Gratis brononderzoek

Tijdelijk kader strafuitvoering

Uitvoering van elektronisch toezicht, probatie, werkstraf, opschorting en uitstel onder het nieuwe Strafwetboek.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Tijdelijk kader van kracht

Artikel 110 koppelt de inwerkingtreding aan die van boek I en II van het nieuwe Strafwetboek: 1 september 2026. De Justel-hoofding van deze wet vermeldt nog 12 april 2026; die datum stemt niet overeen met de wettelijke bepaling. Hoofdstuk 2 en de overgangsmaatregelen van artikel 108 gelden tot een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk tot 30 juni 2029. Dit betekent niet dat alle wijzigingen die deze wet aanbrengt op die datum vervallen. De wet van 29 juni 1964 over opschorting, uitstel en probatie is sinds 1 september 2026 opgeheven; haar oude versies dienen voor beoordeling van historische situaties.

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-07 · Publicatiedatum (geen afzonderlijke consolidatiedatum): 2026-04-02

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

110 bronvarianten

  1. Art. 1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

    Lees de volledige brontekst
    Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  2. Art. 2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 1. - Definitie

    Lees de volledige brontekst
    Art. 2. Voor de toepassing van de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "bevoegde dienst van de gemeenschappen" de diensten van de gemeenschappen bevoegd voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, en voor de opvolging en de begeleiding van personen aan wie een straf of maatregel is opgelegd.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  3. Art. 3 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 2. - De uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3. § 1. Zodra de rechterlijke beslissing waarbij de straf onder elektronisch toezicht wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, licht de griffier bij het vonnisgerecht dat de rechterlijke beslissing heeft uitgesproken de bevoegde dienst van de gemeenschappen daarover in, zodat de straf kan worden uitgevoerd. De dienst neemt daartoe binnen zeven werkdagen nadat hij werd ingelicht, contact op met de veroordeelde, bepaalt, na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen, de concrete invulling van de straf en deelt deze onverwijld mee aan het bevoegde openbaar ministerie.   § 2. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. De bevoegde dienst van de gemeenschappen controleert de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht.   § 3. Indien de straf onder elektronisch toezicht niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, of in geval van ernstige niet-naleving van de algemene of bijzondere voorwaarden, meldt de bevoegde dienst van de gemeenschappen dit onverwijld aan het bevoegde openbaar ministerie. Deze laatste kan dan beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat reeds door de veroordeelde werd uitgevoerd. In dit geval staat een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd uitgevoerd gelijk aan een dag gevangenisstraf. Ingeval de ernstige niet-naleving de algemene voorwaarde van geen nieuwe misdrijven te plegen betreft, moet bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht een misdrijf heeft gepleegd.   Het bevoegde openbaar ministerie omkleedt zijn beslissing met redenen en deelt deze via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee:   - aan de veroordeelde;   - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;   - aan de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;   - aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen.   § 4. Als de straf onder elektronisch toezicht drie maanden bedraagt of overschrijdt, wordt de veroordeelde vanaf de tenuitvoerlegging door de bevoegde dienst van de gemeenschappen ingelicht over de mogelijkheid tot het aanvragen van een schorsing van de controle met elektronische middelen na een derde van de strafduur. De veroordeelde kan vanaf het moment dat hij aan de tijdsvoorwaarden voldoet een schriftelijk verzoek tot toekenning van deze schorsing indienen bij het bevoegde openbaar ministerie. Een kopie van dit schriftelijk verzoek wordt door de veroordeelde gericht aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen.   