Gratis brononderzoek

Uitvoeringsregels wapens

Vijf besluiten over vergunningen, modellen, bewaring, vervoer, wettige redenen, laders en wapencategorieën.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-07 · Bijgewerkt volgens bron: 2019-09-25

Open officiële bron ↗
Afzonderlijke brononderdelen

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

126 bronvarianten

  1. Art. 16 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke en overgangsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 16. § 1. De procedure bedoeld in artikel 44, § 1, van de Wapenwet verloopt als volgt :   1° het ongeladen, gedemonteerd en verpakt wapen wordt overhandigd aan de lokale politie die onmiddellijk aan de hand van de karakteristieken ervan nagaat of het niet wordt gezocht of staat geseind. Zoniet wordt de betrokkene vrijgesteld van vervolging en krijgt hij een ontvangstbewijs;   2° er wordt een aanvraag om de nodige vergunning opgesteld overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie;   3° de aanvraag wordt doorgestuurd naar de bevoegde gouverneur;   4° de lokale politie houdt het wapen in bewaring tot de gouverneur een vergunning afgeeft. Bij weigering daarvan moet de betrokkene binnen een maand na deze beslissing aan de lokale politie laten weten aan welke erkende persoon hij het wapen wil in bewaring geven of overdragen, of dat hij het wil laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, of het wil afstaan voor vernietiging. Indien hij zijn keuze niet tijdig bekendmaakt, wordt hij geacht vrijwillig afstand te doen van het wapen.   § 2. De registratie van wapens bedoeld in artikel 44, § 2, van de Wapenwet verloopt als volgt :   1° het ongeladen, gedemonteerd en verpakt wapen wordt voorgelegd aan de lokale politie;   2° indien de betrokkene houder is van een document zoals bedoeld in artikel 12, 1ste lid, 1° of 2°, van de Wapenwet registreert de lokale politie het wapen onmiddellijk en kosteloos in het Centraal wapenregister en levert hem een formulier model nr. 9 af, waarvan de vermeldingen worden aangepast overeenkomstig richtlijnen van de Minister van Justitie;   3° zoniet gaat de lokale politie na of hij aan de wettelijke voorwaarden voor registratie voldoet. Is dit het geval, dan wordt het wapen op zijn naam geregistreerd en wordt hem een formulier model nr. 6 afgegeven, en een vergunningsaanvraag wordt doorgestuurd naar de bevoegde gouverneur. De betrokkene mag het wapen voorhanden hebben in afwachting van de beslissing. Wordt de registratie geweigerd, dan moet de betrokkene het wapen binnen acht dagen na deze beslissing in bewaring geven of overdragen aan een erkend persoon, het laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, of het afstaan voor vernietiging.
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 16/1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke en overgangsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 16/1. [1 De procedure bedoeld in artikel 45/1 van de Wapenwet verloopt zoals hierna bepaald.    § 1. De aangifte van vergunningsplichtige wapens, munitie of laders vindt plaats bij de lokale politie bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever.    De aangever begeeft zich met het ongeladen, gedemonteerde en verpakte wapen of de lege en verpakte lader of de afzonderlijk van het wapen verpakte munitie naar de lokale politie bevoegd voor zijn verblijfplaats, na voorafgaande kennisgeving.    § 2. Indien tijdens de aangifteperiode bepaald in paragraaf 9 een vergunningsplichtig wapen, munitie of een lader wordt aangegeven, overhandigt de lokale politie bevoegd voor de verblijfplaats aan de betrokkene een aangiftebewijs dat wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen of hun gemachtigden. Het aangiftebewijs wordt, naargelang het geval, omschreven in de volgende paragrafen, opgemaakt volgens het formulier model nr. 6A, waarvan het model wordt opgenomen in bijlage 2 van dit besluit, of het formulier nr. 10A, waarvan het model wordt opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit.    § 3. De lokale politie van de verblijfplaats kan het wapen in beslag nemen indien uit de controle, uitgevoerd naar aanleiding van de aangifte, blijkt dat het wapen staat geseind, tenzij de reden van de seining niet langer actueel is. De lokale politie levert in zulks geval bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 10A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Op het aangiftebewijs wordt aangeduid dat het wapen in beslag wordt genomen omdat het staat geseind.    § 4. De lokale politie van de verblijfplaats kan het wapen, de munitie of de lader in beslag nemen indien uit de controle, uitgevoerd naar aanleiding van de aangifte, blijkt dat de aangever niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 45/1, § 4 van de Wapenwet. In zulks geval levert de lokale politie bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 10A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Op het aangiftebewijs wordt aangeduid dat het wapen, de munitie of de lader in beslag wordt genomen omdat de aangever niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 45/1, § 4 van de Wapenwet.    § 5. De aangifte met het oog op de aanvraag van een erkenning, een vergunning of een registratie verloopt als volgt:    Indien de aangever een erkend persoon is bedoeld in artikel 5 van de Wapenwet die zijn erkenning formulier model nr. 2 wenst uit te breiden naar laders of indien de aangever een erkenning formulier model nr. 2 overeenkomstig artikel 5 van de Wapenwet wenst te verkrijgen die geldig is voor laders, dient hij hiertoe een aanvraag in bij de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats.    