Geldboete en strafniveau
Artikel 38 koppelt de hoofdstraffen voor rechtspersonen aan acht niveaus. De geldboete is daarin een belangrijk instrument; op de laagste niveaus bestaan ook andere hoofdstraffen. Artikel 52 regelt daarnaast de geldboete als hoofdstraf of, binnen wettelijke grenzen, als bijkomende straf.
Voor een bestuurder als natuurlijke persoon geldt het eigen kader van artikel 36. Het bedrag voor de rechtspersoon mag dus niet worden overgenomen als persoonlijk risico van de bestuurder. Eerst moeten de strafbaarstelling, het juiste niveau en de individuele betrokkenheid vaststaan.
Verbeurdverklaring en voordeel
Artikel 53 noemt onder meer voorwerpen van het misdrijf, gebruikte zaken, opbrengsten en daaruit verkregen vermogensvoordelen. Artikel 54 kent onder voorwaarden een verruimde verbeurdverklaring. Die regelingen verschillen van een gewone geldboete: zij richten zich op bepaalde goederen of voordelen.
Artikel 55 laat, wanneer het misdrijf op vermogensvoordeel was gericht en de bijkomende boete ontoereikend is, een geldstraf toe die op het verwachte of behaalde voordeel wordt gebaseerd. De tekst stelt voorwaarden en grenzen; een opbrengst leidt niet automatisch tot deze straf.
Een bruikbare risicoanalyse
Stel bij een vermeende inbreuk vier vragen: wie kan dader zijn, welk strafniveau hoort bij de inbreuk, welke vermogensbestanddelen zijn betrokken en welke bijkomende straffen laat de wet toe? Controleer ook of bijzondere wetgeving een eigen sanctieregel bevat.
Vergelijk voor feiten van vóór 1 september 2026 de toepasselijke oude en nieuwe regels volgens artikel 2. Een algemene stelling dat alle ondernemingen voortaan hogere boetes krijgen, volgt niet uit deze bepalingen; de uitkomst hangt van de feiten en wettelijke kwalificatie af.