De bevoegde dienst van de gemeenschappen brengt binnen vijftien dagen een advies uit aan het bevoegde openbaar ministerie, dat betrekking heeft op de naleving van het bepaalde uitvoeringsprogramma en, in voorkomend geval, van de aan de veroordeelde opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden. Dit advies vermeldt of de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van de straf onder elektronisch toezicht nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het omvat bovendien een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de schorsing van de controle met elektronische middelen en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die de bevoegde dienst van de gemeenschappen nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.   Het bevoegde openbaar ministerie kent binnen de maand na de ontvangst van het advies de schorsing van de controle met elektronische middelen toe in geval de veroordeelde geen nieuwe misdrijven heeft gepleegd en het bepaalde uitvoeringsprogramma van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, de hem opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden heeft nageleefd.   Wanneer de schorsing van de controle met elektronische middelen wordt toegekend, ondergaat de veroordeelde een proeftijd voor het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat hij nog moet ondergaan. In dit geval staat een dag van de proeftijd gelijk aan een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd opgelegd. De veroordeelde is onderworpen aan de algemene voorwaarden alsook, in voorkomend geval, aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden.   Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee:   - aan de veroordeelde;   - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;   - aan de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;   - aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen.   Indien het verzoek tot schorsing wordt verworpen, kan een nieuw verzoek slechts worden ingediend na een termijn van twee maanden na de verwerping ervan.   Bij ernstige niet-naleving van de algemene voorwaarden en, in voorkomend geval, van de aan de veroordeelde opgelegde bijzondere voorwaarden, kan er overgegaan worden tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen.   Het bevoegde openbaar ministerie hoort de veroordeelde in zijn opmerkingen ter zake. Ingeval de veroordeelde niet ingaat op de uitnodiging om te worden gehoord, kan dit openbaar ministerie beslissen tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen of tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf.   Ingeval de ernstige niet-naleving de algemene voorwaarde van geen nieuwe misdrijven plegen betreft, moet bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht of tijdens de schorsing van de controle met elektronische middelen een misdrijf heeft gepleegd.   De beslissing tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen omvat een beslissing over:   - de bijzondere voorwaarden verbonden aan de schorsing, opgelegd door het openbaar ministerie;   - het uitvoeren van het elektronisch toezicht voor de resterende proeftijd;   - het opnieuw van kracht worden van de bijzondere voorwaarden in voorkomend geval opgelegd door de vonnisrechter.   Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijk communicatiemiddel mee:   - aan de veroordeelde;   - aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;   - aan de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;   - aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen.   § 5. Het in de paragrafen 1 tot 4 bedoelde bevoegde openbaar ministerie is het openbaar ministerie bij het vonnisgerecht dat de rechterlijke beslissing tot de straf onder elektronisch toezicht heeft uitgesproken.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  4. Art. 4 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 1. - De probatiecommissie