Indien het vorige lid niet van toepassing is, wordt het wapen door de lokale politie van de verblijfplaats op naam van de aangever geregistreerd in het centraal wapenregister. De lokale politie levert bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 6A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever.    De aangever die niet onder het tweede lid valt en die houder is van een jachtverlof of een sportschutterslicentie en het wapen naargelang het geval wordt bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1° of 2° van de Wapenwet, ontvangt een aangiftebewijs waarop wordt aangeduid dat een registratie op basis van een formulier model nr. 9 wordt gevraagd. Hij mag het wapen voorhanden houden in afwachting van de ontvangst van het formulier model nr. 9.    De aangever die niet onder het tweede lid valt en die geen houder is van een jachtverlof of een sportschutterslicentie, waarvan het wapen naargelang het geval niet overeenstemt met deze bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1° of 2° van de Wapenwet, ontvangt een aangiftebewijs waarop wordt aangeduid dat een erkenning formulier model nr. 3 of een vergunning formulier model nr. 4 wordt aangevraagd. De lokale politie stuurt het aangiftebewijs, dat geldt als aanvraag van een erkenning of een vergunning, door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever of - in geval een erkenning wordt gevraagd - de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. Het aangiftebewijs vermeldt het resultaat van het controleonderzoek dat de lokale politie in zulks geval uitvoert alsook de plaats waar het wapen zal worden bewaard in afwachting van de beslissing van de gouverneur. Tijdens dit controleonderzoek gaat de lokale politie na of de aangever meerderjarig is, geen veroordelingen heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 5, § 4 van de Wapenwet en of er geen redenen van openbare orde bestaan, die zouden leiden tot de intrekking van de erkenning of de vergunning.    In geval het controleonderzoek van de lokale politie gunstig is, mag de aangever het wapen, de munitie of de lader voorhanden houden in afwachting van de beslissing van de gouverneur inzake zijn aanvraag van een erkenning of een vergunning. Het aangiftebewijs geldt als voorlopige erkenning of vergunning.    In geval het controleonderzoek ongunstig is, wordt het wapen, de lader of de munitie in bewaring gegeven bij de lokale politie of bij een persoon die gerechtigd is het voorhanden te hebben of daarvoor is erkend, vanaf de dag van de aangifte tot het verkrijgen van de gevraagde erkenning of vergunning of tot de weigering ervan door de gouverneur.    De weigering van de aanvraag van de erkenning of vergunning wordt per aangetekend schrijven door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever aan hem meegedeeld. De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt dat de aangever het wapen, de lader of de munitie binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop hij kennisnam van de weigeringsbeslissing één van volgende bestemmingen moet geven:    - het wapen of de lader op eigen kosten laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens;    - het wapen, de lader of de munitie overdragen aan een persoon die gerechtigd is het voorhanden te hebben;    - het wapen, de lader of de munitie afstaan bij de lokale politie van zijn verblijfplaats.    Binnen acht dagen te rekenen vanaf de neutralisering, de overdracht of de afstand stelt de aangever de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats hiervan schriftelijk in kennis. Zulks geschiedt door middel van een formulier dat bij de kennisgeving van de weigeringsbeslissing werd gevoegd.    Indien blijkt dat de aangever het wapen, de lader of de munitie binnen de periode van drie maanden niet één van deze drie bestemmingen heeft gegeven of indien hij hiervan geen tijdige schriftelijke kennisgeving heeft gedaan, kan de lokale politie van zijn verblijfplaats het wapen, de munitie of de lader in beslag nemen.    § 6. De aangifte met het oog op de neutralisering van het wapen of de lader verloopt als volgt:    Het wapen wordt door de lokale politie van de verblijfplaats op naam van de aangever geregistreerd in het centraal wapenregister. De lokale politie levert bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 6A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Op het aangiftebewijs wordt aangeduid dat het wapen of de lader zal worden geneutraliseerd door de proefbank voor vuurwapens.    De aangever mag het wapen of de lader voorhanden houden in afwachting van de neutralisering ervan.    Het aangiftebewijs vermeldt dat het wapen of de lader binnen drie maanden na aangifte ervan moet geneutraliseerd worden door de proefbank voor vuurwapens. In afwijking van artikel 2, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de vuurwapens met historische, folkloristische of decoratieve waarde en de vuurwapens die voor het schieten onbruikbaar zijn gemaakt, gaat de proefbank voor vuurwapens over tot de neutralisering op vertoon van dit aangiftebewijs, informeert zij de lokale politie van de verblijfplaats dat het wapen of de lader werd geneutraliseerd en registreert zij de neutralisering van het wapen in het centraal wapenregister.    Indien het wapen of de lader binnen de termijn bedoeld in het vierde lid niet werd geneutraliseerd door de proefbank voor vuurwapens, kan de lokale politie van de verblijfplaats het in beslag nemen.    § 7. De aangifte met het oog op de overdracht van het wapen, de lader of de munitie aan een daartoe gemachtigd of erkend persoon verloopt als volgt:    Het wapen wordt door de lokale politie van de verblijfplaats op naam van de aangever geregistreerd in het centraal wapenregister. De lokale politie levert bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 6A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Op het aangiftebewijs wordt aangeduid dat de overdracht van het wapen, de munitie of de lader wordt gevraagd.    