig hebben.   15. Aardeweg: een openbare weg die breder is dan een pad en die niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht. Deze verliest zijn hoedanigheid niet zo hij enkel bij zijn aansluiting met een andere openbare weg het uitzicht van een rijbaan heeft.   16. Plein: elke open ruimte, waarop één of meerdere openbare wegen uitkomen.   Het plein is een openbare weg onderscheiden van die welke er op uitkomen.   17. Overweg: de gehele of gedeeltelijke kruising van de openbare weg door een of meer buiten de openbare weg aangelegde sporen.   18. Verkeersgeleider: een inrichting die op de rijbaan is aangebracht en die bestemd is om het voertuigenverkeer te kanaliseren; de verkeersgeleider bestaat uit een wegmarkering bedoeld in artikel 77, § 4, ofwel uit een verhoging op de rijbaan, ofwel uit beide elementen samen.   II - Gebruikers van de openbare weg en voertuigen:   19. Voetganger: een persoon die zich te voet verplaatst of die een voertuig aan de hand leidt met een breedte van maximum 1 m.   20. Bestuurder: een persoon die:   1° een voertuig bestuurt of een voertuig met een breedte van meer dan 1 m aan de hand leidt;   2° trek-, last- of rijdieren of vee, afzonderlijk of in kudde, [1 berijdt,]1 geleidt of bewaakt.   21. Voertuig: elk middel van vervoer te land, alsmede alle verrijdbaar landbouw- of bedrijfsmaterieel.   22. Voortbewegingstoestel:   1° ofwel een niet-gemotoriseerd voortbewegingstoestel, dit wil zeggen elk voertuig dat niet beantwoordt aan de definitie van een rijwiel, dat door de gebruiker of de gebruikers door middel van spierkracht wordt voortbewogen en niet met een motor is uitgerust, onder meer:   a) handbewogen rolstoelen;   b) rolschaatsen;   c) rollers;   d) steps;   e) skateboards;   f) éénwielers;   2° ofwel een gemotoriseerd voortbewegingstoestel, dit wil zeggen elk voertuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km/u, onder meer:   a) gemotoriseerde steps;   b) elektrische rolstoelen;   c) elektrische rolwagens voor personen met een verminderde mobiliteit;   d) zelf balancerende elektrische toestellen;   3° de gebruikers van niet-gemotoriseerde voortbewegingstoestellen waarmee niet sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met voetgangers.   De gebruikers van niet-gemotoriseerde voortbewegingstoestellen waarmee sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met fietsers;   4° De gebruikers van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen worden gelijkgesteld met fietsers.   Echter, de personen met een verminderde mobiliteit die gemotoriseerde voortbewegingstoestellen gebruiken en waarmee niet sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met voetgangers;   5° de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen worden niet gelijkgesteld met motorvoertuigen.   [1 6° het niet bereden voortbewegingstoestel wordt niet als voertuig beschouwd.]1   23. Rijwiel:   1° elk voertuig met twee of meer wielen, dat wordt voortbewogen door middel van pedalen of van handpedalen door één of meer van de gebruikers en niet met een motor is uitgerust, zoals een fiets, een ligfiets, een velomobiel, een driewieler of een vierwieler. Een ligfiets is een rijwiel met een bestuurder in bijna liggende positie en een velomobiel is een ligfiets met een carrosserie.   De bevestiging van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, brengt geen wijziging in de classificatie als rijwiel;   2° elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km/u.   De cilinderinhoud van een motor met inwendige verbranding bedraagt ten hoogste 50 cm3 en het netto-maximumvermogen 1 kW. Voor een elektrische motor bedraagt het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 1 kW;   3° Drie-en vierwielers die een breedte hebben van maximum 1 m worden gelijkgesteld met fietsen;   4° Bevestiging van een aanhangwagen aan een rijwiel brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   [1 5° het niet bereden rijwiel met een breedte van maximum 1 meter wordt niet als voertuig beschouwd.]1   24. Motorvoertuig: elk voertuig uitgerust met een motor, bestemd om op eigen kracht te rijden.   25. Bromfiets:   1° ofwel een bromfiets klasse A, dit wil zeggen elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3 bedraagt met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW, of met een elektrische motor met een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km/u, met uitsluiting van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen;   2° ofwel een bromfiets klasse B, dit wil zeggen:   a) elk tweewielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A en van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/u en met de volgende kenmerken:   - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of   - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;   b) elk drie- of vierwielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/u en met de volgende kenmerken:   - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met elektrische ontsteking betreft, of   - een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met compressieontsteking betreft, of   - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.   Voor vierwielige bromfietsen met een gesloten bestuurders- en passagiersruimte die maximaal van drie zijden toegankelijk is, bedraagt het netto-maximumvermogen of het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 6 kW;   3° ofwel een speedpedelec of bromfiets klasse P, dit wil zeggen elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van [1 ...]1 rijwielen, met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km/u, en met de volgende kenmerken:   - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met inwendige verbranding betreft;   - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.   De maximale massa in rijklare toestand is beperkt tot 270 kg voor de driewielige bromfietsen en tot 425 kg voor de vierwielige bromfietsen; voor de elektrische voertuigen geldt die massa evenwel zonder de batterijen.   Drie- en vierwielige bromfietsen zijn uitgerust met maximaal twee zitplaatsen, inclusief de bestuurderszitplaats.   [1 De speedpedelecs worden gelijkgesteld met motorvoertuigen.]1   De driewielige bromfiets met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m, wordt beschouwd als bromfiets met twee wielen.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een bromfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   [1 De niet bereden bromfiets met een breedte van maximum 1 meter wordt niet als voertuig beschouwd.]1   26. Motorfiets: elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van het gemotoriseerd voortbewegingstoestel of van de bromfiets.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een motorfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   27. Driewieler met motor: elk driewielig motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de bepaling van het gemotoriseerd voortbewegingstoestel of van de bromfiets en waarvan de maximale massa in rijklare toestand niet meer dan 1.000 kg bedraagt.   De driewielers met motor met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m worden gelijkgesteld met motorfietsen.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een driewieler met motor brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   De bestuurders van driewielers met motor, uitgezonderd deze bedoeld in het tweede lid, worden gelijkgesteld met bestuurders van auto's.   28. Vierwieler met motor: elk vierwielig motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de bepaling van het gemotoriseerd voortbewegingstoestel of van de bromfiets, met een massa in rijklare toestand van ten hoogste 450 kg of 600 kg voor voertuigen gebruikt voor het goederenvervoer. Voor de elektrische voertuigen geldt die massa zonder de batterijen.