Gratis brononderzoek

Wetboek van Strafvordering

Strafrechtelijke onderzoeks- en procesregels.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-03 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-03-18

Open officiële bron ↗
Afzonderlijke brononderdelen

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

921 bronvarianten

  1. Art. 89bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 4. (SCHRIFTELIJKE BEWIJZEN, OVERTUIGINGSSTUKKEN EN OPSPOREN EN LOKALISEREN VAN TELECOMMUNICATIE). <W 1998-06-10/196 art. 4, 017; Inwerkingtreding : 02-10-1998>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 89bis. <W 1998-03-12/39, art. 21, 016; Inwerkingtreding : 1998-10-02> De onderzoeksrechter kan opdracht tot huiszoeking en inbeslagneming geven aan een officier van gerechtelijke politie van zijn arrondissement of van het arrondissement waar de handelingen moeten plaatshebben. Wanneer de onderzoeksrechter optreedt op vordering van een onderzoeksrechter van een ander arrondissement, kan hij opdracht geven aan een officier van gerechtelijke politie van dat ander arrondissement.   Hij geeft die opdracht bij met redenen omklede beschikking en enkel wanneer het noodzakelijk is.   Het is verboden de opdracht over te dragen.
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 89ter · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 4. (SCHRIFTELIJKE BEWIJZEN, OVERTUIGINGSSTUKKEN EN OPSPOREN EN LOKALISEREN VAN TELECOMMUNICATIE). <W 1998-06-10/196 art. 4, 017; Inwerkingtreding : 02-10-1998>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 89ter.<W 2005-12-27/34, art. 18, 046; Inwerkingtreding : 30-12-2005> [1 In het kader van de uitvoering van de in artikel 46quinquies bepaalde maatregel, en onder de voorwaarden en met het oog op de doeleinden daar vermeld, kan alleen de onderzoeksrechter de [2 politiediensten]2 aangewezen door de Koning machtigen om:    - buiten medeweten van de eigenaar of van zijn rechthebbende, of van de bewoner, of zonder hun toestemming, te allen tijde een andere private plaats dan die bedoeld in artikel 46quinquies, § 1, te betreden, met inbegrip van het openen van gesloten voorwerpen die zich op deze plaats bevinden;    - buiten medeweten van de eigenaar, de bezitter of de gebruiker of zonder hun toestemming, zich toegang te verschaffen tot een informaticasysteem en het te doorzoeken, onverminderd de mogelijkheid voor de procureur des Konings om het binnendringen in een informaticasysteem te machtigen binnen de grenzen bepaald in artikel 46quinquies, § 6.]1   Ingeval de in het eerste lid bedoelde machtiging wordt verleend in het kader van de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden overeenkomstig de artikelen 47ter tot 47decies of artikel 56bis, worden de machtiging en alle ermee verband houdende processen-verbaal uiterlijk na het beëindigen van de bijzondere opsporingsmethode bij het strafdossier gevoegd.   Hij deelt een kopie van dit bevel aan de procureur des Konings mee.      (NOTA : bij arrest nr 202/2004 van 21-12-2004 (B.St. 06-01-2005, p. 388-389), heeft het Arbitragehof artikel 89ter, in zoverre het kan worden toegepast in samenhang met artikel 28septies, vernietigd)   ----------   (1)<W 2016-12-25/37, art. 15, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>   (2)<W 2019-05-05/10, art. 13, 102; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 90 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 4. (SCHRIFTELIJKE BEWIJZEN, OVERTUIGINGSSTUKKEN EN OPSPOREN EN LOKALISEREN VAN TELECOMMUNICATIE). <W 1998-06-10/196 art. 4, 017; Inwerkingtreding : 02-10-1998>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90. Indien de op te sporen papieren of zaken zich buiten het arrondissement van de onderzoeksrechter bevinden, (kan hij de onderzoeksrechter van de plaats waar zij kunnen worden gevonden, verzoeken) de bij de vorige artikelen voorgeschreven verrichtingen te doen. <W 27-03-1969, art. 4>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 90bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 5. ONDERZOEK AAN HET LICHAAM. <Ingevoegd bij WVH 1990-07-20/35, art. 44, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90bis. <W 1998-03-12/39, art. 22, 016; Inwerkingtreding : 1998-10-02> Buiten de gevallen van een op heterdaad ontdekt of als zodanig beschouwd misdrijf en het geval waarin een meerderjarige schriftelijke toestemming geeft, kan een onderzoek aan het lichaam enkel bevolen worden door de onderzoeksrechter, door de kamer van inbeschuldigingstelling en door de rechtbank of het hof die van [1 het misdrijf]1 kennis neemt.   Het slachtoffer of de verdachte kan zich tijdens het onderzoek aan het lichaam waaraan hij onderworpen wordt, laten bijstaan door een arts naar zijn keuze. De erelonen van de arts worden aangerekend in de gerechtskosten.   ----------   (1)<W 2026-03-11/03, art. 96, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 90ter · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 6. [1 Onderscheppen, kennisnemen, doorzoeken en opnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90ter. <Ingevoegd bij W 1994-06-30/49, art. 3; Inwerkingtreding : 03-02-1995> § 1. [5 De onderzoeksrechter kan, onverminderd de toepassing van artikelen 39bis, 87, 88, 89bis en 90, met een heimelijk oogmerk, niet voor het publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan met technische hulpmiddelen onderscheppen, er kennis van nemen, doorzoeken en opnemen of de zoeking in een informaticasysteem of een deel ervan uitbreiden.    Deze maatregel kan enkel worden bevolen in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onderzoek zulks vereist, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het een strafbaar feit betreft bedoeld in paragraaf 2, en indien de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.    Teneinde deze maatregel mogelijk te maken, kan de onderzoeksrechter bevelen om, te allen tijde, ook buiten medeweten of zonder de toestemming van hetzij de bewoner, hetzij de eigenaar of zijn rechthebbende, hetzij de gebruiker:    - in een woning, in een private plaats of in een informaticasysteem binnen te dringen;    - elke beveiliging van de betrokken informaticasystemen tijdelijk op te heffen, desgevallend met behulp van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden;    - technische middelen in de betrokken informaticasystemen aan te brengen teneinde de door dat systeem opgeslagen, verwerkte of doorgestuurde gegevens te ontcijferen en te decoderen.    De maatregel bedoeld in deze paragraaf kan alleen worden bevolen om de gegevens op te sporen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Hij kan alleen worden bevolen ten aanzien van personen die op grond van precieze aanwijzingen ervan verdacht worden het strafbare feit te hebben gepleegd, ten aanzien van de communicatiemiddelen of informaticasystemen die geregeld worden gebruikt door een persoon op wie een verdenking rust of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van personen van wie op grond van precieze feiten vermoed wordt dat zij geregeld in verbinding staan met een persoon op wie een verdenking rust.]5   § 2. [10 De strafbare feiten die de maatregel bedoeld in paragraaf 1 kunnen wettigen zijn degene die bedoeld worden in:    1° de artikelen 82 tot 88 en 90 tot 92 van het Strafwetboek en artikel 41 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen;    2° artikel 96 van hetzelfde Wetboek;    3° de artikelen 97 en 98 van hetzelfde Wetboek;    4° de artikelen 134 tot 149 van hetzelfde Wetboek;    5° artikel 151 van hetzelfde Wetboek;    6° de artikelen 152 tot 165, 171 en 172, 177, 265 en 268 van hetzelfde Wetboek;    7° artikel 219 van hetzelfde Wetboek;    8° de artikelen 223 tot 225 van hetzelfde Wetboek;    9° de artikelen 226 tot 228 van hetzelfde Wetboek;    10° de artikelen 231, 232 en 234 van hetzelfde Wetboek, voor zover een klacht is ingediend;    11° artikel 233 van hetzelfde Wetboek;    12° artikel 258 tot 260 van hetzelfde Wetboek;    13° artikel 340 van hetzelfde Wetboek;    14° de artikelen 342 tot 346 van hetzelfde Wetboek;    15° boek II, titel 4, hoofdstuk 1, van hetzelfde Wetboek;    16° de artikelen 276 tot 284 van hetzelfde Wetboek;    17° de artikelen 389 tot 391, 393, 398 tot 402, 546, 562, 564 tot 571, 573 tot 583, 585 tot 611, 613 en 624 van hetzelfde Wetboek;    18° de artikelen 406 tot 409 van hetzelfde Wetboek;    19° boek II, titel 4, hoofdstuk 5, en titel 6, hoofdstuk 1, afdeling 1, onderafdeling 4, van hetzelfde Wetboek;    20° de artikelen 427 en 428 van hetzelfde Wetboek;    21° de artikelen 439 en 445 van hetzelfde Wetboek;    22° artikel 451 van hetzelfde Wetboek;    23° de artikelen 467 tot 469 van hetzelfde Wetboek;    24° artikel 487 van hetzelfde Wetboek;    25° artikel 488 van hetzelfde Wetboek;    26° artikel 501 van hetzelfde Wetboek wanneer de betrokken goederen verkregen zijn door middel van een misdrijf bedoeld in dit artikel;    27° artikel 502, eerste lid, 1°, 2° en 3°, en 503 van hetzelfde Wetboek;    28° de artikelen 507 en 508 van hetzelfde Wetboek;    29° artikel 513 van hetzelfde Wetboek, indien de omstandigheden bedoeld in de artikelen 507 of 508 van hetzelfde Wetboek verenigd zijn;    30° de artikelen 524 tot 533 van hetzelfde Wetboek;    31° de artikelen 542 tot 545 en 551 tot 559 van hetzelfde Wetboek;    32° de artikelen 638 en 639 van hetzelfde Wetboek;    33° artikel 2bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;    34° de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen;    35° artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, antihormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, anti-parasitaire,    en anti-inflammatoire werking, welk artikel betrekking heeft op strafbare feiten waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen straffen worden gesteld;    36° artikel 10, § 1, 2°, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, bèta-adrenergische of productie-stimulerende werking;    37° artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;    38° artikel 237 van het Strafwetboek en artikel 145, § 3, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;    39° de artikelen 8 tot 11, 14, 16, 19, 1°, 2°, 3°, 5° en 6°, 20, 22, 27 en 33 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, ook "Wapenwet" genoemd;    40° de artikelen 21 tot 26 van het Samenwerkings-akkoord van 2 maart 2007 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Overeenkomst tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 13 januari 1993;    41° artikel 47 van het decreet van het Vlaams Gewest van 15 juni 2012 betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie;    42° artikel 20 van het decreet van het Waals Gewest van 21 juni 2012 betreffende de invoer, uitvoer, doorvoer en overdracht van civiele wapens en van defensiegerelateerde producten;    43° artikel 42 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk gewest van 20 juni 2013 betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen, toebehoren en munitie ervan.]10   § 3. Poging tot het plegen van een [10 misdrijf]10 bedoeld in de voorgaande paragraaf kan eveneens een [5 maatregel]5 wettigen.   § 4. Een strafbaar feit, bedoeld in de [10 artikelen 403 of 405]10 van het Strafwetboek, kan eveneens een [5 maatregel]5 wettigen, voor zover de vereniging gevormd is met het doel een aanslag te plegen tegen de personen of eigendommen bedoeld in § 2 (of om het in [10 artikel 466]10 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit te begaan). <W 2004-12-09/40, art. 14, 042; Inwerkingtreding : 03-01-2005>   § 5. [5 In geval van ontdekking op heterdaad en zolang de heterdaadsituatie duurt, kan de procureur des Konings de maatregel bedoeld in paragraaf 1 bevelen voor de strafbare feiten bedoeld in de [10 artikelen 219, 220, 226 tot 228, 371, 464 of 468]10 van het Strafwetboek. In geval van ontdekking op heterdaad kan de procureur des Konings bovendien de maatregel bedoeld in paragraaf 1 bevelen voor het in [10 artikel 371 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit, met uitzondering van het artikel 371, § 3, eerste lid, 6°]10, van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit, binnen de tweeënzeventig uur na de ontdekking van dit strafbare feit.    De machtiging kan mondeling worden verleend en dient zo spoedig mogelijk schriftelijk te worden bevestigd.]5   (§ 6. Een bevoegde buitenlandse overheid mag, in het raam van een strafrechtelijk onderzoek, [5 tijdelijk niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem onderscheppen, er kennis van nemen en opnemen]5, ingeval de persoon op wie deze maatregel betrekking heeft, zich op het Belgische grondgebied bevindt en indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :   1° deze maatregel vereist geen technische tussenkomst van een instantie die in België is gevestigd;   2° de betrokken buitenlandse overheid heeft kennis gegeven van deze maatregel aan een Belgische rechterlijke overheid;   3° in deze mogelijkheid is voorzien in een internationaal rechtsinstrument tussen België en de verzoekende Staat;   4° de in § 7 bedoelde beslissing van de onderzoeksrechter is nog niet meegedeeld aan de betrokken buitenlandse overheid.   De gegevens die op grond van deze paragraaf zijn verzameld, kunnen alleen worden gebruikt op voorwaarde dat de bevoegde Belgische rechterlijke overheid instemt met de maatregel.   § 7. Zodra de procureur des Konings de in paragraaf 6, eerste lid, 2°, bedoelde kennisgeving ontvangt, maakt hij ze onverwijld aanhangig bij de onderzoeksrechter.   De onderzoeksrechter bij wie een kennisgeving als bedoeld in § 6, eerste lid, 2°, aanhangig is gemaakt, stemt in met de betrokken maatregel indien deze toelaatbaar is overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.   Hij stelt de betrokken buitenlandse overheid in kennis van zijn beslissing binnen zesennegentig uur vanaf de ontvangst ervan door de Belgische gerechtelijke overheid.   Ingeval een bijkomende termijn noodzakelijk is, kan de onderzoeksrechter zijn beslissing en de kennisgeving ervan aan de bevoegde buitenlandse overheid maximum acht dagen uitstellen. Hij verwittigt hiervan onverwijld de bevoegde buitenlandse overheid met opgave van de redenen.   