De aangever mag het wapen, de munitie of de lader voorhanden houden in afwachting van de overdracht ervan.    Het aangiftebewijs vermeldt dat ofwel het wapen, de lader of de munitie binnen drie maanden na de aangifte ervan moet worden overgedragen aan een persoon die gemachtigd is het voorhanden te hebben of daarvoor is erkend, ofwel binnen die termijn de overnemer de aanvraag tot het verkrijgen van de nodige erkenning of vergunning moet indienen.    Indien de voorwaarden bedoeld in het vierde lid niet werden nageleefd, kan het wapen, de munitie of de lader door de lokale politie van de verblijfplaats in beslag worden genomen.    § 8. De aangifte met het oog op de afstand van het wapen, de lader of de munitie verloopt als volgt:    Het wapen wordt door de lokale politie van de verblijfplaats op naam van de aangever geregistreerd in het centraal wapenregister. De lokale politie levert bij wijze van aangiftebewijs een formulier model nr. 10A af, en stuurt een kopie hiervan door naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aangever. Het aangiftebewijs vermeldt dat het wapen, de lader of de munitie vrijwillig werd afgestaan. In afwijking van artikel 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, gaat de proefbank voor vuurwapens over tot de vernietiging op vertoon van dit aangiftebewijs.    § 9. De aangifte is mogelijk vanaf 1 maart 2018 en moet ten laatste geschieden op 31 december 2018.    Elke aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6 van de Wapenwet, van een vergunning bedoeld in artikel 11 van de Wapenwet of van een registratie bedoeld in artikel 12, derde lid van de Wapenwet, gedaan naar aanleiding van een aangifte die plaatsvond na 31 december 2018, is onontvankelijk. Het bewijs van de tijdigheid en bijgevolg ontvankelijkheid van de aangifte wordt uitsluitend geleverd door een gedateerd en door beide partijen of hun gemachtigden ondertekend aangiftebewijs bedoeld in paragraaf 2.    De lokale politie van de verblijfplaats kan het wapen, de lader of de munitie dat het voorwerp uitmaakt van een onontvankelijke aanvraag ten gevolge van een te laat ingediende aangifte in beslag nemen.    § 10. De directeur van de proefbank voor vuurwapens kan of de politiediensten kunnen met toestemming van de Minister van Justitie beslissen om zeldzame en interessante exemplaren op grond van wetenschappelijke, didactische of historische redenen niet te vernietigen. Deze worden bezorgd aan politiescholen, wetenschappelijke instellingen of openbare musea die hierom verzoeken.    § 11. De gouverneurs bezorgen op het einde van de aangifteperiode aan de Minister van Justitie een verslag met gegevens over de in de periode omschreven in paragraaf 9 ingeleverde wapens, munitie en laders op basis van de modellen 6A en 10A die zij hebben ontvangen.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2018-02-26/01, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-03-2018>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 17 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke en overgangsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 17. De procedure bedoeld in artikel 45, § 1, van de Wapenwet verloopt als volgt :   1° het indien mogelijk gedemonteerd en verpakt wapen, dat in geval het een vuurwapen is, ook ongeladen moet zijn, wordt overhandigd aan de lokale politie, die onmiddellijk aan de hand van de karakteristieken ervan nagaat of het niet wordt gezocht of staat geseind. Zoniet wordt aan de betrokkene de anonimiteit gegarandeerd, wordt hij vrijgesteld van vervolging en krijgt hij een ontvangstbewijs;   2° de karakteristieken van het wapen worden genoteerd in een lijst van ingeleverde wapens, die samen met die wapens wordt bezorgd aan de instelling die overeenkomstig artikel 4 voor de vernietiging van de wapens instaat;   3° telkens als er een hoeveelheid ingeleverde wapens en munitie aanwezig is, die naar oordeel van de korpschef niet meer op een veilige manier ter plaatse kan worden bewaard, dient er een voldoende beveiligde verzending naar een van de in het 2° bedoelde instellingen plaats te vinden;   4° zeldzame en didactisch interessante exemplaren worden door de directeur van de proefbank voor vuurwapens, of op voorstel van de lokale politie door de gouverneur geselecteerd en bezorgd aan politiescholen en openbare musea die hierom verzoeken;   5° alle andere exemplaren worden vernietigd en de proefbank voor vuurwapens en de gouverneurs bezorgen op het einde van de inleveringsperiode een verslag aan de minister van Justitie.
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 18 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke en overgangsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 18. De particulieren-houders van een erkenning van een privé-verzameling van wapens en munitie, waarop nog geen historisch thema als bedoeld in artikel 1, § 1, 3° staat vermeld, moeten dit binnen het jaar na de inwerkingtreding van dit besluit opgeven aan de gouverneur, die het kan aanvaarden of beperken. Dit thema heeft enkel betrekking op de verwerving van bijkomende wapens vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. Het 2de en 3de lid van artikel 1, § 1, zijn van toepassing op deze verzamelingen, maar de beperking op het aantal wapens slaat enkel op de verwerving van bijkomende wapens vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 18/1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke en overgangsbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 18/1. [1 § 1. De gouverneur kan vanaf 1 maart 2018 erkenningen bedoeld in artikelen 5 en 6 van de Wapenwet uitreiken die al dan niet uitsluitend betrekking hebben op activiteiten met laders.    § 2. De getuigschriften van erkenning die ten laatste op 28 februari 2018 werden uitgereikt, laten tevens toe om de in het getuigschrift van erkenning omschreven activiteiten uit te oefenen ten aanzien van laders voor die vuurwapens waarvoor de erkenning werd verleend.    § 3. De erkende personen verzoeken de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats ten vroegste op 1 maart 2018 en ten laatste op 31 december 2018 om de erkenning uit te breiden naar laders die niet horen bij de vuurwapens waarvoor de erkenning werd verleend.    § 4. De aanvraag van erkenningen waarvan de aanvraag ten vroegste op 1 maart 2018 en ten laatste op 31 december 2018 werd ingediend, is gratis voor zover de erkenning of de uitbreiding ervan uitsluitend betrekking heeft op laders.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2018-02-26/01, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 28-02-2018>