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een vierwieler met motor brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   De bestuurders van vierwielers met motor worden gelijkgesteld met bestuurders van auto's.   29. Auto: elk motorvoertuig, dat niet beantwoordt aan de bepaling van het gemotoriseerd voortbewegingstoestel, van de bromfiets, van de motorfiets en van de drie- en van de vierwieler met motor.   30. Personenauto: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen met ten hoogste acht plaatsen, zonder die van de bestuurder.   31. Auto voor dubbelgebruik: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen en goederen met ten hoogste acht plaatsen, zonder die van de bestuurder.   32. Minibus: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen met ten hoogste acht plaatsen, zonder die van de bestuurder, en die voorzien is van een koetswerk van hetzelfde type als dat van bestelwagens of autobussen.   33. Kampeerwagen: elke auto met tenminste vier wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van passagiers, waarvan de constructie een woonaccommodatie omvat die ten minste bestaat uit de volgende uitrustingen:   1° zitplaatsen en een tafel;   2° slaapaccommodatie die al of niet met behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd;   3° kookgelegenheid;   4° en opbergfaciliteiten.   Deze uitrusting moet vast zijn bevestigd; de tafel mag echter zodanig zijn ontworpen dat zij gemakkelijk opklapbaar is.   34. Bestelwagen: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt.   [1 Motorvoertuigen die geheel worden aangedreven door elektriciteit of waterstof, zoals bedoeld in de lijst van alternatieve brandstoffen gedefinieerd in artikel 2, a) en b) van Richtlijn 96/53/EG, en die zijn goedgekeurd overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858, met een maximale toegelaten massa van meer dan 3 500 kg maar niet meer dan 4 250 kg worden gelijkgesteld met een bestelwagen, behalve voor de toepassing van het bord C21.]1   35. Autobus: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van zittende en staande passagiers met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.   36. Autocar: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van uitsluitend zittende passagiers met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.   37. Vrachtauto: elke auto ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg overschrijdt.   38. Trekkend voertuig: elke auto ontworpen en gebouwd voor het trekken van een [1 aanhangwagen]1.   39. Aanhangwagen: elk voertuig dat bestemd is om door een ander te worden voortbewogen.   40. Oplegger: elke aanhangwagen zonder vooras, waarvan het voorste gedeelte steunt op het trekkend voertuig door middel van een specifiek dragende koppeling.   41. Kampeeraanhangwagen: elke aanhangwagen die gebouwd of omgebouwd is voor het verblijf van personen en waarvan de binneninrichting blijvend aan het koetswerk bevestigd is.   42. Landbouwvoertuig: elk landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten minste 6 km/u, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan zijn aangepast om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en kan zijn uitgerust met één of meer zitplaatsen voor passagiers.   43. Prioritair voertuig: elk voertuig uitgerust met een of meerdere blauwe knipperlichten en een speciaal geluidstoestel.   44. Sleep: elke groep voertuigen die aan elkaar gekoppeld zijn met het doel door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen.   45. Folkloristische voertuig: elk voertuig dat uitsluitend bestemd is voor folkloristische manifestaties en slechts bij uitzondering op de openbare weg komt ofwel ter gelegenheid van een toegelaten folkloristische manifestatie, of op de weg er naartoe ofwel voor proefritten met het oog op die manifestatie.   46. Passagiersruimte: het oorspronkelijk of door ombouw voor het vervoer van de bestuurder en de passagiers ingerichte deel van het voertuig en voorzien van zijdelingse bescherming of een dak.   III - Andere definities:   47. Stilstaan: het stilstaan van een voertuig voor een tijdspanne die nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van goederen.   48. Parkeren: het stilstaan van een voertuig voor een langere tijdspanne dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van goederen. Tanken of de batterij van een elektrisch of hybride elektrisch voertuig opladen wordt beschouwd als parkeren.   49. Deelvoertuig: voertuigen gebruikt via een vereniging of een vennootschap voor deelvoertuigen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop.   50. Voertuigen voor het geregeld openbaar vervoer: de voertuigen van de exploitanten die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad zijn belast met een openbare dienstverplichting en die worden ingezet voor het geregeld openbaar vervoer van personen of de voertuigen die belast zijn met het toezicht, controle of onderhoud ervan.   51. [1 Parkeerkaart: een kaart die de houder ervan recht geeft op een bijzondere parkeerregeling, zoals voor onder meer bewoners, deelvoertuigen, personen met een handicap. De minister bevoegd voor personen met een handicap duidt de personen aan die de parkeerkaart voor personen met een handicap kunnen bekomen en de overheden die bevoegd zijn om ze af te geven; hij bepaalt er het model van, alsmede de modaliteiten van afgifte en van intrekking. Het document dat in een ander land door de bevoegde overheid van dat land aan personen met een handicap wordt afgegeven, wordt hiermee gelijkgesteld.]1   52. Plaatselijk verkeer of plaatselijke bediening:   1° de voertuigen van de bewoners en hun bezoekers, de voertuigen die er leveren en de voertuigen van en naar de aanliggende percelen;   2° de voertuigen voor het geregeld openbaar vervoer en de voertuigen gebruikt voor schoolvervoer;   3° de voertuigen voor het wegruimen van vuilnis;   4° de voertuigen die dienen voor een werk op die openbare weg;   5° de prioritaire voertuigen;   6° rijwielen, speedpedelecs en [1 trek, -last of rijdieren]1;   7° de begeleidende voertuigen van een groep;   8° de voertuigen voor toezicht, controle en onderhoud van het wegennet, als de aard van hun opdracht het vereist.   53. Technisch reglement van de auto's: het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.   54. Technisch reglement van de bromfietsen en motorfietsen: het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.   55. Lading: elk goed of materiaal dat door een voertuig wordt vervoerd.   56. Maximaal toegelaten massa (MTM): de maximale totale massa van het voertuig, bepaald volgens de weerstand van de onderdelen van het chassis overeenkomstig de voorschriften van het technisch reglement van de auto's.   57. Eigen massa: de massa van een rijklaar voertuig met carrosserie, uitrusting en toebehoren, dat brandstof, water en smeerolie heeft ingenomen, echter zonder inbegrip van de vervoerde personen of goederen.   58. Lege massa [1 ...]1: de eigen massa van het voertuig[1 ...]1 met de aanvullende uitrusting voor zijn normaal gebruik, alsook met de reglementaire uitrusting, met uitzondering van bijkomende benodigdheden.   59. Massa in beladen toestand (MBT): het geheel van de eigen massa van het voertuig en van de massa van zijn lading, van de bestuurder en van elke andere vervoerde persoon.   60. [1 Reddingsstrook: de vrije ruimte tussen twee rijstroken in een file.]