    Lees de volledige brontekst
    Art. 4. § 1. Bij iedere rechtbank van eerste aanleg wordt een probatiecommissie ingesteld.   Wanneer de behoeften van de dienst het vereisen kan de minister van Justitie die commissies in verscheidene kamers over een of meer afdelingen van de rechtbank splitsen.   De probatiecommissies zijn samengesteld uit een voorzitter, werkend of eremagistraat, aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep, en uit twee leden:   - een advocaat door de minister van Justitie gekozen uit twee lijsten van twee namen, respectievelijk opgemaakt door de procureur des Konings of de procureurs des Konings van het gerechtelijk arrondissement en door de stafhouder van de Orde of, in de arrondissementen waar de balies georganiseerd zijn per afdeling van de rechtbank, de stafhouders.   - een ambtenaar aangewezen door de minister van Justitie na advies van de bevoegde gemeenschaps-minister.   De voorzitter en ieder lid hebben een of meer plaatsvervangers, die op dezelfde wijze worden aangewezen.   De procureur des Konings woont de vergaderingen bij met raadgevende stem.   De minister van Justitie benoemt een of meer secretarissen na advies van de bevoegde gemeenschapsminister.   De Koning regelt de werking van deze commissies evenals de functieomschrijving van de leden, de regels rond hun kandidaatstelling, aanwijzing, selectie en evaluatie, evenals de vormvereisten en de te volgen procedure met betrekking tot het advies dat wordt verstrekt inzake de aanduiding van een ambtenaar.   Hij kan aan de leden en aan hun plaatsvervangers een vergoeding toekennen waarvan hij de nadere regels en het bedrag vaststelt.   § 2. De territoriale bevoegdheid van de probatiecommissie wordt bepaald door de verblijfplaats van de betrokkene op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke beslissing. Indien de betrokkene zijn verblijfplaats heeft buiten het grondgebied van het Rijk, is de territoriaal bevoegde probatiecommissie die van de plaats waar de veroordeling in eerste aanleg uitgesproken werd. Indien de betrokkene zijn verblijfplaats buiten het grondgebied van het Rijk heeft, vraagt de probatiecommissie aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen van het gerechtelijk arrondissement van de plaats waar de veroordeling in eerste aanleg werd uitgesproken, om een verslag op te stellen dat handelt over de haalbaarheid van de uitvoering van de opgelegde straf of maatregel in België. De probatiecommissie maakt op basis van dit verslag een advies over aan het openbaar ministerie.   Onder voorbehoud van het bepaalde in het derde lid, is, indien aan een betrokkene tijdens de proeftijd van een hem eerder opgelegde probatiemaatregel een nieuwe probatiemaatregel wordt opgelegd, de probatiecommissie die aanvankelijk territoriaal bevoegd was tevens bevoegd voor deze nieuwe probatiemaatregel en dat voor de gehele duur ervan.   Indien de probatiecommissie het, in uitzonderlijke gevallen voor een betrokkene die daartoe een met redenen omklede aanvraag indient, aangewezen acht de bevoegdheid over te dragen aan de probatiecommissie van zijn nieuwe verblijfplaats, maakt zij deze aanvraag en het dossier over aan de probatiecommissie van de nieuwe verblijfplaats. Binnen twee maanden na de ontvangst van de met redenen omklede aanvraag en het dossier, deelt de probatiecommissie van de nieuwe verblijfplaats aan de oorspronkelijke probatiecommissie mee of zij het dossier aanvaardt of niet. In geval van weigering maakt zij het dossier terug over aan de oorspronkelijke probatiecommissie. Voor een persoon zonder verblijfplaats in het Rijk kan volgens dezelfde procedure de bevoegdheid naar een andere probatiecommissie worden overgedragen, zonder dat het in dat geval de commissie van zijn nieuwe verblijfplaats moet zijn.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  5. Art. 5 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 2. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 5. § 1. De natuurlijke persoon aan wie een probatiestraf wordt opgelegd, wordt onderworpen aan de opvolging en begeleiding door de bevoegde dienst van de gemeenschappen van het gerechtelijk arrondissement van zijn verblijfplaats.   Op de tenuitvoerlegging van de probatiestraf wordt toegezien door de bevoegde probatiecommissie waaraan de bevoegde dienst van de gemeenschappen rapporteert.   Wanneer de rechterlijke beslissing waarbij de probatiestraf wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, licht de griffier bij het vonnisgerecht dat de rechterlijke beslissing heeft uitgesproken onverwijld de voorzitter van de bevoegde probatiecommissie daarvan in, alsook de bevoegde dienst van de gemeenschappen, die onverwijld de ambtenaar aanwijst die toeziet op de naleving van de voorwaarden die door de rechterlijke beslissing zijn gesteld.   Binnen de maand na de aanwijzing van de ambtenaar van de bevoegde dienst van de gemeenschappen, en verder telkens als hij het nuttig acht of telkens als de probatiecommissie hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden, brengt hij verslag uit aan de probatiecommissie over de naleving van de voorwaarden. Hij stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nodig acht.   § 2. Indien de probatiestraf een voorwaarde omvat die bestaat uit het volgen van een begeleiding of behandeling, wordt de keuze van de bevoegde dienst of persoon die deze begeleiding of behandeling op zich zal nemen ter goedkeuring voorgelegd aan de probatiecommissie.   Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de probatiecommissie alsook aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen, binnen een maand na de aanvang van die begeleiding of behandeling en telkens als de dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de probatiecommissie en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de begeleiding of de behandeling.   Het in het tweede lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten: de daadwerkelijke aanwezigheden van de veroordeelde op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de veroordeelde, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.   De bevoegde dienst of persoon brengt de probatiecommissie op de hoogte van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  6. Art. 6 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 2. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 6. § 1. De probatiecommissie kan de bij de rechterlijke beslissing gestelde bijzondere voorwaarden van de probatiestraf geheel of ten dele opschorten, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde. Ingeval een van de voorwaarden van de probatiestraf buiten de wil van de veroordeelde niet kon worden verwezenlijkt tijdens de aanvankelijke probatietermijn, kan de probatiecommissie de probatietermijn eenmaal verlengen met maximaal een jaar zodat de veroordeelde aan de voorwaarde kan voldoen.   Indien de probatiecommissie van oordeel is een van de in het eerste lid bedoelde maatregelen te moeten nemen, roept de voorzitter de veroordeelde bij aangetekende zending op meer dan tien dagen voor de datum die voor de behandeling van de zaak is gesteld en stelt zijn eventuele raadsman ervan in kennis. Het dossier van de commissie wordt gedurende tien dagen ter beschikking gesteld van de veroordeelde en van zijn eventuele raadsman.   Indien de probatiecommissie van oordeel is dat de probatiestraf ten uitvoer is gelegd, kan zij beslissen dat deze een einde neemt, zelfs als de door de rechter bepaalde termijn nog niet is verstreken.   De beslissing van de probatiecommissie die bedoeld wordt in het eerste of het derde lid is met redenen omkleed. Van deze beslissing wordt kennis gegeven aan de veroordeelde en aan het openbaar ministerie. De kennisgeving geschiedt bij gewone zending aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde bij aangetekende zending, binnen drie dagen, waarbij zaterdagen, zon- en feestdagen niet worden meegerekend.   § 2. Het openbaar ministerie en de tot probatiestraf veroordeelde persoon kunnen, het eerstgenoemde bij vordering en de tweede genoemde bij verzoekschrift, bij de rechtbank van eerste aanleg waarbij de probatiecommissie is ingesteld, beroep instellen tegen de beslissingen die de commissie krachtens paragraaf 1 heeft genomen.   De vordering en het verzoek worden schriftelijk ingediend en met redenen omkleed. Het beroep wordt ingesteld binnen tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de probatiecommissie. Het heeft opschortende kracht tenzij de probatiecommissie anders beslist.   De voorzitter van de rechtbank die uitspraak moet doen, laat meer dan tien dagen tevoren, in een ter griffie gehouden bijzonder register, de plaats, de dag en het uur van verschijning optekenen. Ten minste tien dagen voor de verschijning geeft de griffier bij aangetekende zending daarvan bericht aan de tot probatiestraf veroordeelde persoon en stelt zijn eventuele raadsman daarvan in kennis. Gedurende die termijn wordt het dossier neergelegd ter griffie en ter beschikking gesteld van de veroordeelde en van zijn eventuele raadsman. De rechtbank houdt zitting en doet uitspraak in raadkamer.   Indien de rechtbank het beroep inwilligt, kan zij de beslissing van de probatiecommissie wijzigen.   De beslissing die op dat beroep wordt gewezen, is niet vatbaar voor hoger beroep noch voor verzet.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  7. Art. 7 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 2. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 7. Ingeval de veroordeelde de voorwaarden van de probatiestraf niet of slechts gedeeltelijk naleeft, meldt de bevoegde dienst van de gemeenschappen dit onverwijld aan de probatiecommissie. Meer dan tien dagen voor de datum die werd vastgesteld om de zaak te behandelen, roept de voorzitter de veroordeelde op bij aangetekende zending en stelt zijn eventuele raadsman ervan in kennis. Het dossier van de commissie wordt gedurende vijf dagen ter beschikking gesteld van de veroordeelde en van zijn eventuele raadsman.   De probatiecommissie, die zitting houdt zonder dat het openbaar ministerie daarbij aanwezig is, stelt een met redenen omkleed verslag op met het oog op de toepassing van de vervangende straf.   Het verslag wordt via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel ter kennis gebracht van de veroordeelde, het openbaar ministerie en de bevoegde dienst van de gemeenschappen.   In dit geval kan het openbaar ministerie beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf of geldboete uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met het deel van de probatiestraf dat reeds door de veroordeelde is uitgevoerd.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  8. Art. 8 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 3. - De uitvoering van de werkstraf

