Gratis brononderzoek

Code van de openbare weg

Toekomstige federale verkeersregels vanaf 1 juni 2027.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Toekomstige verkeersregels

De hoofdregels gelden vanaf 1 juni 2027 volgens artikel 86. De Justel-hoofding vermeldt nog de oude datum 1 september 2026. Wijzigingen van de slotbepalingen zijn reeds in werking getreden; dat maakt de nieuwe verkeersregels niet vervroegd toepasselijk. Artikel 85 regelt de overgang voor bestaande verkeerstekens.

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-07 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-08-31

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

89 bronvarianten

  1. Art. 41 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 4. - Zitplaatsen en veiligheidsuitrusting.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 41.Zitplaatsen.   § 1. De bestuurder mag niet meer personen vervoeren dan de som van het aantal plaatsen uitgerust met een veiligheidsgordel of een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem en van het aantal plaatsen dat daarmee niet uitgerust moet zijn.   De bestuurders van rijwielen, bromfietsen, motorfietsen en drie- en vierwielers met motor, mogen niet meer personen vervoeren dan het aantal zitplaatsen.   De passagiers van deze voertuigen moeten de voeten op de voetsteunen hebben.   § 2. Het is verboden personen te vervoeren op voortbewegingstoestellen, behalve op voortbewegingstoestellen gebouwd voor het vervoer van personen en zonder het aantal zitplaatsen te overschrijden.   Het is de bestuurders van voortbewegingstoestellen, van rijwielen, bromfietsen, motorfietsen en drie- en vierwielers met motor, verboden de "amazonezit", aan te nemen of te laten aannemen door een passagier.   Het is de passagiers van deze voertuigen verboden de "amazonezit", aan te nemen.   Het is verboden personen te vervoeren op de uitwendige delen van het koetswerk, behalve van de voertuigen van de federale en de lokale politie, van de krijgsmacht, van de brandweer, van de voertuigen voor het onderhoud en het toezicht van het wegennet, van de civiele bescherming en van de vuilnisophaaldiensten wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt.   Het is verboden personen te vervoeren in een aanhangwagen behalve indien deze getrokken wordt door een rijwiel, door dieren, een landbouwvoertuig of door een toeristische [1 miniatuurtrein]1. In dit geval moet de aanhangwagen uitgerust zijn met beveiligde zitplaatsen met afdoende bescherming voor handen, voeten en rug.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 26, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 42 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 4. - Zitplaatsen en veiligheidsuitrusting.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 42.Gebruik van de veiligheidsgordel en kinderbeveiligingssystemen.   § 1. Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 91/671/EEG van de Raad van 16 december 1991 betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligings-systemen in voertuigen.   § 2. De plaatsen uitgerust met veiligheidsgordels of kinderbeveiligingssystemen moeten bij voorrang worden ingenomen.   De veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem worden gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden.   Het gebruik van een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem is verboden op een passagierszitplaats met een voorairbag, tenzij deze airbag is uitgeschakeld.   § 3. De bestuurder van een motorvoertuig moet de veiligheidsgordel dragen wanneer zijn zitplaats ermee is uitgerust.   De bestuurder mag enkel passagiers vervoeren indien zij beveiligd zijn overeenkomstig de regels bedoeld onder paragrafen 4 en volgende.   § 4. Volwassen passagiers, alsook [1 passagiers]1 van minder dan achttien jaar die minstens 135 cm groot zijn, moeten de veiligheidsgordel dragen op plaatsen die ermee uitgerust zijn.   § 5. In vierwielige bromfietsen, personenauto's, auto's voor dubbelgebruik, minibussen en bestelwagens is het gebruik van een geschikt kinderbeveiligingssysteem verplicht voor kinderen die kleiner zijn dan 135 cm.   Wanneer het na installatie van meerdere kinderbeveiligingssystemen, welke in gebruik zijn, niet meer mogelijk is nog een bijkomend kinderbeveiligingssysteem te installeren, dan mag één kind van drie jaar of ouder zonder kinderbeveiligingssysteem vervoerd worden op een zitplaats die zich niet vooraan in het voertuig bevindt, op voorwaarde dat de veiligheidsgordel wordt gedragen.   Wanneer in het voertuig geen of een onvoldoende aantal kinderbeveiligingssystemen aanwezig is, dan mogen kinderen van drie jaar of ouder zonder kinderbeveiligingssysteem vervoerd worden op een zitplaats die zich niet vooraan in het voertuig bevindt, indien tegelijkertijd aan de vier volgende voorwaarden is voldaan:   1° het gaat om occasioneel vervoer;   2° het gaat om vervoer over een korte afstand;   3° de zitplaats is uitgerust met een veiligheidsgordel, waarmee het kind moet beveiligd worden;   4° de bestuurder van het voertuig is geen ouder van het kind of heeft niet dezelfde hoofdverblijfplaats als het kind [1 of één van de ouders van het kind]1.   [1 Op zitplaatsen die niet uitgerust zijn met een veiligheidsgordel:    1° achteraan, is het verboden om een kind jonger dan drie jaar te vervoeren;    2° vooraan, is het verboden om een passagier jonger dan achttien jaar en kleiner dan 135 cm te vervoeren.]1   § 6. In taxi's is het gebruik van een kinderbeveiligingssysteem verplicht voor kinderen kleiner dan 135 cm indien er een in het voertuig aanwezig is.   Wanneer in het voertuig geen of een onvoldoende aantal kinderbeveiligingssystemen aanwezig is, dan mogen kinderen kleiner dan 135 cm zonder kinderbeveiligingssysteem vervoerd worden op een zitplaats die zich niet vooraan in het voertuig bevindt, op voorwaarde dat de veiligheidsgordel wordt gedragen.   § 7. In autobussen en autocars is het gebruik van de veiligheidsgordel verplicht voor kinderen kleiner dan 135 cm op plaatsen die ermee uitgerust zijn.   § 8. In vrachtauto's, trekkende voertuigen, kampeerwagens en landbouwvoertuigen is het gebruik van een geschikt kinderbeveiligingssysteem verplicht voor kinderen kleiner dan 135 cm.   § 9. Op twee- of driewielige bromfietsen, motorfietsen met een maximale cilinderinhoud van 125 cm3 en drie- en vierwielers met motor is het vervoer van kinderen jonger dan drie jaar verboden en het gebruik van een geschikt kinderbeveiligingssysteem verplicht voor kinderen jonger dan acht jaar.   § 10. Op motorfietsen met een cilinderinhoud van meer dan 125 cm3 is het vervoer van kinderen jonger dan acht jaar verboden.   § 11. Op een rijwiel moeten kinderen jonger dan drie jaar in een kinderbeveiligingssysteem vervoerd worden dat met minimum een gordel, voetsteunen en een rugleuning uitgerust is.   Ze moeten kunnen zitten met hun rug tegen de rugleuning zonder behulp van een veiligheidsgordel.   Op de uitrusting bedoeld in artikel 81, § 7, is het vervoer van kinderen jonger dan drie jaar verboden.   § 12. Aan de passagiers van voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, wordt de verplichting om de veiligheidsgordel te dragen op minstens één van de volgende manieren meegedeeld:   1° door de bestuurder;   2° door de controleur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon;   3° met behulp van audiovisuele middelen;   4° door opschriften of het onderstaand pictogram, duidelijk aangebracht op iedere zitplaats.      (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 20-09-2024, p. 108844)   [1 In dit geval voldoet de bestuurder aan § 3, tweede lid.]1   § 13. Worden vrijgesteld van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem:   1° de bestuurder van een taxi wanneer hij een klant vervoert;   2° de bestuurder en de passagiers van een prioritair voertuig wanneer personen worden vervoerd die een potentiële bedreiging vormen of in de onmiddellijke omgeving van de plaats van de interventie;   3° de passagiers van een prioritair voertuig wanneer ze de persoon verzorgen die wordt vervoerd of indien het niet mogelijk is omwille van de specifieke uitrusting;   4° de bezorgers wanneer zij in een bebouwde kom achtereenvolgens bij op maximum 500 m van elkaar gelegen plaatsen en met een maximale snelheid van 30 km/u, goederen afleveren of ophalen;   5° de personen die in het bezit zijn van een vrijstelling op grond van gewichtige medische tegenindicaties afgeleverd door de minister bevoegd voor het wegverkeer, of zijn gemachtigde, of, indien zij in het buitenland wonen, door de bevoegde instanties van hun land.   De verschuldigde vergoeding voor het aanvragen van een vrijstelling bedraagt 20 euro. Elk jaar op 1 januari, wordt dit bedrag aangepast aan de gezondheidsindex volgens de volgende formule: het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de oorspronkelijke index. De nieuwe index is de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bedrag zal worden aangepast. De oorspronkelijke index is de gezondheidsindex van november 2021. Het bekomen resultaat wordt afgerond naar de hogere euro indien het deel in decimalen groter of gelijk is aan 50 cent. De afronding gebeurt naar de lagere euro indien dit deel kleiner is dan 50 cent.   De minister bevoegd voor het wegverkeer stelt de modaliteiten van afgifte, de modaliteiten voor de betaling van de retributie, de geldigheidsduur en het model van de vrijstelling vast.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 27, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  3. Art. 43 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 4. - Zitplaatsen en veiligheidsuitrusting.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 43.Gebruik van de valhelm en beschermende kleding.   § 1. De bestuurders en passagiers van de volgende voertuigen zonder passagiersruimte moeten [1 een goedgekeurde valhelm, geschikt voor het gebruikte voertuig,]1 dragen op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt:   1° de bromfietsen klasse A en B;   2° de motorfietsen;   3° de drie- en vierwielers met motor;   4° [1 de landbouwvoertuigen met een lege massa lager dan 400 kg, of 550 kg voor voertuigen gebruikt voor het goederenvervoer, uitgezonderd landbouwvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 40 km per uur die niet zijn uitgerust met een stuur zoals op een motorfiets;]1   5° de speedpedelecs. Echter, de bestuurders en passagiers van speedpedelecs hebben de keuze tussen een bromfietshelm of een fietshelm.   [2 6° gemotoriseerde voortbewegingstoestellen met een door constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 20 km per uur. Echter, de bestuurders en passagiers van deze voortbewegingstoestellen hebben de keuze tussen een bromfietshelm of een fietshelm.]2   De fietshelm, gedragen door bestuurders en passagiers van speedpedelecs [2 of van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen met een door constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 20 km per uur]2, moet bescherming bieden aan de slapen en het achterhoofd.   [2 Het eerste lid, 6° en het tweede lid zijn niet van toepassing op personen met een verminderde mobiliteit die gemotoriseerde voortbewegingstoestellen gebruiken die uitsluitend voor hen zijn bestemd.]2   § 2. De bestuurders en passagiers van motorfietsen en van drie- en vierwielers met motor met passagiersruimte moeten een valhelm dragen, behalve wanneer zij de veiligheidsgordel dragen of vervoerd worden in een kinderbeveiligingssysteem.   Wanneer iemand vrijgesteld is van het verplicht gebruik van de veiligheidsgordel en het kinderbeveiligingssysteem, moet de valhelm worden gedragen.   § 3. Bestuurders en passagiers van motorfietsen dragen handschoenen, een jas met lange mouwen en een lange broek of een overall, alsook laarzen of bottines die de enkels beschermen.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 28, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>   (2)<KB 2026-08-27/01, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 44 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 5. - Gebruik van de lichten, geluidstoestellen en andere systemen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 44.Gebruik van de lichten: voertuigen en weggebruikers die de openbare weg volgen.   § 1. Het is verboden andere lichten te gebruiken dan die welke in deze code of in de technische reglementen van de auto's of van de bromfietsen en motorfietsen voorgeschreven of voorzien zijn.   § 2. De lichten mogen de andere weggebruikers niet verblinden.   § 3. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden waarin het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 200 m, worden de hierna vermelde lichten gebruikt:   1° een georganiseerde groep voetgangers zoals bedoeld in artikel 38, § 1, die de rijbaan volgt:   a) vooraan links, een wit of geel licht;   b) achteraan links, een rood licht; een licht van dezelfde kleur mag rechts gedragen worden;   c) de flanken van die groepen moeten, indien dat wegens hun lengte vereist is, door één of meer witte of gele lichten worden gesignaleerd, die in alle richtingen moeten zichtbaar zijn.   De lichten bedoeld in de bepalingen onder a), b) en c) mogen worden vervangen door retro-reflecterende veiligheidsvesten die zichtbaar gedragen worden door alle deelnemers van die groep.   De verplichting de lichten bedoeld in de bepalingen onder a), b) en c) te gebruiken geldt niet tijdens maneuvers voor afdelingen van militaire kolonnes bestaande uit een op mars zijnde troep. In dat geval bepaalt de minister van Landsverdediging of zijn gemachtigde welke voorzorgen de militaire overheden moeten nemen om de veiligheid van het verkeer te verzekeren;   2° rijwielen:   Bestuurders van rijwielen moeten vooraan en achteraan ten minste één niet-verblindend vast licht of knipperlicht voeren. Vooraan moet het licht wit of geel zijn, achteraan rood.   Bestuurders van rijwielen mogen bijkomend gebruik maken van witte, gele of oranje zijdelingse signalisatiemiddelen;   3° motorvoertuigen:   a) vooraan, de dimlichten of de grootlichten, die gelijktijdig mogen gebruikt worden. De grootlichten moeten echter gedoofd en door de dimlichten vervangen worden:   i) bij het naderen van een tegemoetkomende weggebruiker, op de nodige afstand opdat deze laatste zijn weg gemakkelijk en zonder gevaar zou kunnen voortzetten;   ii) bij het naderen van een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman door de grootlichten zou kunnen verblind worden;   iii) wanneer het voertuig een ander voertuig op korte afstand volgt, behalve wanneer het nodig is voor het inhalen;   iv) wanneer de rijbaan onafgebroken en voldoende verlicht is zodat de bestuurder in staat is tot op een afstand van ongeveer 100 m duidelijk te zien;   b) achteraan, de rode lichten;   4° aanhangwagens, voor zover zij met lichten moeten uitgerust zijn:   a) vooraan, twee witte lichten;   b) achteraan, de rode lichten;   De bepaling onder b) is ook van toepassing voor defecte voertuigen die gesleept worden.   De door rijwielen getrokken aanhangwagens moeten een rood licht voeren wanneer hun omvang het rood licht van het rijwiel onzichtbaar maakt;   5° gespannen, handkarren, niet-ingespannen trek-, last- of rijdieren en vee:   a) vooraan, een wit of geel licht;   b) achteraan, een rood licht.   Deze lichten mogen [1 door één enkel toestel worden uitgestraald]1, dat links geplaatst of gedragen wordt, behalve in de volgende gevallen:   a) indien het gespan een ander voertuig trekt;   b) indien een kudde bestaat uit zes of meer dieren.   § 4. Wanneer het voertuig voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist, sneeuwval of felle neerslag die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m. Deze lichten mogen in geen andere omstandigheden gebruikt worden.   De voormistlichten mogen slechts gebruikt worden bij mist, sneeuwval of felle neerslag die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan ongeveer 100 m. Zij mogen de dimlichten of de grootlichten vervangen, of gelijktijdig met deze lichten branden.   § 5. Specifieke bepalingen:   1° het dimlicht en het rode achterlicht van de tweewielige bromfietsen [1 , de motorfietsen, en hun aanhangwagens]1 die op de openbare weg rijden, moeten bestendig gebruikt worden. Indien het voertuig voorzien is van dagrijlichten mogen die het dimlicht vervangen;   2° voertuigen die meer dan 2,55 m breed zijn gebruiken, buiten de lichten voorgeschreven in de bepalingen onder paragraaf 3, 3°, 4°, 5° en paragraaf 4, de omtreklichten. Deze lichten worden vooraan, achteraan, aan weerszijden en, in voorkomend geval, aan de uiterste zijdelingse uitstekken van het voertuig geplaatst. De lichten die vooraan zichtbaar zijn moeten wit zijn, die welke achteraan zichtbaar zijn, rood;   3° konvooien van legervoertuigen gebruiken, zowel tijdens de dag als de nacht, de dimlichten of de grootlichten indien het gebruik van deze laatste is toegestaan[1 ;]1   [1 4° voetgangers mogen gebruik maken van signalisatiemiddelen.]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 45 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 5. - Gebruik van de lichten, geluidstoestellen en andere systemen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 45. Gebruik van de lichten bij het stilstaan of parkeren.   § 1. Wanneer het voertuig is geparkeerd of stilstaat op de rijbaan tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden waarin het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer 100 m, worden de hierna vermelde lichten gebruikt:   1° de stand- of de dimlichten voor de motorvoertuigen, met uitzondering van de tweewielige bromfietsen;   2° de parkeerlichten mogen gebruikt worden in plaats van de in 1° vermelde lichten indien het voertuig evenwijdig met de as van de rijbaan is geplaatst en er geen aanhangwagen aan gekoppeld is.   Alleen het parkeerlicht dat zich aan de kant van de aslijn van de rijbaan bevindt, mag gebruikt worden.   § 2. de auto of aanhangwagen waarvan de verlichtings- of signalisatiemiddelen defect zijn moet overeenkomstig artikel 52, § 3, gesignaleerd worden.   § 3. De andere dan de in paragraaf 1 bedoelde voertuigen en de andere weggebruikers die stilstaan of parkeren op de rijbaan moeten dezelfde lichten gebruiken als die voorgeschreven zijn wanneer zij de openbare weg volgen.   Wanneer die lichten, om technische redenen, niet kunnen gebruikt worden, moeten zij vervangen worden, aan de kant van de aslijn van de rijbaan, door een wit of geel licht vooraan en een rood licht achteraan.   § 4. Bij mistig weer, sneeuwval of felle neerslag, mogen de voor- en achtermistlichten gebruikt worden.   § 5. Het gebruik van de in dit artikel vermelde lichten tijdens het parkeren is niet verplicht binnen de bebouwde kom.
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 46 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 5. - Gebruik van de lichten, geluidstoestellen en andere systemen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 46.Gebruik van de oranje-gele knipperlichten en zoeklichten.   § 1. De oranje-gele knipperlichten mogen slechts gebruikt worden:   1° gedurende de tijd dat de voertuigen uitgerust met deze lichten werkelijk gebruikt worden voor de taken waarvoor zij ermee mogen uitgerust zijn overeenkomstig het technisch reglement van de auto's;   2° wanneer de aanwezigheid van die voertuigen op de openbare weg een hinder of gevaar voor het verkeer vormt.   § 2. Gebruik door bepaalde categorieën van weggebruikers:   1° takelwagens:   de oranje-gele knipperlichten van deze voertuigen moeten gebruikt worden:   a) op de plaats van het depanneren;   b) tijdens het wegslepen;   c) wanneer ze gebruik maken van de pechstrook of de spitsstrook in het geval bedoeld in artikel 9, § 4, 3° ;   d) wanneer ze op de reddingsstrook rijden.   Buiten die omstandigheden mogen zij niet gebruikt worden;   2° landbouwvoertuigen:   de oranje-gele knipperlichten van deze voertuigen moeten gebruikt worden:   a) tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag;   b) in alle omstandigheden wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een afstand van ongeveer [1 200]1 m;   c) op openbare wegen met meer dan twee rijstroken;   3° voertuigen van personen of diensten die worden opgeroepen door het openbaar ministerie, de federale of lokale politie:   de oranje-gele knipperlichten van deze voertuigen moeten gebruikt worden wanneer zij gebruik maken van de pechstrook, de spitsstrook in het geval bedoeld in artikel 9, § 4, 2° of de reddingsstrook;   4° het openings- en sluitingsvoertuig, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 28 juni 2019 tot reglementering van de wielerwedstrijden en van de alleterreinwedstrijden:   de oranje-gele knipperlichten van deze voertuigen moeten tijdens de wielerwedstrijd gebruikt worden.   § 3. De oranje-gele knipperlichten moeten zodanig zijn geplaatst dat zij in alle richtingen zichtbaar zijn.   § 4. Zoeklichten en tijdens het werk te gebruiken projectoren mogen slechts gebruikt worden wanneer het volstrekt noodzakelijk is.   Deze lichten mogen in geen geval de andere weggebruikers hinderen.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 30, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 47 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 5. - Gebruik van de lichten, geluidstoestellen en andere systemen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 47.Gelijktijdig gebruik van de richtingaanwijzers.   De inrichting die toelaat al de richtingaanwijzers van een voertuig gelijktijdig te laten werken, mag slechts gebruikt worden:   1° door de voertuigen voor schoolvervoer wanneer kinderen in- of uitstappen;   2° bij het signaleren van een ongeval of een defect voertuig;   3° om de andere weggebruikers te wijzen op gevaar voor een ongeval of het naderen van een file;   4° door motorfietsers die tussen de rijstroken rijden overeenkomstig artikel 17, § 2, 6°[1 ;]1   [1 5° bij gebruik van een beweegbaar laadplatform of enig ander achteraan aan het voertuig bevestigd middel bestemd om het laden en lossen te vergemakkelijken en van beweegbare bedieningstoestellen.]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 48 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 5. - Gebruik van de lichten, geluidstoestellen en andere systemen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 48. Gebruik van geluidstoestellen.   Het is verboden andere geluidstoestellen te gebruiken dan die welke voorzien zijn in deze code of in de technische reglementen van de auto's of van de bromfietsen en motorfietsen.   Geluidssignalen moeten zo kort mogelijk zijn. Zij zijn alleen toegelaten om een noodzakelijke waarschuwing te geven om een ongeval te voorkomen en buiten de bebouwde kommen, wanneer het aangewezen is een bestuurder die men wil inhalen, te waarschuwen.   Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, behalve bij dreigend gevaar, moeten de geluidssignalen vervangen worden door een signaal met de grootlichten.
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 49 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 5. - Gebruik van de lichten, geluidstoestellen en andere systemen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 49. Gebruik van de systemen voor indirect zicht.   De bestuurder moet de systemen voor indirect zicht zo instellen dat hij van zijn zitplaats het verkeer achter en aan de zijkanten kan gadeslaan.
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 50 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 5. - Gebruik van de lichten, geluidstoestellen en andere systemen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 50. Gebruik van een beweegbaar laadplatform of een beweegbaar bedieningstoestel.   § 1. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een beweegbaar laadplatform of enig ander achteraan aan het voertuig bevestigd middel bestemd om het laden en lossen te vergemakkelijken, moeten ten minste de buitenste hoeken ten behoeve van de andere weggebruikers worden gesignaleerd:   1° hetzij met retro-reflecterende stroken die hieraan vastgemaakt zijn;   2° hetzij met retro-reflecterende verkeerskegels;   3° hetzij met oranje-gele knipperlichten.   Deze signalisatiemiddelen mogen samen gebruikt worden. Zij moeten in alle omstandigheden zichtbaar zijn.   § 2. Wanneer gebruik gemaakt wordt van beweegbare bedieningstoestellen dan moet het werkgebied gesignaleerd worden:   1° hetzij met retro-reflecterende verkeerskegels;   2° hetzij met één of meer draagbare oranje-gele knipperlichten.   Deze signalisatiemiddelen mogen samen gebruikt worden. Zij moeten in alle omstandigheden zichtbaar zijn.   § 3. De retro-reflecterende stroken vermeld onder paragraaf 1, 1°, moeten een oppervlakte hebben van minimum 0,120 m2 met een breedte van minimum 0,25 m. Zij moeten voorzien zijn van diagonale afwisselend rode en witte strepen van ten minste 0,10 m breedte.   De retro-reflecterende verkeerskegels vermeld onder paragraaf 1, 2°, en paragraaf 2, 1°, moeten ten minste 0,40 m hoog zijn en voorzien van afwisselend rode en witte strepen van ten minste 0,10 m breedte.
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 51 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 5. - Gebruik van de lichten, geluidstoestellen en andere systemen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 51. Gebruik van aerodynamische voorzieningen.   Het is verboden andere aerodynamische voorzieningen te gebruiken dan die welke in het technisch reglement van de auto's voorgeschreven of voorzien zijn.   Deze voorzieningen moeten ingeklapt, ingetrokken of verwijderd worden binnen de bebouwde kommen en in de gevallen voorzien in de uitvoeringsverordening (EU) 2019/1916 van de Commissie van 15 november 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen betreffende het gebruik van de aerodynamische voorzieningen krachtens Richtlijn 96/53/EG van de Raad.