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 3 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 2. - Bevoegde personen en signaalgevers.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3.Bevoegde personen.   § 1. De personen bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer en de ter uitvoering daarvan genomen reglementen uitgevaardigd door de federale overheid en de gewesten, zijn:   1° het personeel van het operationele kader van de federale en de lokale politie;   2° het personeel van het administratieve en logistieke kader van de federale en lokale politie voor wat de vaststellingen die gesteund zijn op materiële bewijsmiddelen die door bemande of onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, betreft.   § 2. De personen bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer en de ter uitvoering daarvan genomen reglementen uitgevaardigd door de federale overheid, zijn:   1° het personeel van het Directoraat-generaal bevoegd voor het Wegvervoer en de Verkeersveiligheid van de FOD Mobiliteit en Vervoer, die met een mandaat van gerechtelijke politie belast zijn;   2° het douanepersoneel bij de uitoefening van zijn dienst;   3° de veldwachters, bedoeld in artikel 61 van het veldwetboek, aangesteld door de deputaties van de provincieraden, binnen de grenzen van hun territoriale bevoegdheid;   4° de conducteurs, controleurs en opzichters van de Algemene Dienst der Militaire Gebouwen, voor wat het gebruik van de militaire wegen betreft;   5° het personeel van de Belgische militaire politie bij de uitoefening van zijn dienst, uitsluitend inzake de toepassing van artikel 4, §§ 1 tot 3;   6° de interveniërende leden van de openbare brandweerdiensten en van de diensten van de civiele bescherming op de plaats van de interventie, uitsluitend inzake de toepassing van artikel 4 en voor zover het in punt § 1, 1°, bedoelde personeel niet op de plaats van de interventie aanwezig is;   7° [1 de vaststellende beambten die deel uitmaken van het personeel van de veiligheidsdienst en van de infrastructuurbeheerder als bedoeld in de wet op de politie van de spoorwegen bij de uitoefening van hun dienst en uitsluitend inzake de toepassing van de artikelen 4, §§ 1 tot 4, 18, § 1, 1°, 21, 1°, a), 23, 62, § 2 en het verbod zich op een overweg te begeven wanneer het verkeersbord C3 of C19 dat verbiedt.]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 4 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 2. - Bevoegde personen en signaalgevers.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 4. Bevelen van bevoegde personen.   § 1. De weggebruikers moeten onmiddellijk gevolg geven aan de bevelen van de bevoegde personen.   § 2. Als bevelen worden onder andere beschouwd:   1° de arm recht opgestoken. Dit betekent dat alle weggebruikers moeten stoppen. Wie zich reeds op het kruispunt bevindt, moet het zo snel mogelijk vrijmaken;   2° de arm of de armen horizontaal uitgestrekt. Dit betekent dat de weggebruikers die naderen uit een richting die de arm of armen dwarsen, moeten stoppen;   3° het heen en weer zwaaien met een rood licht. Dit betekent dat de weggebruikers naar wie het licht gericht is, moeten stoppen.   § 3. De bevelen gericht tot de in beweging zijnde weggebruikers kunnen slechts gegeven worden door personen die de kentekens van hun functie dragen.   Die kentekens moeten zowel `s nachts als bij dag te herkennen zijn.   § 4. Elke bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig moet dit verplaatsen zodra hij daartoe door een bevoegd persoon aangemaand wordt.   Weigert de bestuurder of is hij afwezig, dan mag de bevoegde persoon ambtshalve voor de verplaatsing van het voertuig zorgen. De verplaatsing gebeurt op risico en kosten van de bestuurder en de burgerlijk aansprakelijke personen, behalve wanneer de bestuurder afwezig is en het voertuig reglementair is geparkeerd.   Zonder het optreden van een bevoegd persoon kan dit recht in dezelfde omstandigheden, niet door een weggebruiker uitgeoefend worden.   § 5. Elke weggebruiker die meer dan 15 jaar oud is moet zijn identiteitskaart of het als zodanig geldend bewijs overhandigen op elk door een bevoegd persoon gedaan verzoek naar aanleiding van een overtreding op de wet betreffende de politie over het Wegverkeer, of haar uitvoeringsbesluiten, of van een verkeersongeval.   De vrijstellingen, toelatingen en doorgangskaarten bepaald in deze code moeten worden overhandigd op elk door een bevoegd persoon gedaan verzoek.
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 5 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 2. - Bevoegde personen en signaalgevers.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 5.Aanwijzingen van signaalgevers.   § 1. De weggebruikers moeten onmiddellijk gevolg geven aan de aanwijzingen van de signaalgevers.   § 2. De signaalgevers mogen aanwijzingen geven aan de weggebruikers in de volgende gevallen:   1° om de veiligheid te verzekeren bij het oversteken of begeleiden van kinderen te voet of per fiets, personen met een handicap of oudere personen;   2° om de veiligheid te verzekeren van groepen weggebruikers tijdens hun tocht;   3° om de veiligheid te verzekeren tijdens culturele, sportieve en toeristische evenementen;   4° om de veiligheid te verzekeren tijdens wielerwedstrijden en niet gemotoriseerde sportwedstrijden- of competities.   § 3. De signaalgevers moeten:   1° een retro-reflecterende veiligheidsvest dragen met het opschrift "signaalgever" op de voorkant en de achterkant en uitgerust zijn met een schijf waarop het verkeersbord C3 afgebeeld is [1 en waarvan het model bepaald wordt door de minister bevoegd voor het wegverkeer]1 of met het in artikel 4, § 2, 3° bedoelde rood licht;   2° een minimumleeftijd hebben van:   a) 25 jaar voor groepen motorfietsers;   b) 18 jaar voor wielerwedstrijden en niet gemotoriseerde sportwedstrijden of competities of tijdens culturele, sportieve en toeristische evenementen, groepen ruiters;   c) 16 jaar voor het oversteken of begeleiden van kinderen, personen met een handicap, oudere personen of voor groepen weggebruikers andere dan motorfietsers of ruiters.   § 4. Met het oog op het verzekeren van een vlotte doorstroming en veilig verkeer, mogen de signaalgevers de volgende aanwijzingen geven [1 met de schijf of het rood licht bedoeld in § 3, 1°]1:   1° het verkeer stilleggen;   2° het verkeer omleiden [1 ...]1.   Zij mogen op plaatsen waar het verkeer geregeld wordt door verkeerslichten, op autowegen en op autosnelwegen en op de opritten en afritten ervan geen aanwijzingen geven.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 6 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 2. - Bevoegde personen en signaalgevers.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 6. Hiërarchische rangorde van de bevelen en aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels.   De weggebruikers moeten gevolg geven, in de volgende volgorde, aan:   1° de bevelen van de bevoegde personen gegeven overeenkomstig artikel 4;   2° de verkeerslichten wanneer deze regelmatig zijn naar de vorm en voldoende zichtbaar zijn.   Evenwel:   a) de voorrangsborden blijven gelden bij het oranje-geel knipperlicht en bij de lichten geplaatst boven de rijstroken of andere delen van de openbare weg, bedoeld in artikel 59;   b) het voorrangsbord B22 blijft gelden bij de verkeerslichten bedoeld in de artikelen 57 en 60;   3° de aanwijzingen van de signaalgevers gegeven overeenkomstig artikel 5 van dit reglement;   4° de verkeersborden en wegmarkeringen wanneer deze regelmatig zijn naar de vorm en voldoende zichtbaar zijn;   5° de verkeersregels zoals opgenomen in deze code.