    Lees de volledige brontekst
    Art. 8. § 1. Wie tot een werkstraf is veroordeeld, wordt opgevolgd door de bevoegde dienst van de gemeenschappen van het gerechtelijk arrondissement van zijn verblijfplaats.   Op de tenuitvoerlegging van de werkstraf wordt toegezien door de bevoegde probatiecommissie, waaraan de bevoegde dienst van de gemeenschappen rapporteert.   § 2. Wanneer de rechterlijke beslissing waarbij de werkstraf wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, licht de griffier bij het vonnisgerecht dat de rechterlijke beslissing heeft uitgesproken onverwijld de voorzitter van de bevoegde probatiecommissie daarvan in, alsook de bevoegde dienst van de gemeenschappen, die onverwijld de ambtenaar aanwijst die instaat voor de opvolging en de begeleiding van de veroordeelde.   § 3. De bevoegde dienst van de gemeenschappen bepaalt na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen de concrete invulling van de werkstraf, met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 45, § 2, vierde lid, van het Strafwetboek, onder toezicht van de probatiecommissie die hierin te allen tijde, en eveneens met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 45, § 2, vierde lid, van het Strafwetboek, preciseringen of wijzigingen kan aanbrengen, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde.   De concrete invulling van de werkstraf wordt vastgelegd in een door de veroordeelde te ondertekenen overeenkomst waarvan de bevoegde dienst van de gemeenschappen hem een kopie overhandigt. De bevoegde dienst van de gemeenschappen deelt eveneens een kopie van de ondertekende overeenkomst mee aan de probatiecommissie binnen drie werkdagen.   § 4. Ingeval de werkstraf niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, meldt de bevoegde dienst van de gemeenschappen dit onverwijld aan de probatiecommissie. Meer dan tien dagen voor de datum die werd vastgesteld om de zaak te behandelen, roept de voorzitter de veroordeelde bij aangetekende zending op en stelt zijn eventuele raadsman ervan in kennis. Het dossier van de commissie wordt gedurende vijf dagen ter beschikking gehouden van de veroordeelde en zijn eventuele raadsman.   De probatiecommissie, die zitting houdt zonder dat het openbaar ministerie daarbij aanwezig is, stelt een met redenen omkleed verslag op, met het oog op de toepassing van de vervangende straf.   Het verslag wordt via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel ter kennis gebracht van de veroordeelde, het openbaar ministerie en de bevoegde dienst van de gemeenschappen.   In dit geval kan het openbaar ministerie beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf of geldboete uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met het deel van de werkstraf dat reeds door de veroordeelde is uitgevoerd.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  9. Art. 9 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 3. - De uitvoering van de werkstraf