Ingeval de onderzoeksrechter de in § 6 bedoelde maatregel niet toestaat, deelt hij de buitenlandse overheid eveneens mee dat de verkregen gegevens moeten worden vernietigd zonder te kunnen worden gebruikt.) <W 2004-12-09/40, art. 14, 042; Inwerkingtreding : 03-01-2005>   ----------   (1)<W 2012-12-27/29, art. 30, 066; Inwerkingtreding : 10-02-2013>   (2)<W 2014-03-26/02, art. 53, 071; Inwerkingtreding : 28-03-2014>   (3)<W 2015-07-20/08, art. 3, 077; Inwerkingtreding : 15-08-2015>   (4)<W 2016-04-27/07, art. 6, 082; Inwerkingtreding : 19-05-2016>   (5)<W 2016-12-25/37, art. 17, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>   (6)<W 2019-05-22/19, art. 15, 104; Inwerkingtreding : 01-07-2019>   (7)<W 2022-03-21/01, art. 106, 112; Inwerkingtreding : 01-06-2022>   (8)<W 2023-07-31/02, art. 3, 116; Inwerkingtreding : 19-08-2023>   (9)<W 2024-03-28/60, art. 59, 121; Inwerkingtreding : 08-04-2024>   (10)<W 2026-03-11/03, art. 97, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 90quater · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 6. [1 Onderscheppen, kennisnemen, doorzoeken en opnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90quater. [1 § 1. Voor iedere maatregel op grond van artikel 90ter wordt vooraf een met redenen omklede schriftelijke machtiging gegeven door de onderzoeksrechter die deze meedeelt aan de procureur des Konings.    De machtiging wordt gedagtekend en vermeldt:    1° de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter;    2° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen;    3° de persoon, het communicatiemiddel, het informaticasysteem of de plaats die het voorwerp is van de maatregel;    4° de periode tijdens welke de maatregel kan worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn dan één maand. Deze termijn vangt aan de dag van de machtiging waarbij de maatregel wordt bevolen, of, in geval van artikel 90quinquies, eerste lid, verlengd, en loopt tot en met de dag voor de zoveelste van de daarop volgende maand;    5° de naam en de hoedanigheid van de officier of officieren van gerechtelijke politie aangewezen voor de uitvoering van de maatregel.    In spoedeisende gevallen kan de machtiging mondeling worden verleend. Deze machtiging wordt [3 zo spoedig mogelijk]3 bevestigd in de vorm bepaald in het tweede lid.    § 2. De onderzoeksrechter kan, om de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, mogelijk te maken, rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning, de medewerking vorderen van:    - de operator van een elektronisch communicatie-netwerk;    - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen.   [4 De in het eerste lid genoemde personen zijn verplicht hun medewerking te verlenen.]4    Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig [4 artikel 352]4 van het Strafwetboek.    Iedere persoon die zijn technische medewerking aan de vorderingen bedoeld in het eerste lid weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, medewerking waarvan de modaliteiten vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft [2 [4 overeenkomstig de artikelen 655 en 656 van het Strafwetboek]4]2.    § 3. De onderzoeksrechter mag voor de tenuitvoerlegging van de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, alleen officieren van gerechtelijke politie aanwijzen. Deze kunnen zich echter laten bijstaan door agenten van gerechtelijke politie en, onder de voorwaarden door de Koning bepaald, door personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie. De laatstgenoemde personen mogen niet belast worden met de analyse van de inhoud van de opgenomen communicatie of gegevens, tenzij het een specifieke expertise betreft, of met de selectie van voor het onderzoek van belang geachte delen, zoals bedoeld in artikel 90sexies, § 1, 2°.    De officieren van gerechtelijke politie houden de namen bij van de personen door wie zij zich laten bijstaan, in een lijst die voor elk dossier afzonderlijk wordt opgesteld volgens de nadere regels door de Koning bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Indien deze personen belast zijn met de uitvoering van het bevel bedoeld in artikel 90ter, § 1, derde lid, worden hun namen niet vermeld in het gerechtelijk dossier.    De aangewezen officieren van gerechtelijke politie brengen ten minste om de vijf dagen schriftelijk verslag uit aan de onderzoeksrechter over de tenuitvoerlegging van de machtiging.    § 4. De onderzoeksrechter kan personen van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het communicatiemiddel of het informaticasysteem waarop de maatregel betrekking heeft of van diensten of toepassingen om gegevens, die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een communicatiemiddel of een informaticasysteem, te beveiligen, te coderen of te versleutelen, rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning, vorderen inlichtingen te verlenen over de werking ervan en over de wijze om in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de inhoud ervan die wordt of is overgebracht.    