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 52 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 6. - Bijzondere omstandigheden.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 52.Ongeval of defect voertuig.   § 1. De bestuurder van een defect voertuig of elk persoon betrokken in een ongeval neemt, zonder zichzelf daarbij in gevaar te brengen, de nodige maatregelen om de veiligheid en de vlotte doorstroming van het verkeer te verzekeren.   Daartoe moet hij het voertuig opstellen zoals een geparkeerd voertuig.   Het voertuig moet niet verplaatst worden wanneer het een ongeval met gewonden betreft.   § 2. Wanneer een [1 voertuig]1 of een door dit voertuig getrokken aanhangwagen niet kan worden verplaatst of slechts kan worden opgesteld op een plaats waar het stilstaan en het parkeren verboden zijn, moet de bestuurder, indien mogelijk, alle richtingaanwijzers gelijktijdig inschakelen.   Daarenboven mag de bestuurder gebruik maken van andere signalisatiemiddelen, onder meer door een draagbaar oranje-geel knipperlicht te plaatsen.   § 3. Indien het onmogelijk is om alle richtingaanwijzers gelijktijdig in te schakelen, moet de gevarendriehoek goed zichtbaar worden geplaatst in de richting van het naderende verkeer waarvoor het voertuig een gevaar betekent.   De gevarendriehoek wordt rechtop geplaatst op een afstand van het voertuig van ongeveer:   1° 100 m op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting, voor zover de rijrichtingen anders dan door wegmarkeringen gescheiden zijn;   2° 30 m op de andere openbare wegen.   Op plaatsen waar deze afstanden niet kunnen in acht genomen worden, mag de gevarendriehoek op een kleinere afstand en eventueel op het voertuig geplaatst worden.   Wanneer een lading geheel of gedeeltelijk op de openbare weg valt en niet onmiddellijk kan worden weggeruimd moet de bestuurder eveneens de nodige maatregelen nemen om de veiligheid en vlotheid van het verkeer te verzekeren en de hindernis signaleren zoals hierboven bepaald.   § 4. Wanneer op autosnelwegen, autowegen en in de tunnels de bestuurder van een defect voertuig, een voertuig betrokken in een ongeval of ingeval van ladingverlies op een plek terechtkomt waar hij niet mag stilstaan of parkeren, moet hij een retro-reflecterende veiligheidsvest dragen, zodra hij zijn voertuig verlaat.   § 5. Is de bestuurder afwezig, weigert hij of is hij niet in staat om de bevelen van de in artikel 3 van dit besluit bevoegde personen op te volgen, dan mag de bevoegde persoon ambtshalve voor de verplaatsing van het voertuig en de lading zorgen.   Op autowegen en autosnelwegen zorgt de bevoegde persoon steeds ambtshalve voor de verplaatsing van het voertuig en de lading.   De verplaatsing gebeurt op risico en kosten van de bestuurder en de burgerlijk aansprakelijke personen.   § 6. Elke persoon betrokken in een ongeval dat uitsluitend stoffelijke schade heeft veroorzaakt, moet:   1° indien hij meer dan vijftien jaar oud is, zijn identiteitskaart of het als zodanig geldend bewijs vertonen aan andere in het ongeval betrokken personen die er hem om vragen;   2° ter plaatse blijven om gezamenlijk de nodige vaststellingen te doen, of, zo er tussen de partijen geen akkoord is, de politie toe te laten die vaststellingen te doen. Wanneer de politie zich niet naar de plaats van het ongeval kan begeven, mogen de betrokken personen zodra mogelijk aangifte doen van het ongeval, hetzij op het dichtstbij gelegen politiebureau, hetzij op dat van hun woon- of verblijfplaats;   3° indien één van de betrokken personen een niet begeleide minderjarige is, de politie contacteren zodat de politie de nodige vaststellingen kan doen.   Zo een partij die schade geleden heeft niet aanwezig is, moeten de bij het ongeval betrokken personen, indien mogelijk, ter plaatse hun naam en adres achterlaten, en in elk geval moeten zij deze inlichtingen zo snel mogelijk aan de politie mededelen.   § 7. Elke persoon betrokken in een ongeval met gewonden, moet:   1° in de mate van het mogelijke en zonder zichzelf daarbij in gevaar te brengen, hulp verlenen aan de gewonden en indien ze niet mogen verplaatst worden de nodige maatregelen nemen om hun veiligheid te garanderen;   2° indien hij meer dan vijftien jaar oud is, zijn identiteitskaart of het als zodanig geldend bewijs vertonen aan andere in het ongeval betrokken personen die er hem om vragen;   3° de politie verwittigen en ter plaatse blijven zodat de politie de nodige vaststellingen kan doen. Onttrekt zich niet aan de verplichting ter plaatse te blijven, de persoon die zich tijdelijk van de plaats van het ongeval verwijdert om hulp te verlenen aan de gekwetsten of om beroep te doen op de politie, na zijn naam en adres aan een van de eventueel aanwezige personen te hebben opgegeven. Wanneer de politie zich niet naar de plaats van het ongeval kan begeven, onttrekt de persoon die zich van de plaats van het ongeval verwijdert zich evenmin aan de verplichting ter plaatse te blijven.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 32, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 53 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 6. - Bijzondere omstandigheden.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 53. Sportwedstrijden, snelheids-wedstrijden en demonstraties van rijvaardigheden.   Behoudens toelating van de bevoegde overheid zijn verboden op de openbare weg, alle snelheids-, sportwedstrijden, regelmatigheidsritten en demonstraties van rijvaardigheden.