    Lees de volledige brontekst
    Art. 9. De werkstraf moet worden uitgevoerd binnen twaalf maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. De probatiecommissie kan die termijn ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde verlengen.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  10. Art. 10 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 10. De verdachten en de veroordeelden aan wie een probatieopschorting of een probatie-uitstel is opgelegd, worden onderworpen aan de begeleiding en de opvolging door de bevoegde dienst van de gemeenschappen van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de betrokkene.   Op de tenuitvoerlegging van de probatiemaatregelen wordt toegezien door de probatiecommissie.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  11. Art. 11 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 11. Wanneer de rechterlijke beslissing waarbij een probatieopschorting of een probatie-uitstel wordt gelast, in kracht van gewijsde is gegaan, licht de griffier bij het vonnisgerecht dat de rechterlijke beslissing heeft uitgesproken onverwijld de voorzitter van de bevoegde probatiecommissie daarvan in, evenals de bevoegde dienst van de gemeenschappen die de ambtenaar aanwijst, die toeziet op de naleving van de voorwaarden die door de rechterlijke beslissing zijn gesteld.   Binnen de maand na de aanwijzing van de ambtenaar van de bevoegde dienst van de gemeenschappen, en verder telkens als hij het nuttig acht of telkens als de probatiecommissie hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden, brengt hij verslag uit aan de probatiecommissie over de naleving van de voorwaarden. Hij stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nodig acht.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  12. Art. 12 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 12. Indien de probatiemaatregel bestaat in het volgen van een begeleiding of behandeling, wordt de keuze van de bevoegde dienst of persoon die de begeleiding of de behandeling op zich zal nemen ter goedkeuring voorgelegd aan de probatiecommissie.   Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de probatiecommissie alsook aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen, binnen een maand na het begin van die begeleiding of behandeling en telkens als de dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de probatiecommissie en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de begeleiding of de behandeling.   Het in het tweede lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten: de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.   De bevoegde dienst of de bevoegde persoon brengt de probatiecommissie op de hoogte van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  13. Art. 13 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 13. § 1. De probatiecommissie kan de bij de rechterlijke beslissing gestelde voorwaarden geheel of ten dele opschorten, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden.   Indien de commissie van oordeel is dat zij een van de in het eerste lid bepaalde maatregelen zal moeten nemen, roept de voorzitter de betrokkene bij aangetekende zending op meer dan tien dagen voor de datum die voor de behandeling van de zaak is gesteld en stelt zijn eventuele raadsman ervan in kennis. Het dossier van de commissie wordt gedurende tien dagen ter beschikking gehouden van de betrokkene en van zijn eventuele raadsman.   De beslissing van de probatiecommissie wordt met redenen omkleed. Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokkene en van het openbaar ministerie. De kennisgeving gebeurt bij gewone zending aan het openbaar ministerie en aan de betrokkene bij aangetekende zending binnen drie dagen, waarbij zaterdagen, zon- en feestdagen niet worden meegerekend.   § 2. Het openbaar ministerie en de op probatie gestelde persoon kunnen, het eerstgenoemde bij vordering en de tweede genoemde bij verzoekschrift, bij de rechtbank van eerste aanleg waarbij de probatiecommissie is ingesteld, beroep instellen tegen de beslissingen die de commissie krachtens paragraaf 1 heeft genomen.   De vordering en het verzoekschrift worden schriftelijk ingediend en met redenen omkleed. Het beroep wordt ingesteld binnen tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de probatiecommissie. Het heeft opschortende kracht tenzij de commissie anders beslist.   De voorzitter van de rechtbank die uitspraak moet doen, laat meer dan tien dagen tevoren, in een ter griffie gehouden bijzonder register, de plaats, de dag en het uur van verschijning optekenen. Ten minste tien dagen voor de verschijning, geeft de griffier bij aangetekende zending daarvan bericht aan de op probatie gestelde persoon en stelt zijn eventuele raadsman ervan in kennis. Gedurende die termijn wordt het dossier ter beschikking van de betrokkene en van zijn eventuele raadsman ter griffie neergelegd. De rechtbank houdt zitting en doet uitspraak in raadkamer.   