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 7 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 1. - Algemene gedragsregels voor de weggebruikers.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 7. Algemene gedragsregels voor de weggebruikers.   § 1. Elke weggebruiker moet zich ten allen tijde zo gedragen dat hij geen gevaar of hinder veroorzaakt voor de andere weggebruikers.   Elke weggebruiker moet zijn gedrag aanpassen aan de plaatsgesteldheid en de belemmering ervan, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de weersomstandigheden, de aard, de staat en de lading van zijn voertuig en de aanwezigheid van andere weggebruikers.   § 2. De bestuurders moeten extra voorzichtig zijn ten aanzien van de categorieën van meer kwetsbare weggebruikers, zoals de voetgangers en de fietsers, in het bijzonder als het gaat om kinderen, personen met een beperkte mobiliteit en personen met een handicap alsook ten aanzien van het personeel dat aan het werk is voor het onderhoud van de wegen en de uitrusting langs de weg.   § 3. Het is verboden het verkeer te hinderen of onveilig te maken door voorwerpen, zwerfvuil of stoffen op de openbare weg te werpen, te plaatsen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er rook of stoom te verspreiden, hetzij door er enige belemmering aan te brengen.   § 4. Het is verboden het portier van een voertuig te openen of open te laten, in of uit een voertuig te stappen, zonder zich ervan vergewist te hebben dat dit de andere weggebruikers niet in gevaar kan brengen of hinderen.
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 8 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 2. - Bestuurders.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 8.Bestuurders.   § 1. Elk voertuig of elke sleep in beweging, moet een bestuurder hebben.   Dit geldt ook voor trek-, last- of rijdieren of vee, afzonderlijk of in kudde.   § 2. Onder voorbehoud van de regels van de gewesten inzake de scholing en de examens over de kennis en de vaardigheid die nodig zijn om voertuigen van elke categorie te besturen en inzake de vakbekwaamheid, is de vereiste minimumleeftijd voor het rijden op de openbare weg vastgesteld op:   1° 14 jaar voor de bestuurders van niet ingespannen trekdieren, van last- of rijdieren of van vee. Die leeftijd wordt echter teruggebracht op 12 jaar voor ruiters als zij begeleid worden door een ruiter die ten minste 18 jaar oud is;   2° 16 jaar voor de bestuurders van gespannen;   3° 16 jaar voor de bestuurders van gemotoriseerde voortbewegings-toestellen. Echter, in de volgende gevallen is er geen minimumleeftijd:   a) in een erf;   b) op een voorbehouden weg;   c) in een voetgangerszone;   d) in een speelstraat;   e) voor de personen met een verminderde mobiliteit;   4° 16 jaar voor de bestuurders van bromfietsen, voor zover het voertuig geen passagier vervoert;   5° 16 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorie A1 bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;   6° 16 jaar voor de bestuurders van de voertuigen van de categorie G bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 20 ton;   7° 17 jaar voor de die houder zijn van een voorlopig rijbewijs categorie B bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen categorie B;   8° 21 jaar voor de bestuurders van driewielers van de categorie A bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, behalve voor de houders van een rijbewijs geldig voor de categorie B, afgegeven vóór 1 mei 2013 ;   9° 21 jaar voor de bestuurders van auto's dienend voor het bezoldigd vervoer van personen, andere dan autobussen en autocars;   10° 18 jaar voor de bestuurders van andere motorvoertuigen.   § 3. Elke bestuurder moet in staat zijn te sturen, en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid bezitten.   De bestuurder van een voertuig moet steeds in staat zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren en voortdurend zijn voertuig goed in de hand hebben.   § 4. Elke bestuurder van dieren moet voortdurend zijn dieren goed in de hand hebben.   § 5. Behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of geparkeerd is, mag de bestuurder geen mobiel elektronisch apparaat met een scherm gebruiken, vasthouden noch manipuleren, tenzij het in een daartoe bestemde houder aan het voertuig bevestigd is.   [1 Hetzelfde verbod geldt voor een persoon die een bestuurder begeleidt in het kader van de rijopleiding.]1   § 6. De bestuurder mag het voertuig dat hij bestuurt niet verlaten zonder de nodige voorzorgen te hebben genomen om enig ongeval of onrechtmatig gebruik te voorkomen.   § 7. Het is iedere bestuurder verboden de motor in vrijloopstand herhaaldelijk te versnellen. De bestuurders mogen daarenboven de motor niet laten draaien in vrijloopstand, behalve ingeval van noodzaak.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 9 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 9.Plaats op de openbare weg.   § 1. De voetgangers gebruiken, in volgorde van aanwezigheid, de volgende toegankelijke en begaanbare delen van de openbare weg:   1° het trottoir of het deel van de openbare weg gesignaleerd door het verkeersbord D9, D11 of D13;   2° het deel van de openbare weg gesignaleerd door het verkeersbord D15;   3° de verhoogde berm;   4° de gelijkgrondse berm;   5° de zijdelingse [1 parkeerstrook of]1 strook;   6° [1 ...]1   [1 6° het fietspad of niet verplicht fietspad;]1   8° [1 ...]1   [1 7° de rijbaan.]1   Wanneer de voetgangers de rijbaan volgen, houden ze zich zo dicht mogelijk bij de rand van de rijbaan.   Ze gaan links ten opzichte van de door hen gevolgde richting wanneer ze de rijbaan of de zijdelingse strook volgen, of rechts wanneer veiligheidsredenen het rechtvaardigen.   In een voetgangerszone, een erf, een speelstraat, een schoolstraat en op een voorbehouden weg mogen voetgangers de volledige breedte van de openbare weg gebruiken.   § 2. De bestuurders volgen de rijbaan.   Elke bestuurder die de rijbaan volgt is verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.   De bestuurder is niet verplicht zoveel mogelijk rechts te houden op een plein.   Elke bestuurder moet een verkeersgeleider aan zijn linkerhand laten.   Wanneer de openbare weg twee of drie rijbanen omvat die duidelijk van elkaar gescheiden zijn, onder meer door een middenberm, een niet voor voertuigen toegankelijke ruimte of een verschil in niveau, mogen de bestuurders de ten opzichte van hun rijrichting links gelegen rijbaan niet volgen.   Binnen de bebouwde kom mogen de bestuurders de in de gevolgde rijrichting gelegen rijstrook volgen die het best aan hun bestemming beantwoordt.   § 3. Wanneer de verkeersdichtheid het rechtvaardigt, mag het verkeer in meerdere files gebeuren:   1° op een rijbaan met twee of meer rijstroken in de gevolgde rijrichting;   2° op een rijbaan met éénrichtingsverkeer.   § 4. Het is verboden op de pechstrook te rijden behalve:   1° voor de prioritaire voertuigen die een prioritaire opdracht uitvoeren;   2° voor personen of diensten opgeroepen door het openbaar ministerie of door de federale of lokale politie, om zich bij sterk vertraagd of stilstaand verkeer naar de plaats van een incident langs of op de autosnelweg of autoweg te begeven;   3° voor takelwagens, om zich bij sterk vertraagd of stilstaand verkeer, naar de plaats van een incident langs of op de autosnelweg of autoweg te begeven.   § 5. Het is verboden op de spitsstrook te rijden wanneer de verkeerslichten bedoeld in artikel 59 of de signalisatie bedoeld in artikel 63, § 3, buiten werking zijn, behalve:   1° in de gevallen bedoeld in paragraaf 4;   2° om de autosnelweg op te rijden of te verlaten;   3° om van richting te veranderen.   § 6. Fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A moeten gebruik maken van onderstaande delen van de openbare weg, wanneer deze berijdbaar zijn:   1° het gemarkeerd fietspad rechts in de gevolgde rijrichting, of   2° het fietspad aangeduid door het verkeersbord D7, of   3° het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D9, of   4° de zijdelingse strook rechts in de gevolgde rijrichting, of   5° enkel voor fietsers, het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D11.   Bij gebrek daaraan moeten zij rechts in de gevolgde rijrichting gebruik maken van:   1° de rijbaan, of   2° de gelijkgrondse berm of de parkeerstrook, of   3° enkel voor fietsers, buiten de bebouwde kom, het trottoir of het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D13 of de verhoogde berm.   Evenwel:   1° zij mogen het fietspad, het deel van de openbare weg aangeduid door de verkeersborden D9 of D11 of de zijdelingse strook verlaten om van richting te veranderen of om in te halen;   2° de fietsers van minder dan 12 jaar mogen in alle omstandigheden het trottoir en de verhoogde berm volgen;   3° in een fietszone, een speelstraat en een schoolstraat, mogen bestuurders van rijwielen de ganse breedte van de rijbaan gebruiken voor zover deze slechts opengesteld is in hun rijrichting en de helft van de breedte langs de rechterzijde indien de rijbaan opengesteld is in beide rijrichtingen.   [1 Op een rijbaan met éénrichtingsverkeer moeten de bestuurders die zijn toegelaten in tegenrichting zoveel mogelijk rechts houden;]1   4° in een voetgangerszone, op een voorbehouden weg en in een erf mogen bestuurders van rijwielen de ganse breedte van de openbare weg gebruiken.   [1 Op een rijbaan met éénrichtingsverkeer moeten de bestuurders die zijn toegelaten in tegenrichting zoveel mogelijk rechts houden;]1   5° [1 bij een toegelaten snelheid van 50 km/u of lager, hebben de bestuurders van ligfietsen en velomobielen, die een breedte hebben van maximum 1 m, de keuze tussen de delen van de openbare weg opgenomen in § 6, eerste lid en de rijbaan.]1   [1 6° wanneer fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A de busbaan mogen volgen, moeten zij er niet zoveel mogelijk rechts houden behalve bij het naderen van een achteropkomend voertuig.]1   § 7. Fietsers, bestuurders van speedpedelecs en tweewielige bromfietsen klasse A mogen gebruik maken van het niet verplicht fietspad.   § 8. De plaats van de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B en speedpedelecs is afhankelijk van de vigerende snelheidsbeperking:   1° snelheid beperkt tot 50 km/u of minder:   a) bestuurders van speedpedelecs mogen gebruik maken van:   i) [1 het gemarkeerd fietspad rechts in de gevolgde rijrichting.    Echter, als het symbool van een speedpedelec is aangebracht op het gemarkeerd fietspad moeten de bestuurders van speedpedelecs ervan gebruikmaken, of]1   ii) het fietspad aangeduid door het verkeersbord D7, of   iii) het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D9, of   iv) de zijdelingse strook rechts in de gevolgde rijrichting, of   v) de rijbaan;   b) [1 bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B moeten gebruik maken van de rijbaan.    Echter, als het symbool van een bromfiets klasse B is aangebracht op een gemarkeerd fietspad moeten de bestuurders van bromfietsen klasse B ervan gebruikmaken;]1   c) in een fietszone, een speelstraat en een schoolstraat mogen bestuurders van speedpedelecs de ganse breedte van de rijbaan gebruiken voor zover deze slechts opengesteld is in hun rijrichting en de helft van de breedte langs de rechterzijde indien de rijbaan opengesteld is in beide rijrichtingen.   [1 Op een rijbaan met éénrichtingsverkeer moeten bestuurders die zijn toegelaten in tegenrichting zoveel mogelijk rechts houden;]1   d) in een voetgangerszone, op een voorbehouden weg en in een erf mogen bestuurders van speedpedelecs de ganse breedte van de openbare weg gebruiken.   [1 Op een rijbaan met éénrichtingsverkeer moeten bestuurders die zijn toegelaten in tegenrichting zoveel mogelijk rechts houden;]1   2° toegelaten snelheid hoger dan 50 km/u:   Bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B en speedpedelecs moeten gebruik maken van onderstaande delen van de openbare weg, wanneer deze berijdbaar zijn:   a) het gemarkeerd fietspad rechts in de gevolgde rijrichting, of   b) het fietspad aangeduid door het verkeersbord D7, of   c) het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D9, of   d) de zijdelingse strook rechts in de gevolgde rijrichting.   Bij gebrek daaraan moeten zij rechts in de gevolgde rijrichting gebruik maken van de rijbaan.   Zij mogen evenwel het fietspad, het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D9 of de zijdelingse strook verlaten om van richting te veranderen of om in te halen.   [1 3° wanneer bestuurders van speedpedelecs en van tweewielige bromfietsen klasse B de busbaan mogen volgen, moeten zij er niet zoveel mogelijk rechts houden behalve bij het naderen van een achteropkomend voertuig.]1   § 9. Motorfietsers mogen zich op een rijbaan die niet verdeeld is in rijstroken over de volledige breedte van de rechterhelft ervan begeven en indien er een middenberm is, over de volledige breedte van het rechts van de middenberm gelegen deel van de rijbaan.   Motorfietsers mogen zich op een rijbaan die verdeeld is in rijstroken over de ganse breedte van de rijstrook waarop zij rijden, begeven.   § 10. De bestuurders van niet ingespannen trekdieren, van last- of rijdieren of van vee, mogen, buiten de bebouwde kommen, de gelijkgrondse berm volgen die rechts in hun richting ligt.   De bestuurders van niet ingespannen trekdieren, van last- of rijdieren of van vee, mogen de zijdelingse strook die rechts in hun richting ligt, volgen.   § 11. Op een voorbehouden weg mogen ruiters de ganse breedte van de [1 openbare weg]1 gebruiken voor zover deze slechts opengesteld is in hun rijrichting en de helft van de breedte langs de rechterzijde indien de rijbaan opengesteld is in beide rijrichtingen.   [1 Op een rijbaan met éénrichtingsverkeer moeten ruiters die zijn toegelaten in tegenrichting zoveel mogelijk rechts houden.]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 10 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 10. Aangepaste snelheid.   § 1. Iedere bestuurder moet, rekening houdend met de bepalingen van artikel 7, §§ 1 en 2, een aangepaste snelheid voeren, zonder dat deze snelheid hoger mag zijn dan de maximum toegelaten snelheid.   § 2. Iedere bestuurder moet in alle omstandigheden kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien.   § 3. Iedere bestuurder moet in alle omstandigheden, en rekening houdend met zijn snelheid, tussen zijn voertuig en zijn voorligger een voldoende veiligheidsafstand houden. Op openbare wegen waar de maximumsnelheid hoger is dan 50 km/u komt deze afstand overeen met de afstand die het voertuig heeft afgelegd gedurende een periode van ten minste twee seconden.   § 4. Geen enkele bestuurder mag de normale gang van andere weggebruikers hinderen door abnormaal traag te rijden wanneer daar geen geldige reden toe is.   § 5. Geen enkele bestuurder mag de normale gang van andere weggebruikers hinderen door plots te remmen wanneer dit niet om veiligheidsredenen vereist is.   § 6. Het is verboden een bestuurder aan te sporen of uit te dagen overdreven snel te rijden.   § 7. Elke bestuurder moet vertragen wanneer hij trek-, last- of rijdieren of vee, op de openbare weg nadert.   Hij moet stoppen indien deze dieren tekenen van angst vertonen.