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 19 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 19. Worden opgeheven :   1° de twee koninklijke besluiten van 23 augustus 1933 en de ongedateerde koninklijke besluiten gepubliceerd op 25 november 1933 en 31 december 1933 ter uitvoering van de wet van 3 januari 1933;   2° het koninklijk besluit van 12 april 1936 houdende machtiging tot het vervaardigen, met het oog op den uitvoer, van geweerstokken;   3° het koninklijk besluit van 21 december 1936 waarbij de bommen en granaten van allen aard onder de verboden wapenen worden gerangschikt en waarbij de vervaardiging dezer tuigen, met het oog op den uitvoer, wordt toegelaten;   4° het koninklijk besluit van 30 januari 1961 waarbij de werpmessen in de categorie van de verboden wapens worden gerangschikt;   5° het koninklijk besluit van 9 augustus 1980 tot indeling bij de categorie verboden wapens van de korte vlegel, bekend onder de benaming " Nunchaku ", en van bepaalde katapulten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 maart 1983;   6° het koninklijk besluit van 29 december 1988 tot indeling van de lange vuurwapens, uitgerust met een greep of een bepaalde soort kolf, bij de categorie verweerwapens, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 1989;   7° het koninklijk besluit van 29 december 1988 tot indeling van sommige vuurwapens met één of meer gladde lopen bij de categorie verweerwapens, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 april 1989, 21 september 1992 en 11 december 1992;   8° het koninklijk besluit van 17 april 1989 tot indeling van de werpsterren bij de categorie verboden wapens;   9° het koninklijk besluit van 11 juli 1990 tot indeling van sommige trommelkarabijnen bij de categorie verweerwapens;   10° het koninklijk besluit van 28 januari 1991 tot indeling van sommige vuurwapens in de categorie verweerwapens;   11° het koninklijk besluit van 29 januari 1991 tot indeling van de vuurwapens die munitie van verweerwapens afvuren, in de categorie verweerwapens;   12° het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de wapens die wijzigingen hebben ondergaan;   13° het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende bepaalde categorieën hagelpatronen;   14° het koninklijk besluit van 15 oktober 1991 tot regeling van de schietstanden gebruikt voor de opleiding en training in vuurwapens, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1994 en 9 mei 1995.
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 20 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 20. De artikelen 6, 16, 17, 18, 30, 31 en 32 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en dit besluit treden in werking op de dag van de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.   Hetzelfde geldt voor artikel 5, §§ 3 tot 5 en artikel 7 van dezelfde wet, doch enkel voor zover deze bepalingen noodzakelijk zijn voor de toepassing van haar artikel 6.   Artikel 16 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie wordt opgeheven.
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 21 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 21. Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
    Open officiële bron ↗
  9. Art. N1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen. / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N1. [1 Bijlage 1. Controleattest met het oog op neutralisering of vernietiging van een vuurwapen of lader       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-02-2018, p. 17775)]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2018-02-26/01, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 28-02-2018>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  10. Art. N2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen. / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N2. [1 Bijlage 2. - MODEL NR. 6A - ANGIFTEBEWIJS voor vergunningsplichtige wapens, laders of munitie (art. 45/1, § 1, eerste lid Wapenwet)       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-02-2018, p. 17776)]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2018-02-26/01, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 28-02-2018>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  11. Art. N3 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006122930 / HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen. / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N3.[1 Bijlage 3. - MODEL NR. 10A - AANGIFTEBEWIJS voor vergunningsplichtige wapens, laders of munitie in geval van vrijwillige afstand (art. 45/1, § 1, eerste lid Wapenwet) of inbeslagname (art. 45/1 Wapenwet)       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-02-2018, p. 17777)]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2018-02-26/01, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 28-02-2018>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  12. Art. 1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2012092101