Indien de rechtbank het beroep aanneemt, kan zij de beslissing van de probatiecommissie wijzigen.   De beslissing die op dat beroep wordt gewezen, is niet vatbaar voor hoger beroep noch voor verzet.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  14. Art. 14 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 14. § 1. Onverminderd de gevallen bedoeld in artikel 64, § 4, eerste lid, van het Strafwetboek kan de probatieopschorting worden herroepen indien de betrokkene de opgelegde voorwaarden niet naleeft en de probatiecommissie de niet-naleving voldoende erg heeft geacht om ze ter kennis van het openbaar ministerie te brengen.   § 2. Indien het openbaar ministerie het passend acht om een herroeping van de opschorting of de probatieopschorting te vorderen, in de gevallen bedoeld in paragraaf 1 en in artikel 64, § 4, eerste lid, van het Strafwetboek, dagvaardt het de betrokkene voor de correctionele rechtbank of, indien het feit behoort tot haar bevoegdheid, voor de politierechtbank, die de opschorting gelast heeft binnen dezelfde termijnen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde vormen als in correctionele zaken.   Artikel 136sexies, § 2, van het Wetboek van strafvordering is van toepassing.   § 3. Herroept het vonnisgerecht de probatieopschorting niet, dan kan het er nieuwe voorwaarden aan verbinden.   § 4. Tegen deze beslissingen kan worden opgekomen met alle rechtsmiddelen waarin het Wetboek van strafvordering voorziet.   § 5. In geval van niet-naleving van de opgelegde voorwaarden moet de vordering bedoeld in paragraaf 2 worden ingesteld uiterlijk binnen een jaar na het verstrijken van de termijn bepaald in de rechterlijke beslissing die de probatieopschorting gelastte. Zij verjaart drie volle jaren na de dag waarop zij bij het bevoegde gerecht is aangebracht.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  15. Art. 15 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 15. § 1. Wanneer overeenkomstig artikel 65, § 4, tweede, derde en vierde lid, van het Strafwetboek het uitstel of het probatie-uitstel kan worden herroepen, dagvaardt het openbaar ministerie, op verslag van de probatiecommissie dat strekt tot herroeping in geval van toepassing van artikel 65, § 4, derde lid, van het Strafwetboek, de betrokkene, ten einde het uitstel te doen herroepen, voor de rechtbank van eerste aanleg van zijn verblijfplaats of, in het geval bepaald in artikel 65, § 4, vierde lid, van het Strafwetboek, voor de politierechtbank van de plaats van het misdrijf binnen dezelfde termijnen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde vormen als in correctionele zaken. Dit geldt zelfs bij herroeping van een uitstel dat door het hof van assisen is uitgesproken. Herroept het vonnisgerecht het uitstel niet, dan kan het nieuwe voorwaarden verbinden aan het probatie-uitstel, gelast bij de eerste veroordeling.   Tegen deze beslissingen kan worden opgekomen met alle rechtsmiddelen waarin het Wetboek van strafvordering voorziet.   § 2. De vordering tot herroeping wegens een ernstige niet-naleving van de opgelegde algemene of bijzondere voorwaarden moet worden ingesteld uiterlijk binnen een jaar na het verstrijken van de proeftijd van het uitstel. Zij verjaart drie volle jaren na de dag waarop zij bij het bevoegde gerecht is aangebracht.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  16. Art. 16 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 16. Het openbaar ministerie kan de veroordeelde die probatie-uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf heeft genoten, doen opsluiten in geval van ernstige niet-naleving van de probatievoorwaarden, mits het daarvan aan de probatiecommissie bericht geeft en het geval aanhangig maakt bij de rechtbank van eerste aanleg van de verblijfplaats van de veroordeelde.   Deze rechtbank doet uitspraak overeenkomstig artikel 15, § 1, binnen tien dagen na de aanhouding. Beslist het dat er geen reden is tot herroeping van het uitstel, dan wordt de betrokkene onmiddellijk in vrijheid gesteld, niettegenstaande hoger beroep.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  17. Art. 17 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 17. De straffen die worden uitgesproken ten gevolge van de herroeping van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, of die uitvoerbaar worden ten gevolge van de herroeping van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen, worden zonder beperking samengevoegd met die welke worden uitgesproken voor het nieuwe misdrijf.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  18. Art. 18 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 3. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan natuurlijke personen, van de werkstraf en van de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen / Onderafdeling 4. - De uitvoering van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan natuurlijke personen