Hij kan personen vorderen om deze inhoud toegankelijk te maken in de door hem gewenste vorm.[4 Deze personen zijn verplicht hun medewerking te verlenen.]4   [2 Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, of de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, hindert, wordt gestraft [4 overeenkomstig de artikelen 655 en 656 van het Strafwetboek]4.]2   [2 [4 ...]4]2    Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of gevorderd wordt zijn technische medewerking te verlenen, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig [4 artikel 352]4 van het Strafwetboek.    § 5. In voorkomend geval is [2 artikel 88ter, vierde lid]2 toepasbaar op de gegevens, aangetroffen door een zoeking in een informaticasysteem met toepassing van artikel 90ter, § 1.]1   ----------   (1)<W 2016-12-25/37, art. 18, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>   (2)<W 2022-12-06/02, art. 15, 114; Inwerkingtreding : 31-12-2022>   (3)<W 2023-07-31/02, art. 4, 116; Inwerkingtreding : 19-08-2023>   (4)<W 2026-03-11/03, art. 98, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 90quinquies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 6. [1 Onderscheppen, kennisnemen, doorzoeken en opnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90quinquies.<Ingevoegd bij W 1994-06-30/49, art. 3; Inwerkingtreding : 03-02-1995> [1 De onderzoeksrechter kan de uitwerking van de machtiging bedoeld in artikel 90quater, § 1, één of meer malen verlengen met een termijn die niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken zodra de omstandigheden die deze gewettigd hebben, verdwenen zijn. Deze termijn van zes maanden vangt aan de dag van de eerste machtiging waarbij de maatregel wordt bevolen, en loopt tot en met de dag voor de zoveelste van de zesde daarop volgende maand. Indien de maatregel, wegens de technische voorbereiding ervan, daadwerkelijk werd aangevat op een latere dag dan deze van de eerste machtiging, vangt de termijn van zes maanden aan de dag van deze daadwerkelijke aanvatting en ten laatste twee maanden na de dag van de eerste machtiging.]1   De bepalingen vervat in artikel 90quater, § 1, zijn toepasselijk op de verlenging bedoeld in het voorgaande lid. De [1 machtiging]1 vermeldt bovendien de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen.   Indien nieuwe en ernstige omstandigheden de maatregelen bedoeld in artikel 90ter noodzakelijk maken, kan de onderzoeksrechter een nieuwe maatregel bevelen, met inachtneming van de formaliteiten omschreven in de artikelen 90ter en 90quater, in dat geval moet de [1 machtiging]1 de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden vermelden die een nieuwe maatregel noodzakelijk maken en wettigen.   ----------   (1)<W 2016-12-25/37, art. 19, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 90sexies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 6. [1 Onderscheppen, kennisnemen, doorzoeken en opnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90sexies.[1 § 1. De aangewezen officieren van gerechtelijke politie stellen aan de onderzoeksrechter ter beschikking:    1° het bestand bevattende de opgenomen niet voor publiek toegankelijke communicaties of gegevens van een informaticasysteem bekomen als gevolg van de maatregelen genomen met toepassing van de artikelen 90ter, 90quater en 90quinquies;    2° de overschrijving of weergave van de door de aangewezen officieren van gerechtelijke politie voor het onderzoek van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of gegevens, en de eventuele vertaling ervan;    3° in voorkomend geval, de plaats van de gegevens bedoeld in de bepaling onder 2° in het informaticasysteem;    4° een algemene beschrijving van de inhoud en van de identificatiegegevens van de gebruikte communicatiemiddelen of informaticasystemen wat betreft de niet van belang geachte communicaties of gegevens.    § 2. Onverminderd de selectie door de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in paragraaf 1, beoordeelt de onderzoeksrechter welke gedeelten van alle opgenomen niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem van belang zijn voor het onderzoek. In zoverre deze gedeelten van de communicatie of gegevens niet overgeschreven, weergegeven of vertaald zijn overeenkomstig paragraaf 1, moeten zij bijkomend overgeschreven, weergegeven en eventueel vertaald worden. De onderzoeksrechter laat daarvan proces-verbaal opmaken.    § 3. De niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem die onder het beroepsgeheim vallen, worden niet opgetekend in het proces-verbaal. Deze communicatie of gegevens worden in een bestand onder verzegelde omslag neergelegd ter griffie. Gaat het om personen bedoeld in artikel 90octies, dan wordt ter zake gehandeld zoals bepaald in dat artikel.    § 4. De machtigingen van de onderzoeksrechter, de verslagen van de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 90quater, § 3, en de processen-verbaal die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de maatregel, worden uiterlijk na het beëindigen van de maatregel bij het dossier gevoegd.]1   ----------   (1)<W 2016-12-25/37, art. 20, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 90septies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 6. [1 Onderscheppen, kennisnemen, doorzoeken en opnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90septies.[1 § 1. De passende middelen worden aangewend om de integriteit en de vertrouwelijkheid van de opgenomen niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem te waarborgen.    § 2. Ieder bestand bevat het onderwerp van de opgenomen niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem en de dagen en uren waarop de maatregel is uitgevoerd.    § 3. Iedere aantekening in het kader van de tenuitvoerlegging van de maatregelen bedoeld in de artikelen 90ter, 90quater en 90quinquies door de daartoe aangewezen personen, die niet is opgetekend in een proces-verbaal, wordt vernietigd, met uitzondering van het vermelde in artikel 90sexies, § 1, 2°, 3° en 4° en onverminderd artikel 33 van de wet van 25 december 2016 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvordering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecomunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken. De voor de uitvoering van de maatregel aangewezen officieren van gerechtelijke politie gaan over tot deze vernietiging en vermelden dit in een proces-verbaal.    Om beheersredenen en om aan de verplichting van artikel 90decies te kunnen voldoen, kunnen de strikt noodzakelijke administratieve gegevens evenwel bewaard blijven bij de dienst aangewezen door de Koning.    § 4. De bestanden bedoeld in artikel 90sexies, § 1, 1°, worden onder verzegelde omslag ter griffie bewaard. Ze kunnen bovendien ook worden bewaard bij de dienst aangewezen door de Koning onder de voorwaarden en nadere regels door Hem bepaald na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.    De stukken bedoeld in artikel 90sexies, § 1, 2°, 3° en 4°, en de afschriften van de processen-verbaal worden onder verzegelde omslag ter griffie bewaard.    § 5. De griffier vermeldt in een per dag bijgehouden, bijzonder register:    1° de dag van de neerlegging van de in artikel 90sexies, § 1, bedoelde bestanden en stukken, alsmede van ieder afschrift van proces-verbaal;    2° de naam van de onderzoeksrechter die de maatregel heeft bevolen of bevestigd en het voorwerp ervan;    3° de dag waarop de zegels zijn verbroken en in voorkomend geval opnieuw zijn gelegd;    4° de datum van de kennisname van de in artikel 90sexies, § 1, bedoelde bestanden en stukken, van de afschriften van processen-verbaal, alsook de namen van de personen die er kennis van genomen hebben;    5° iedere andere gebeurtenis die erop betrekking heeft.    § 6. De inverdenkinggestelde, de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadslieden ontvangen op eenvoudig verzoek een kopie van het geheel van de opgenomen niet voor het publiek toegankelijke communicaties of gegevens van een informaticasysteem, waarvan bepaalde van belang geachte gedeelten overgeschreven of weergegeven werden en opgenomen werden in een proces-verbaal waarvan ze inzage hebben.    De inverdenkinggestelde, de beklaagde, de burgerlijke partij of hun raadslieden kunnen de rechter verzoeken om de overeenkomstig § 4 ter griffie neergelegde andere bestanden of stukken ter griffie te raadplegen, en bijkomende delen van de opgenomen communicatie of gegevens over te schrijven of weer te geven. Het verzoek dat gericht is tot de onderzoeksrechter, wordt behandeld overeenkomstig artikel 61quinquies.    De rechter kan het verzoek afwijzen indien hij de raadpleging of de overschrijving of weergave van bijkomende delen niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen, indien hij dit op dat ogenblik nadelig acht voor het onderzoek, of om redenen die verband houden met de bescherming van andere rechten of belangen van personen. Hij kan de raadpleging of de overschrijving of weergave van bijkomende delen ook beperken tot een door hem nader omschreven selectie van bestanden of stukken.]1   ----------   (1)<W 2016-12-25/37, art. 21, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 90octies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 6. [1 Onderscheppen, kennisnemen, doorzoeken en opnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90octies. [1 § 1. De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats, de communicatiemiddelen of de informaticasystemen van een advocaat of een arts, indien deze er zelf van verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter te hebben gepleegd, gebruik maken van diens lokalen, woonplaats, communicatiemiddelen of informaticasystemen.    § 2. De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht.    Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig [2 artikel 352]2 van het Strafwetboek.    § 3. De onderzoeksrechter beoordeelt, na overleg met de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren, welke gedeelten van de in artikel 90sexies, § 3, bedoelde niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem, die hij van belang acht voor het onderzoek, onder het beroepsgeheim vallen en welke niet.    Enkel de gedeelten van de communicatie of gegevens bedoeld in het eerste lid die worden geacht niet onder het beroepsgeheim te vallen, worden overgeschreven of weergegeven en worden desgevallend vertaald. De onderzoeksrechter laat hiervan proces-verbaal opmaken. De bestanden bevattende deze communicatie of gegevens worden onder verzegelde omslag neergelegd ter griffie.    Alle overige communicatie of gegevens worden in een ander bestand onder afzonderlijke verzegelde omslag neergelegd ter griffie.]1   ----------   (1)<W 2016-12-25/37, art. 22, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>   (2)<W 2026-03-11/03, art. 99, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 90novies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 6. [1 Onderscheppen, kennisnemen, doorzoeken en opnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90novies.<W 2002-12-19/86, art. 12, 036; Inwerkingtreding : 24-02-2003> Uiterlijk vijftien dagen nadat de beslissing over de regeling van de rechtspleging definitief is geworden of nadat de dagvaarding bedoeld in artikel 524bis , § 6, ter griffie van de rechtbank of het hof werd neergelegd, stelt de griffier, op vordering van de procureur des Konings of in voorkomend geval van de procureur-generaal, iedere persoon ten aanzien van wie een maatregel bedoeld in artikel 90ter is genomen, schriftelijk in kennis van de aard van die maatregel en van de dagen waarop deze is uitgevoerd [1 , tenzij diens identiteit of woonplaats redelijkerwijze niet achterhaald kunnen worden]1.   ----------   (1)<W 2016-12-25/37, art. 23, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 90decies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 6. [1 Onderscheppen, kennisnemen, doorzoeken en opnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem of een deel ervan.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90decies.<Ingevoegd bij W 1994-06-30/49, art. 3; Inwerkingtreding : 03-02-1995> De Minister van Justitie brengt elk jaar verslag uit aan het Parlement over de toepassing van de artikelen 90ter tot en met 90novies.   Hij brengt het Parlement op de hoogte van het aantal onderzoeken die aanleiding gegeven hebben tot de maatregelen bedoeld in die artikelen, van de duur van die maatregelen, van het aantal betrokken personen en van de behaalde resultaten.   [3 Hij brengt tegelijkertijd verslag uit over de toepassing van de artikelen 40bis, 46ter, 46quater, 46quinquies, 47ter tot 47decies, 56bis, 86bis, 86ter, 88sexies, en 89ter.]3   (Hij brengt het Parlement op de hoogte van het aantal onderzoeken die aanleiding gegeven hebben tot de maatregelen bedoeld in deze artikelen, van het aantal betrokken personen, van de misdrijven waarop ze betrekking hadden en van de behaalde resultaten.) <W 2002-04-08/51, art. 13, 031; Inwerkingtreding : 01-11-2002>   (Hij brengt tegelijkertijd verslag uit over de toepassing van de artikelen 102 tot 111 en 317 en stelt de federale Wetgevende Kamers in kennis van het aantal betrokken dossiers, personen en misdrijven.) <W 2002-07-07/42, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 20-08-2002>   [1 Bij dit verslag wordt tevens het verslag gevoegd dat werd opgesteld met toepassing van artikel 126, § 6, derde lid, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.]1   [2 Bij dit verslag wordt tevens het verslag gevoegd dat werd opgesteld met toepassing van artikel 126, § 5, vierde lid, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.]2       (NOTA : bij arrest nr 84/2015 van 11-06-2015 (B.St. 11-08-2015, p. 50983) heeft het Grondwettelijk Hof dit wijziging met inwerkingtredding 30/07/2013 vernietigd)   ----------   (1)<W 2013-07-30/10, art. 7, 069; Inwerkingtreding : 02-09-2013>   (2)<W 2016-05-29/03, art. 10, 085; Inwerkingtreding : 28-07-2016, (NOTA : bij arrest nr. 57/2021 