    Lees de volledige brontekst
    Artikel 1.De laders met een grotere capaciteit dan de normale voor een bepaald model vuurwapen, bedoeld in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet, hebben een capaciteit van meer dan :   - voor halfautomatische pistolen [1 en revolvers]1 : 20 patronen;   - voor geweren met pompactie (al dan niet halfautomatisch): 10 patronen;   - voor karabijnen met hendel met randontsteking : 15 patronen;   - voor karabijnen met hendel met centrale ontsteking : 10 patronen;   - voor grendelkarabijnen met randontsteking : 20 patronen;   - voor grendelkarabijnen met centrale ontsteking : 10 patronen;   - voor halfautomatische karabijnen met randontsteking : 40 patronen;   - voor halfautomatische karabijnen met centrale ontsteking : [1 10]1 patronen;   - voor geweren met gladde loop : 10 patronen.   [1 Voor de vuurwapens bedoeld in artikel 27, paragraaf 3, vijfde lid van de wapenwet, rechtmatig voorhanden gehouden door sportschutters die voldoen aan de voorwaarden gesteld in de genoemde bepaling, gelden evenwel volgende afwijkingen:    1° laders voor halfautomatische pistolen gebruikt voor IPSC (International Practical Shooting Confederation) kunnen meer dan 20 patronen bevatten op voorwaarde dat de lengte van de lader, gemeten aan de achterzijde, kleiner is dan 171 mm;    2° laders voor halfautomatische karabijnen met centrale ontsteking kunnen meer dan 10 patronen maar minder dan 31 patronen bevatten.]1   ----------   (1)<MB 2019-09-20/01, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 25-09-2019>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 1/1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2012092101