    Lees de volledige brontekst
    Art. 18. In alle gevallen waarin iemand die onderworpen is aan een maatregel van opschorting of uitstel, opnieuw wordt vervolgd, wordt een gelijkvormig verklaard afschrift van die beslissing bij het dossier van de nieuwe vervolgingen gevoegd.   In geval van probatieopschorting of probatie-uitstel maakt de probatiecommissie de nuttige informatie over het verloop van de probatieopschorting of het probatie-uitstel over.   Op aanvraag van de verdachte of van het openbaar ministerie, worden de procedures betreffende de misdrijven die aanleiding hebben gegeven tot de opschorting of het uitstel, gevoegd bij het dossier van de nieuwe vervolgingen.   In geval van dagvaarding strekkende tot de herroeping van de opschorting of het uitstel, worden de procedures betreffende de misdrijven die aanleiding hebben gegeven tot deze maatregelen eveneens bij het dossier van de nieuwe vervolgingen gevoegd.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  19. Art. 19 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 4. - De uitvoering van de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek die met een vrijheidsbeperkende hoofdstraf, een vermogensstraf of in de plaats van een hoofdstraf wordt opgelegd

    Lees de volledige brontekst
    Art. 19. § 1. De strafuitvoeringsrechter kan beslissen een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot de straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek te wijzigen door de duur of de omvang van het verbod te beperken, de nadere regels of de voorwaarden ervan aan te passen, de uitvoering ervan op te schorten of te beëindigen, ingeval deze is opgelegd met een vrijheidsbeperkende hoofdstraf, een vermogensstraf of indien ze overeenkomstig artikel 36, tiende lid, van het Strafwetboek is opgelegd in plaats van de hoofdstraf. De strafuitvoeringsrechter kan hiertoe beslissen voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op recidivegevaar of op het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen.   § 2. De procedure, bedoeld in de artikelen 95/1 en 96 tot 98 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, is van toepassing.   Voor de toepassing van deze artikelen wordt de veroordeelde tot de straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek, ingeval deze is opgelegd met een vrijheidsbeperkende hoofdstraf, een vermogensstraf of indien ze overeenkomstig artikel 36, tiende lid, van het Strafwetboek is opgelegd in plaats van de hoofdstraf, beschouwd als een veroordeelde zoals bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.   Voor de toepassing van artikel 95/1 wordt het slachtoffer beschouwd als een slachtoffer in de zin van artikel 2, 6°, van de van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.   In afwijking van artikel 95/1, § 2, eerste lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt het schriftelijk verzoek van de veroordeelde op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen omkleed.   § 3. De beslissing tot wijziging van de straf bedoeld in artikel 50 wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties:   - aan de korpschef van de lokale politie van de verblijfplaats van de veroordeelde;   - aan de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;   - de probatiecommissie ingeval de bijkomende straf is opgelegd samen met een probatiestraf of een werkstraf;   - aan de dienst van de gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de bijkomende straf is opgelegd samen met een straf onder elektronisch toezicht;   - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗
  20. Art. 20 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2026033002 / HOOFDSTUK 2. - Tijdelijk kader voor de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht, de probatiestraf, de werkstraf, de opschorting en de probatieopschorting, het uitstel en het probatie-uitstel, de bijkomende straf bedoeld in artikel 50 van het Strafwetboek en van bepaalde straffen opgelegd aan rechtspersonen / Afdeling 5. - De uitvoering van de probatiestraf opgelegd aan rechtspersonen, van de dienstverleningsstraf ten gunste van de gemeenschap, van de opschorting en de probatieopschorting, van het uitstel en het probatie-uitstel opgelegd aan rechtspersonen / Onderafdeling 1. - Definities, samenstelling, territoriale bevoegdheid en zittingplaats van de strafuitvoeringsrechter

    Lees de volledige brontekst
    Art. 20. § 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:   1° strafuitvoeringsrechter: de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank die als alleensprekend rechter zitting houdt;   2° het openbaar ministerie: het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;   3° de griffie: de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.   § 2. De strafuitvoeringsrechtbank van het rechtsgebied van het hof van beroep waar de maatschappelijke zetel of de hoofdplaats van vestiging van de rechtspersoon is gevestigd, is territoriaal bevoegd. De strafuitvoeringsrechtbanken van het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel zijn bevoegd ten aanzien van rechtspersonen wier maatschappelijke zetel of hoofdplaats van vestiging niet in België is gelegen.   De strafuitvoeringsrechter kan zitting houden in elke rechtbank van eerste aanleg gelegen in het rechtsgebied van het hof van beroep.

    Aanvullende bronnotities: controleer de officiële publicatie.

    Open officiële bron ↗