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 11 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 11.Voorrang.   § 1. De weggebruiker die voorrang moet verlenen, mag slechts verdergaan indien hij dat kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop zij zich bevinden.   § 2. Elke bestuurder moet voorrang verlenen aan de bestuurder die van rechts komt.   Evenwel:   1° de bestuurder die uit een aardeweg of een pad komt op een andere openbare weg dan een aardeweg of een pad moet voorrang verlenen aan de weggebruikers die er zich bevinden;   2° de bestuurder die de hoofdweg van een autosnelweg oprijdt moet voorrang verlenen aan de bestuurders die er rijden;   3° de bestuurder die een rotonde oprijdt moet voorrang verlenen aan de bestuurders die er rijden.   § 3. Voorrang van bepaalde categorieën van weggebruikers:   1° elke weggebruiker moet voorrang verlenen aan de spoorvoertuigen; daartoe moet hij zich zo snel mogelijk van de sporen verwijderen;   2° bij het naderen van een prioritair voertuig dat gebruik maakt van de blauwe knipperlichten en het speciaal geluidstoestel, moet elke weggebruiker onmiddellijk de doorgang vrijmaken, voorrang verlenen en zo nodig stoppen;   3° binnen de bebouwde kom moet elke bestuurder die dezelfde richting volgt als een autobus, de autobusbestuurder gelegenheid laten zijn halteplaats te verlaten wanneer hij met de richtingaanwijzers zijn voornemen om zijn halteplaats te verlaten tijdig kenbaar heeft gemaakt, door te vertragen en, zo nodig, te stoppen.   In dat geval moet de autobusbestuurder geen voorrang verlenen aan de andere bestuurders die dezelfde richting volgen;   4° de bestuurder die een trottoir, een fietspad, of een deel van de openbare weg verplicht voor bepaalde categorieën van weggebruikers aangeduid door de verkeersborden D9, D11, D13 of R12 dwarst, moet voorrang verlenen aan de weggebruikers die er overeenkomstig dit besluit gebruik van maken;   5° de bestuurder moet voorrang verlenen aan de voetgangers die zich op een oversteekplaats voor voetgangers bevinden of op het punt staan zich erop te begeven.   Op plaatsen waar het verkeer geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten, moet de bestuurder, zelfs wanneer het verkeer in zijn rijrichting is opengesteld, de voetgangers die zich regelmatig op de rijbaan hebben begeven, de gelegenheid laten het oversteken met een normale gang te beëindigen;   6° [1 a) de bestuurder moet voorrang verlenen aan de fietsers en de bestuurders van tweewielige bromfietsen die op het punt staan zich op een oversteekplaats met voorrang voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen te begeven of zich erop bevinden;    b) de fietser en de bestuurder van een tweewielige bromfiets die op het punt staan zich op een oversteekplaats zonder voorrang voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen te begeven, moeten voorrang verlenen aan de naderende voertuigen;    De naderende bestuurders moeten de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen die zich op deze oversteekplaats bevinden, toelaten het oversteken te beëindigen;]1   7° de bestuurder van een rijwiel, een bromfiets [1 ...]1, niet ingespannen trekdieren, last- of rijdieren of vee verleent voorrang aan de voetgangers:   a) op een deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D11 of D13;   b) op een gelijkgrondse berm;   c) op een parkeerstrook;   d) op een trottoir;   e) op een verhoogde berm;   f) op een zijdelingse strook;   g) [1 ...]1   h) [1 ...]1   i) [1 ...]1   j) [1 ...]1   k) [1 ...]1   8° wanneer voetgangers het fietspad of het niet verplicht fietspad volgen, verlenen zij voorrang aan de andere weggebruikers die er zich bevinden;   9° wanneer voetgangers het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D11 of D15, of de zijdelingse strook volgen, mogen ze er het verkeer niet nodeloos belemmeren.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 12 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 12. Ritsen.   De bestuurders die, bij sterk vertraagd verkeer, rijden op een rijstrook die ophoudt of waarop het verder rijden wordt verhinderd:   1° mogen slechts vlak voor de versmalling invoegen in de aangrenzende vrije rijstrook;   2° maken hun voornemen om in te voegen tijdig genoeg kenbaar door middel van de richtingaanwijzers wanneer het voertuig daarvan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm; deze aanduiding moet ophouden zodra de zijdelingse verplaatsing uitgevoerd is.   De bestuurders die rijden op die vrije rijstrook moeten vlak voor de versmalling beurtelings voorrang verlenen aan één invoegende bestuurder; in geval het rijden in zowel de linker- als in de rechter- rijstrook wordt verhinderd, moet eerst voorrang worden verleend aan één bestuurder op de rechterrijstrook en daarna aan één bestuurder op de linkerrijstrook.
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 13 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 13.[1 Reddingsstrook.    In geval van file vormen de bestuurders op wegen met twee of meer rijstroken in de gevolgde rijrichting een reddingsstrook. Daartoe begeven de bestuurders:    1° op de linkerrijstrook zich uiterst links op deze rijstrook;    2° op de andere rijstrook of rijstroken zich uiterst rechts op deze rijstrook of elk van deze rijstroken.    De reddingsstrook mag gebruikt worden door:    1° de bestuurders van prioritaire voertuigen die een prioritaire opdracht uitvoeren;    2° de bestuurders van voertuigen van personen of diensten opgeroepen door het openbaar ministerie of door de federale of lokale politie om zich naar de plaats van een incident te begeven;    3° de bestuurders van takelwagens die zich naar een incident begeven;    4° de bestuurders van motorfietsen behalve wanneer een voertuig bedoeld in 1° tot 3° nadert.]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 14 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 14.Manoeuvres.   § 1. De bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren moet voorrang verlenen aan de andere weggebruikers.   Worden onder meer als manoeuvres beschouwd:   1° van rijstrook of file veranderen;   2° buiten een kruispunt de rijbaan oversteken;   3° keren of achteruitrijden;   4° zijn plaats in [1 het verkeer]1 verlaten of terug innemen;   5° invoegen in de aangrenzende rijstrook, wanneer de gevolgde rijstrook ophoudt ingevolge verkeerstekens.   § 2. Alvorens een manoeuvre uit te voeren dat een zijdelingse verplaatsing inhoudt, moet de bestuurder zijn voornemen tijdig genoeg kenbaar maken met de richtingaanwijzers wanneer het voertuig daarvan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm. Deze aanduiding moet ophouden zodra het manoeuvre uitgevoerd is.   § 3. Worden niet als manoeuvres beschouwd:   1° alle rijbewegingen die door een ander artikel van deze code worden geregeld, zoals:   a) het inhalen;   b) het kruisen;   c) het veranderen van richting;   d) de zijdelingse verplaatsingen door de bestuurder van een motorfiets uitgevoerd conform artikel 9, § 9. Die verplaatsingen vereisen geen gebruik van de richtingaanwijzers;   e) het verlaten van de halteplaats door een autobus conform artikel 11, § 3, 3° ;   f) het ritsen;   2° zich op het einde van een fietspad, een deel van de openbare weg aangeduid door de verkeersborden D9 of D11 of een zijdelingse strook op de rijbaan begeven om rechtdoor te rijden.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 15 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 15. Vrijmaken van de kruispunten.   De bestuurder die een kruispunt opgereden is waar het verkeer geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten mag dit kruispunt vrijmaken zonder te wachten tot het verkeer opengesteld is in de richting die hij gaat nemen, behalve indien op de weg die hij gaat volgen een aan zijn rechterzijde geplaatst rood licht hem dat verbiedt.   Zelfs indien verkeerslichten het toelaten, mag een bestuurder een kruispunt niet oprijden wanneer het verkeer zodanig belemmerd is dat hij waarschijnlijk op het kruispunt zou moeten stoppen en aldus het dwarsverkeer zou hinderen of beletten.