    Lees de volledige brontekst
    Art. 1/1. [1 Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens en Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij MB 2019-09-20/01, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 25-09-2019>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2012092101

    Lees de volledige brontekst
    Art. 2. Dit besluit is niet van toepassing op de laders waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven voor de dag waarop dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Die laders mogen dan uitsluitend los van een wapen voorhanden worden gehouden.
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 3 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2012092101

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1991092031

    Lees de volledige brontekst
    Artikel 1.Als (vrij verkrijgbare wapens in de zin van artikel 3, § 2, 2°, van de Wapenwet), worden beschouwd de wapens met een historische, folkloristische of decoratieve waarde : <KB 2006-12-29/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 09-01-2007>   1° die, via het sluitstuk, via de loopmond of via de voorkant van de trommel uitsluitend met zwart kruit of met patronen met zwart kruit en afzonderlijke ontsteking geladen worden (waarvan het model of het brevet dateert van voor 1890 en de vervaardiging van voor 1945); <KB 1995-01-19/34, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 11-03-1995>   2° die uitsluitend gebruik maken van patronen met zwart kruit en met ingewerkte ontsteking, waarvan het model of het brevet dateert van voor 1890 en de vervaardiging van vóór 1945;   3° [2 ...]2;   (4° die worden gedragen bij folkloristische optochten of historische reconstructies, voor zover het gaat om schouder- of handvuurwapens op zwart kruit met één schot, met een gladde loop en met afzonderlijke ontsteking door middel van een vuursteen of percussie, die via de loopmond worden geladen;) <KB 1995-09-26/32, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 04-10-1995>   (5° die zijn vervaardigd [1 voor 1895]1;) <KB 2006-12-29/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 09-01-2007>   (6° die eigendom zijn van een erkende vereniging die zich bezighoudt met statutair omschreven activiteiten van historische, folkloristische, traditionele of educatieve aard, met uitsluiting van enige vorm van sportschieten zoals bedoeld in de gemeenschapsdecreten terzake, en die voldoen aan de volgende voorwaarden :   - het schieten gebeurt in een erkende schietstand, onder het toezicht van een wapen- of schietmeester en onder de verantwoordelijkheid van de vereniging;   - de wapens worden voorhanden gehouden en bewaard door de vereniging;   - de wapens worden enkel ter beschikking gesteld met het oog op en tijdens de statutair omschreven activiteit, aan leden van de vereniging en occasionele genodigden;   - de vereniging kondigt vooraf plaats en datum van haar activiteiten aan aan de lokale politie en aan de gouverneur.) <KB 2007-07-09/33, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 02-08-2007>   ----------   (1)<KB 2013-05-08/03, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 25-05-2013>   (2)<KB 2015-07-15/04, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 10-08-2015>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1991092031