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 54 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 6. - Bijzondere omstandigheden.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 54. Experimenten.   De minister bevoegd voor het Wegverkeer of diens afgevaardigde kan in het kader van experimenten of pilootprojecten, bij wijze van uitzondering, onder de door hem vastgestelde voorwaarden en beperkt in de tijd, afwijkingen toestaan op de bepalingen van deze code reglement.
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 55 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 7. - Diverse en afwijkende bepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 55.Diverse en afwijkende bepalingen.   § 1. De bepalingen van artikel 8, § 2, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° en 10°, gelden niet voor de militairen in dienst.   § 2. De bepalingen van artikel 7, § 3, gelden niet voor de bevoegde personen, bedoeld in artikel 3, wanneer hun opdracht het rechtvaardigt.   § 3. Voor zover de behoeften van de dienst of van hun opdracht het rechtvaardigen, gelden de regels voor toelating en verkeer op de autosnelwegen en autowegen, vermeld in artikel 24 en 25, niet voor:   1° de personeelsleden belast met een opdracht van politie, van toezicht of van beheer van de autosnelweg of autoweg en voor de bestuurders van het materieel van de administratie;   2° de aannemers, de vergunninghouders en de concessiehouders, voor de leden van hun personeel en voor de bestuurders van het materieel van voormelde personen, gemachtigd door de minister, bevoegd voor de wegeninfrastructuur en het wegenbeleid, of zijn gemachtigde.   § 4. De bepalingen van de artikelen 7, § 1, 9, § 2, eerste, tweede en derde lid, 9, § 4, 9, § 5, 10, § 1 tot 5, 20, 21, 22, [1 ...]1 28, § 1, 29, § 1, 30, § 1, 31, § 1, 40, § 1 en 74, § 5, 2° gelden niet voor de voertuigen voor toezicht, controle en onderhoud van het wegennet, als de aard van hun opdracht het rechtvaardigt.   [1 § 5. De bepalingen van de artikelen 7, § 1, voor wat betreft het hinderen van de andere weggebruikers, 20, 21, 28, § 1, 29, § 1, 30, § 1 en 31, § 1 gelden niet voor de voertuigen voor het wegruimen van vuilnis als de aard van hun opdracht het rechtvaardigt.]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 33, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 56 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 8. - Verkeerstekens. / Afdeling 1. - Algemeen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 56. Algemeen.   De verkeerstekens worden in drie categorieën ingedeeld:   1° verkeerslichten;   2° verkeersborden;   3° wegmarkeringen.
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 57 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 8. - Verkeerstekens. / Afdeling 2. - Verkeerslichten.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 57.Cirkelvormige verkeerslichten, pijlvormige verkeerslichten en fietserslichten.   § 1. [1 De bestuurder moet de verkeerslichten in acht nemen die zich rechts van of boven het gevolgde weggedeelte bevinden.]1   § 2. De verkeerslichten hebben de volgende betekenis:   1° rood licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, wanneer er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden;   2° vast oranje-geel licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, wanneer er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf voorbij te rijden, tenzij de bestuurder bij het aangaan van dat licht zo dicht genaderd is dat hij niet meer op voldoende veilige wijze kan stoppen;   3° groen licht betekent dat het verkeerslicht mag voorbijgereden worden.   § 3. De pijlvormige verkeerslichten die de cirkelvormige verkeerslichten vervangen of aanvullen hebben de volgende betekenis:   1° de pijlvormige verkeerslichten hebben dezelfde betekenis als de cirkelvormige lichten maar het verbod of de toelating is beperkt [1 tot de richting of richtingen die door de pijl of pijlen aangegeven worden]1;   [1 Voorbeeld:       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37946)]1   2° de oranje-gele knipperende pijl betekent dat alleen in de richting die door de pijl wordt aangeduid mag voortgereden worden, op voorwaarde dat voorrang verleend wordt aan de voetgangers en aan de bestuurders die op regelmatige wijze uit andere richtingen komen;   [1 Voorbeeld:       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37946)]1   3° [1 De pijlvormige verkeerslichten gelden voor de bestuurders die rijden in de aangeduide richting. Voor hen primeren deze lichten op de driekleurige cirkelvormige verkeerslichten.]1   § 4. Fietserslichten:   1° [1 wanneer de lichten het verlichte fietssilhouet voorstellen, gelden deze lichten slechts voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Voor hen primeren deze lichten op de driekleurige cirkelvormige en pijlvormige verkeerslichten;]1   [1 Voorbeeld:       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37947)]1   2° wanneer het groene, oranje-gele of rode fietssilhouet omringd is door pijlen betekent dit dat voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen gelijktijdig groen, oranje-geel of rood geldt voor alle richtingen;   [1 Voorbeeld:       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37947)]1   3° wanneer een bijkomend oranje-geel knipperend licht met een fietssilhouet en met een oranje-gele knipperende pijl tegelijk met een rood licht of een oranje-geel licht brandt, betekent dit dat fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen alleen [1 in de richting of richtingen die door de pijl of pijlen worden aangegeven]1 mogen verder rijden, op voorwaarde dat voorrang verleend wordt aan de voetgangers en aan de bestuurders die op reglementaire wijze uit andere richtingen komen.   [1 Voorbeeld:       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37947)]1   § 5. Het rode licht wordt bovenaan geplaatst, het oranje-gele licht in het midden en onderaan het groene licht.   § 6. De lichten volgen elkaar op als volgt:   1° het oranje-gele licht verschijnt na het groene licht;   2° het rode licht verschijnt na het oranje-gele licht;   3° het groene licht verschijnt na het rode licht.   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 34, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  18. Art. 58 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 8. - Verkeerstekens. / Afdeling 2. - Verkeerslichten.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 58.Ontruimingspijl op een kruispunt.   Een naar links gerichte groene pijl, afzonderlijk geplaatst bij het uitrijden van een kruispunt, betekent dat het tegenliggend verkeer op de rijbaan die de bestuurders bij het links afslaan gaan verlaten, tegengehouden wordt door een rood licht om het ontruimen van het kruispunt te vergemakkelijken.   [1 (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37947)]1   Een naar links gerichte oranje-geel knipperende pijl, afzonderlijk geplaatst bij het uitrijden van een kruispunt, betekent dat het tegenliggend verkeer op de rijbaan die de bestuurders bij het links afslaan gaan verlaten, niet tegengehouden wordt door een rood licht.   [1 (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37947)]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 35, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  19. Art. 59 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 8. - Verkeerstekens. / Afdeling 2. - Verkeerslichten.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 59.[1 Bijzondere verkeerslichten]1 boven de rijstroken of andere delen van de openbare weg.   De verkeerslichten boven de rijstroken of andere delen van de openbare weg hebben de volgende betekenis:   1° het rode licht dat de vorm heeft van een kruis, betekent verboden richting op de rijstrook of op het deel van de openbare weg, behalve in de gevallen bedoeld in artikel 9, § 4;   [1 (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37948)]1   2° het groene licht dat de vorm heeft van een naar onder gerichte pijl betekent toegelaten richting op de rijstrook of het deel van de openbare weg;   [1 (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37948)]1   3° het oranje-geel licht, eventueel knipperend, dat de vorm heeft van een schuin naar onder gerichte pijl betekent verboden richting, behalve om de rijstrook of het deel van de openbare weg te verlaten in de richting die door de pijl wordt aangegeven, en behalve in de gevallen bedoeld in artikel 9, § 4.   [1 Voorbeeld:       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37948)]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 36, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  20. Art. 60 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2024060312 / HOOFDSTUK 8. - Verkeerstekens. / Afdeling 2. - Verkeerslichten.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 60.[1 Bijzondere verkeerslichten voor het regelen van het verkeer van voertuigen die gebruik maken van een busbaan.    De bestuurders die gebruik maken van de busbaan moeten de verkeerslichten in de vorm van een balk, een cirkel en een driehoek, in het wit op een zwarte achtergrond, in acht nemen.    Zij hebben de volgende betekenis:    1° een horizontale balk heeft dezelfde betekenis als het rood licht bedoeld in artikel 57, § 2, 1° ;       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37948)    2° een cirkel heeft dezelfde betekenis als het vast oranje-geel licht bedoeld in artikel 57, § 2, 2° ;       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37948)    3° een omgekeerde driehoek heeft dezelfde betekenis als het groen licht bedoeld in artikel 57, § 2, 3° ;       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37948)    4° een verticale balk geeft de toelating om alleen rechtdoor te rijden;       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37949)    5° een 45° schuin naar links of naar rechts gerichte balk geeft de toelating om alleen in de richtingen die door de balk worden aangeduid te rijden;       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 15-07-2026, p. 37949)    6° een knipperende cirkel heeft dezelfde betekenis als een oranje-geel knipperlicht bedoeld in artikel 62, § 1.    Wanneer een bijkomend oranje-geel knipperend licht, met een fietssilhouet en een oranje-gele knipperende pijl tegelijk met een horizontale balk of een cirkel brandt, betekent dit dat fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen alleen in de richting die door de pijl wordt aangeduid mogen verder rijden, op voorwaarde dat voorrang verleend wordt aan de voetgangers en aan de bestuurders die op reglementaire wijze uit andere richtingen komen.]1   ----------   (1)<KB 2026-06-30/09, art. 37, 002; Inwerkingtreding : 16-07-2026>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