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 16 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 16. Kruisen.   § 1. Het kruisen gebeurt rechts.   § 2. De bestuurder moet bij het kruisen een voldoende zijdelingse afstand laten en, zo nodig, naar rechts uitwijken.   De bestuurder, waarvan het doorrijden belemmerd wordt door een hindernis of door de aanwezigheid van andere weggebruikers, moet vertragen en, zo nodig, stoppen om de tegemoetkomende weggebruikers doorgang te verlenen.   § 3. Wanneer het kruisen wegens de breedte van de rijbaan niet gemakkelijk kan uitgevoerd worden, mag de bestuurder de gelijkgrondse berm, de zijdelingse strook of de parkeerstrook volgen.   § 4. De bestuurder mag spoorvoertuigen die de rijbaan volgen links kruisen wanneer het rechts niet kan wegens de engte van de doorgang of de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd voertuig of een vaste hindernis.
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 17 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 17. Inhalen.   § 1. Het inhalen geldt slechts ten aanzien van bestuurders die in beweging zijn.   § 2. Behalve voor de toepassing van artikel 18, § 1, 5°, wordt niet als inhalen beschouwd:   1° het sneller rijden van de voertuigen in een rijstrook of een file ten opzichte van de voertuigen in een andere rijstrook of file wanneer de bestuurders de aanwijzingen van de verkeersborden F13 en F15 opvolgen;   2° het sneller rijden van de voertuigen in een rijstrook of een file ten opzichte van de voertuigen in een andere rijstrook of file wanneer het verkeer verloopt overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, § 2, laatste lid, en § 3;   3° het sneller rijden van bestuurders op een gedeelte van de openbare weg dat voor bepaalde categorieën van weggebruikers is voorbehouden of verplicht ten opzichte van de voertuigen op een ander gedeelte van de openbare weg;   4° het sneller rijden van de fietsers of bestuurders van tweewielige bromfietsen op de busbaan, ten opzichte van de voertuigen die er stoppen of traag rijden;   5° het sneller rijden van de fietsers of bestuurders van tweewielige bromfietsen op de rijbaan ten opzichte van de voertuigen die er stoppen of traag rijden. In dat geval mogen zij ook tussen twee files in de gevolgde rijrichting rijden met een hogere snelheid dan de voertuigen die erop stoppen of traag rijden;   6° het sneller rijden van motorfietsen tussen twee files in de gevolgde rijrichting ten opzichte van de voertuigen die stoppen of traag rijden in die files.   In dat geval, op een autosnelweg mag de motorfietser niet sneller rijden dan 50 km/u en mag het snelheidsverschil tussen de motorfietser en de voertuigen die zich in die rijstroken of files bevinden niet meer dan 20 km/u bedragen.   Op autosnelwegen en autowegen moet hij daarenboven tussen de twee meest links gelegen rijstroken rijden.   § 3. Bestuurders halen links in.   Het inhalen gebeurt echter rechts wanneer de in te halen bestuurder te kennen heeft gegeven dat hij links wil afslaan of zijn voertuig wil opstellen aan de linkerkant van de openbare weg en zich naar links begeven heeft om deze beweging uit te voeren.   § 4. Vóór het links inhalen moet elke bestuurder:   1° er zeker van zijn dat:   a) de weg over een voldoende afstand vrij is om alle gevaar voor ongevallen te vermijden;   b) geen achterligger reeds begonnen is in te halen;   c) hij zijn plaats rechts opnieuw kan innemen, zonder de andere bestuurders te hinderen;   d) hij op zeer korte tijd kan inhalen;   2° zijn voornemen zich naar links te verplaatsen tijdig genoeg kenbaar maken door middel van de richtingaanwijzers wanneer het voertuig daarvan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm; deze aanduiding moet ophouden zodra de zijdelingse verplaatsing uitgevoerd is.   § 5. Elke inhalende bestuurder moet zich zo ver als nodig is van de in te halen bestuurder verwijderen; wanneer het inhalen wegens de breedte van de rijbaan niet gemakkelijk kan uitgevoerd worden, mag de bestuurder de gelijkgrondse berm, de zijdelingse strook of de parkeerstrook volgen.   § 6. De bestuurder die links inhaalt, moet zijn plaats rechts opnieuw innemen zodra hij dat zonder bezwaar kan doen. Daartoe moet hij zijn voornemen kenbaar maken door middel van de richtingaanwijzers wanneer het voertuig daarvan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm.   Deze aanduiding moet ophouden zodra de zijdelingse verplaatsing uitgevoerd is.   De bestuurder moet echter zijn plaats rechts niet terug innemen wanneer hij onmiddellijk opnieuw wil inhalen:   1° op rijbanen met twee of meer rijstroken in de gevolgde rijrichting, op voorwaarde dat alleen gereden wordt op de rijstroken bestemd voor het verkeer in de gevolgde rijrichting;   2° op rijbanen met éénrichtingsverkeer.   § 7. Elke bestuurder die op het punt staat links ingehaald te worden, moet zo ver mogelijk naar rechts uitwijken en mag zijn snelheid niet opvoeren.   § 8. Het inhalen van spoorvoertuigen die de rijbaan volgen gebeurt rechts, zowel wanneer die voertuigen in beweging zijn of stilstaan om reizigers te laten in- of uitstappen.   Het inhalen mag evenwel links gebeuren:   1° wanneer het rechts niet kan wegens de engte van de doorgang, de aanwezigheid van een stilstaand of geparkeerd voertuig of een andere vaste hindernis;   2° op rijbanen met éénrichtingsverkeer, wanneer de verkeersomstandigheden dit rechtvaardigen.