    Lees de volledige brontekst
    Art. 2.[1 § 1.]1 [3 Als vrij verkrijgbare wapens in de zin van artikel 3, § 2, 3°, van de Wapenwet worden beschouwd de vuurwapens die voldoen aan de volgende voorwaarden :    1° onomkeerbaar voor het afschieten onbruikbaar zijn gemaakt overeenkomstig de technische specificaties bepaald in bijlage I van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn;    2° de nodige handelingen daartoe zijn uitgevoerd door de Proefbank voor vuurwapens;    3° op de desbetreffende stukken is het merkteken aangebracht dat is afgebeeld in bijlage II van de voornoemde Uitvoeringsverordening. Het logo van de entiteit die de onbruikbaarmaking van het vuurwapen heeft gecertificeerd, zoals bedoeld in voornoemde bijlage, is het volgende :       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 14-05-2018, p. 39555)       4° de eigenaar van het betrokken vuurwapen heeft een certificaat van onbruikbaarmaking overeenkomstig het model in bijlage III van die Uitvoeringsverordening ontvangen.    Vuurwapens die worden overgebracht uit andere lidstaten van de EU en waarop het merkteken bedoeld in bijlage II van de Uitvoeringsverordening niet is aangebracht, worden onmiddellijk voor controle en eventuele bijkomende handelingen aangeboden bij de Proefbank.    Vuurwapens die voor 8 april 2016 onbruikbaar zijn gemaakt, moeten niet voldoen aan deze bepaling, tenzij ze naar een andere lidstaat worden overgebracht of hun eigenaar de intentie heeft ze over te dragen.]3   Indien één of meer van deze operaties onmogelijk kunnen worden uitgevoerd op bepaalde wapentypes, bepaalt de Directeur van de Proefbank voor vuurwapens welke bijzondere operaties daarop moeten uitgevoerd worden.   [1 § 2. Als vrij verkrijgbare wapens in dezelfde zin worden eveneens beschouwd de vuurwapens bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de Wapenwet, ontworpen voor uitsluitend militair gebruik en al dan niet bevestigd op een voertuig, die projectielen konden afschieten en die onomkeerbaar voor het afschieten van enig projectiel ongeschikt werden gemaakt. Deze operaties worden uitgevoerd door de proefbank voor vuurwapens, waar nodig in samenwerking met de militaire overheid, op een wijze die deze beschreven in [4 bijlage I van de voornoemde Uitvoeringsverordening]4 zo dicht mogelijk benadert, en als dit niet mogelijk is, op een gelijkwaardige wijze. De proefbank levert hiervan een op veiligheidspapier afgedrukt attest af, dat door de houder van het wapen steeds moet kunnen worden voorgelegd.]1   [4 In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 3°, brengt de Proefbank op de desbetreffende stukken het hierna afgebeelde merk aan :       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 14-05-2018, p. 39556)]4   [5 § 3. Als vrij verkrijgbare laders in de zin van artikel 3, § 2, 3° /1 van de Wapenwet worden beschouwd de laders die voor het gebruik bij het afschieten van vuurwapens ongeschikt zijn gemaakt op de wijze bepaald in bijlage nr. 4. Deze operaties worden uitgevoerd door de proefbank voor vuurwapens die op de desbetreffende stukken het hierna afgebeelde merk aanbrengt:       (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-10-2019, p. 92929)       Indien één of meer van deze operaties onmogelijk kunnen worden uitgevoerd op bepaalde types van laders bepaalt de directeur van de proefbank voor vuurwapens welke bijzondere operaties daarop moeten uitgevoerd worden.]5   [2 § 4. De proefbank voor vuurwapens gaat pas over tot de operaties bedoeld in paragraaf 1 op vertoon van een attest, waarvan het model is opgenomen in bijlage 3 van dit besluit, afgeleverd door de lokale politie bevoegd voor de verblijfplaats van de verzoeker. Dit attest vermeldt dat het wapen niet staat geseind of dat de reden voor de seining niet langer actueel is en dat het wapen door verzoeker rechtmatig voorhanden werd gehouden zodat tot neutralisering mag worden overgegaan.    In geval de verzoeker in België geen verblijfplaats heeft, wordt het in het eerste lid bedoelde attest afgeleverd door een bevoegde politiedienst van het land van de verblijfplaats. In zulks geval gaat de proefbank voor vuurwapens pas over tot de operaties bedoeld in paragraaf 1 op vertoon van dit buitenlands attest en na controle dat het wapen niet staat geseind in het centraal wapenregister.    De proefbank voor vuurwapens brengt naargelang het geval de bevoegde lokale politiedienst of de bevoegde politiedienst van het land van de verblijfplaats op de hoogte van de neutralisering van het wapen. De proefbank registreert dit vervolgens in het centraal wapenregister.]2   ----------   (1)<KB 2013-05-21/02, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 03-06-2013. Overgangsbepalingen: art. 2>   (2)<KB 2018-02-26/01, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 14-03-2018>   (3)<KB 2018-05-04/04, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   (4)<KB 2018-05-04/04, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   (5)<KB 2019-10-01/05, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 19-10-2019>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  18. Art. 3 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1991092031

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3. Als (vrij verkrijgbare wapens) worden eveneens beschouwd de vuurwapens die ongeschikt zijn gemaakt voor het afschieten op de wijze bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juni 1984 betreffende de indeling van sommige oorlogs- of verweerwapens die wijzigingen hebben ondergaan.
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 3/1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1991092031

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3/1.[1 Als vrij verkrijgbare wapens worden eveneens beschouwd de vuurwapens die worden gedragen bij herdenkingsoptochten van de Eerste Wereldoorlog of historische reconstructies van gebeurtenissen daaruit die plaatsvonden op Belgisch grondgebied, en die voldoen aan de volgende voorwaarden :    1° de vuurwapens zijn van de modellen die werden gebruikt tijdens de Eerste Wereldoorlog door de troepen van de landen die op Belgisch grondgebied aan de gevechten hebben deelgenomen;    2° als het gaat over draagbare vuurwapens die oorspronkelijk volautomatisch konden vuren, moeten ze volgens de Belgische wettelijke normen zijn geneutraliseerd of omgebouwd tot niet-verboden wapens;    3° als het gaat over niet-draagbare vuurwapens die oorspronkelijk volautomatisch konden vuren of over militair materieel zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de Wapenwet, moeten ze volgens de normen geldend in hun land van herkomst zijn gedemilitariseerd;    4° de wapens worden niet geladen met scherpe munitie en de drager ervan heeft die munitie niet bij zich, ze mogen alleen worden geladen met aangepaste blanke patronen en alleen worden afgevuurd wanneer dit past in het draaiboek van de optocht of de reconstructie;    5° de wapens zijn hetzij eigendom van de persoon die ze draagt en die lid is van, of zich aansluit bij een in zijn land van herkomst minstens schriftelijk opgerichte vereniging die als doel heeft de deelname aan historische optochten of reconstructies, met uitsluiting van enige vorm van sportschieten, en waarvan de verantwoordelijken toezien op het gebruik ervan door de deelnemers, hetzij eigendom van die vereniging die ze ter beschikking stelt van haar leden en van personen die zich bij haar aansluiten;    6° de wapens worden voor en na de optocht of reconstructie veilig bewaard door de verantwoordelijken van de vereniging, die er een volledige en gedetailleerde inventaris van kunnen voorleggen, die werd geviseerd door de politie van hun plaats van herkomst;    7° de lokale politie en burgemeester zijn minstens twee weken vooraf gewaarschuwd over de betrokken optocht of reconstructie, het draaiboek ervan, wie eraan deelneemt en met welke wapens, ook als de lokale overheid er zelf de organisator van is;    8° de organisator van de betrokken optocht of reconstructie treedt op als contactpunt voor de lokale overheden en voor de deelnemende verenigingen; hij neemt kennis van de voornoemde inventaris en deelnemerslijst en hij gaat na, ten behoeve van de voornoemde overheden en verenigingen, of de aangekondigde wapens verantwoord zijn in het kader van de optocht of de reconstructie;    9° na afloop van de activiteit mogen de wapens alleen nog voorhanden gehouden worden, hetzij door de verenigingen voor deelname aan een volgende gelijkaardige activiteit, hetzij met het oog op wederuitvoer, hetzij met het oog op het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben ervan overeenkomstig artikel 11, § 3, 9°, f), van de Wapenwet, uiterlijk op 31 december 2018 aan te vragen door middel van een attest van deelname afgegeven door de voornoemde organisator.    Blijven evenwel vergunningsplichtig, de in het eerste lid bedoelde wapens die worden overgedragen, ook al wordt de overdracht ervan pas na 2018 vastgesteld.]1   ----------   (1)<KB 2014-04-02/01, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 08-04-2014; Opgeheven: 01-01-2019>
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 4 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1991092031

    Lees de volledige brontekst
    Art. 4. <KB 2006-12-29/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 09-01-2007> De overdracht van de in dit besluit bedoelde wapens aan particulieren kan slechts geschieden op vertoon van hun identiteitskaart of reispas. (Bovendien wordt bij de overdracht van een wapen bedoeld in artikel 1, 4° en 6°, de procedure gevolgd en een document model nr. 9 opgesteld overeenkomstig artikel 25 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wapenwet.) <KB 2008-10-16/32, art. 13, 007; Inwerkingtreding : 20-10-2008>
    Open officiële bron ↗