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 18 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 18. Inhaalverbod.   § 1. Het inhalen van een bestuurder is verboden:   1° op een overweg gesignaleerd door het verkeersbord A45 of A47, behalve indien het een overweg is met slagbomen of indien het verkeer er door verkeerslichten wordt geregeld;   2° links op de kruispunten waar de bestuurder voorrang moet verlenen;   3° bij het naderen van de top van een helling en in bochten, wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is, behalve indien kan ingehaald worden zonder de doorlopende witte streep te overschrijden die het voor de tegenliggers bestemde deel van de rijbaan aflijnt;   4° wanneer de in te halen bestuurder zelf een andere bestuurder inhaalt, behalve wanneer de rijbaan drie of meer rijstroken heeft die bestemd zijn voor het verkeer in de gevolgde rijrichting;   5° wanneer de in te halen bestuurder stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers of een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen of deze oversteekplaatsen nadert op plaatsen waar het verkeer niet geregeld wordt door een bevoegd persoon of door verkeerslichten;   6° op de verhoogde inrichtingen;   7° bij neerslag, op de autosnelwegen, autowegen en wegen met ten minste vier rijstroken met of zonder middenberm, voor bestuurders van voertuigen en slepen bestemd voor het vervoer van goederen met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton.   Deze bepaling is niet van toepassing bij het inhalen van voertuigen die gebruik maken van een voorbehouden rijstrook voor traag verkeer, noch ten opzichte van landbouwvoertuigen.   § 2. Het inhalen in fietszones is verboden, behalve voor fietsers en bestuurders van speedpedelecs.
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 19 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 3. - Algemene regels betreffende de plaats op de openbare weg.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 19. Richtingsverandering.   § 1. De bestuurder die van richting verandert moet:   1° voorrang verlenen aan de weggebruikers die dezelfde openbare weg volgen die hij op het punt staat te verlaten;   2° voorrang verlenen aan de voetgangers die de rijbaan oversteken die hij gaat oprijden;   3° rekening houden met de vertragingsmogelijkheden van de achterliggers.   § 2. De bestuurder die naar rechts afslaat moet:   1° zijn voornemen tijdig genoeg kenbaar maken door middel van de rechterrichtingaanwijzers wanneer het voertuig daarvan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm; deze aanduiding moet ophouden zodra de beweging uitgevoerd is;   2° zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan blijven.   De bestuurder mag zich evenwel naar links begeven wanneer hij wegens de plaatsgesteldheid en de afmetingen van het voertuig of de lading niet bij de rechterrand van de rijbaan kan blijven, daarbij gebruik makend van de rechterrichtingaanwijzers.   In dat geval moet hij zich vooraf ervan vergewissen dat geen achterligger reeds begonnen is in te halen;   3° de beweging zo kort mogelijk uitvoeren, behalve in de gevallen dat het verkeer op de ingeslagen rijbaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, § 2, laatste lid, en § 3 gebeurt.   § 3. De bestuurder die naar links afslaat moet:   1° zijn voornemen tijdig genoeg kenbaar maken door middel van de linkerrichtingaanwijzers wanneer het voertuig daarvan voorzien is of, zoniet, en indien mogelijk, door een teken met de arm; deze aanduiding moet ophouden zodra de beweging uitgevoerd is;   2° op een rijbaan met tweerichtingsverkeer, voor zover de plaatsgesteldheid het toelaat, zich naar links begeven zonder de tegenliggers te hinderen;   3° op een rijbaan met éénrichtingsverkeer, zo dicht mogelijk bij de linkerrand ervan blijven zonder de tegenliggers te hinderen;   4° voorrang verlenen aan de tegenliggers op de rijbaan die hij gaat verlaten;   5° op de kruispunten de beweging zo ruim mogelijk uitvoeren zodat hij de ingeslagen rijbaan rechts oprijdt, behalve in de gevallen dat het verkeer op die rijbaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, § 2, laatste lid, en § 3 gebeurt.
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 20 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 3. - Regels voor het gebruik van de openbare weg. / Afdeling 4. - Regels in verband met het stilstaan en het parkeren.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 20.Algemene regels betreffende het stilstaan en het parkeren.   § 1. Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld:   1° rechts ten opzichte van zijn rijrichting, behalve op rijbanen met éénrichtingsverkeer en in erven waar het zowel links als rechts mag opgesteld worden;   2° buiten de rijbaan:   a) binnen de bebouwde kommen, op de gelijkgrondse berm;   b) buiten de bebouwde kommen, op de gelijkgrondse of de verhoogde berm.   Indien het een berm betreft die de voetgangers moeten volgen, moet langs de buitenkant van de openbare weg een begaanbare strook van ten minste 1,50 m breed vrijgelaten worden.   Indien de berm niet breed genoeg is, moet het geparkeerd voertuig gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op de rijbaan opgesteld worden.   Indien er geen bruikbare berm is, wordt het geparkeerd voertuig op de rijbaan opgesteld.   Indien de berm niet breed genoeg is, moet het stilstaand voertuig opgesteld worden gedeeltelijk op de berm en gedeeltelijk op:   a) de zijdelingse strook;   b) de rijbaan indien er geen zijdelingse strook is.   Indien er geen bruikbare berm is, wordt het stilstaand voertuig opgesteld op:   a) de zijdelingse strook;   b) de rijbaan indien er geen zijdelingse strook is.   § 2. Elk voertuig dat volledig of ten dele op de rijbaan opgesteld is, moet opgesteld worden:   1° zover mogelijk van de aslijn van de rijbaan;   2° evenwijdig met de rand van de rijbaan[1 ...]1;   3° in één enkele rij.   § 3. Indien er parkeerplaatsen zijn, moeten de voertuigen zo worden opgesteld dat de [1 wegmarkeringen]1 niet worden overschreden.   Waar parkeerplaatsen zijn gemarkeerd in een parking of op een plein moeten de voertuigen op die parkeerplaatsen worden opgesteld.   § 4. [1 Rijwielen en bromfietsen met een maximum breedte van 1 m en voortbewegingstoestellen moeten buiten de rijbaan en de parkeerstroken worden opgesteld.    Het is verboden rijwielen en bromfietsen met een maximale breedte van 1 m en voortbewegingstoestellen te parkeren op fietspaden, niet-verplichte fietspaden, zijdelingse stroken, busbanen, podotactiele tegels, overwegen, op plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou worden belemmerd, waar de toegang tot of het verlaten van parkeerplaatsen zou worden verhinderd, op parkeerplaatsen voorbehouden voor personen met een handicap, op delen van de openbare weg aangeduid met het verkeersbord D9, D11, D13 of D15, op voetgangersoversteekplaatsen, op fietsoversteekplaatsen en op elke andere plaats waar dit hinderlijk of gevaarlijk zou zijn voor andere gebruikers.    Indien het een trottoir of een berm betreft die de voetgangers moeten volgen, moet op dit trottoir of deze berm een begaanbare strook van ten minste 1,50 m breed vrijgelaten worden. Indien ze gebruikt worden door personen met beperkte mobiliteit geldt deze verplichting niet voor rijwielen met een maximale breedte van 1 m, bromfietsen met een maximale breedte van 1 m en voortbewegingstoestellen.]1   § 5. Motorfietsen met een maximale breedte van 1 m mogen worden geparkeerd op een trottoir of een berm die door voetgangers moet worden gebruikt, mits op dit trottoir of deze berm een begaanbare strook van ten minste 1,50 m breed vrijgelaten wordt.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