van 22-04-2021 (2021-04-22/20, B.St. 28-06-2021, p. 65587), heeft het Grondwettelijk Hof de wijziging aangebracht aan dit artikel vernietigd) >   (3)<W 2016-12-25/37, art. 24, 088; Inwerkingtreding : 27-01-2017>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 90undecies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 7. DNA-ONDERZOEK. <ingevoegd bij W 1999-03-22/52, art. 3, Inwerkingtreding : 30-03-2002>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90undecies. [1 § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 56, § 1, derde lid, van dit Wetboek, kan de onderzoeksrechter bevelen dat een referentiestaal onder dwang wordt afgenomen van een persoon tegen wie er aanwijzingen van schuld bestaan bij het plegen van [2 feiten die bij hem aanhangig zijn]2, indien de feiten strafbaar zijn met [5 een straf van niveau 3]5 of met een zwaardere straf.    In zijn met redenen omklede beschikking die hij meedeelt aan de procureur des Konings, vermeldt de onderzoeksrechter :    1° de omstandigheden van de zaak in het kader waarvan de afname wordt bevolen;    2° het bestaan van aanwijzingen van zijn schuld bij het plegen van [2 feiten die bij hem aanhangig zijn]2;    3° de noodzaak om dwang te gebruiken;    4° in voorkomend geval, de vergelijking van het DNA-profiel met de DNA-profielen van de in het kader van die zaak aangetroffen sporen;    5° de eenmalige vergelijking van het DNA-profiel met de in de nationale DNA-gegevensbanken opgeslagen DNA-profielen;    6° in geval van een positief verband met een van de profielen bedoeld in de 4° of 5°, het opslaan van zijn DNA-profiel in de DNA-gegevensbank " Criminalistiek ";    7° in geval van het opslaan van het DNA-profiel, de systematische vergelijking van zijn DNA-profiel met de DNA-profielen opgeslagen in [3 de nationale, buitenlandse en internationale DNA-gegevensbanken]3;    8° in geval van een positief verband met een van de profielen bedoeld in het 7°, het opslaan van dit verband;   [2 9° het systematisch opstellen en vergelijken van zijn Y-STR-profiel, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken als bedoeld in [4 artikel 5, § 1, derde lid, 8°,]4 van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken.]2    De onderzoeksrechter hoort vooraleer hij de afname onder dwang beveelt, de persoon die er het voorwerp van moet uitmaken, en [2 stelt hem in kennis van de bepalingen onder 1° tot 9° opgesomd in het tweede lid]2.    Van de redenen van de eventuele weigering van de afname of van de instemming van de betrokkene met die maatregel, wordt door de onderzoeksrechter melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor.    § 2. De onderzoeksrechter vordert een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, of een arts om een hoeveelheid wangslijmvlies of haarwortels af te nemen.    Voor het afnemen van bloed kan hij alleen een arts vorderen.    Van de afname wordt een proces-verbaal opgesteld door de officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.    Indien de maatregel onder fysieke dwang moet worden uitgevoerd, wordt die dwang uitgeoefend door politieambtenaren onder het bevel van een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. In dat geval is de bloedafname verboden.    § 3. Indien de in § 1 bedoelde persoon de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt, dan dient hij zich voor de toepassing van de §§ 1 en 2 te laten begeleiden door minstens een van zijn ouders, door een advocaat of door een ander meerderjarige persoon van zijn keuze.    § 4. De onderzoeksrechter wijst een deskundige verbonden aan een laboratorium aan om :    1° het DNA-profiel van het referentiestaal op te stellen;    2° in voorkomend geval, de vergelijking van dat DNA-profiel met de DNA-profielen van de in het kader van die zaak aangetroffen sporen uit te voeren;   [2 3° het Y-STR-profiel van het referentiestaal op te stellen, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een misdrijf uitmaken als bedoeld in [4 artikel 5, § 1, derde lid, 8°,]4 van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken;    4° in voorkomend geval, de vergelijking van dat Y-STR-profiel met de DNA-profielen van de in het kader van die zaak aangetroffen sporen uit te voeren.]2   [2 § 4/1. De onderzoeksrechter kan, bij een met redenen omklede beslissing en met specificatie van de omstandigheden van het dossier die deze analyse verantwoorden, de deskundige bedoeld in paragraaf 4 vorderen om:    1° het Y-STR-profiel of het mtDNA-profiel op te stellen van het referentiestaal;    2° in voorkomend geval, de vergelijking van dat Y-STR-profiel of mtDNA-profiel met de DNA-profielen van de in het kader van die zaak aangetroffen sporen uit te voeren.]2    § 5. De deskundige zendt een met redenen omkleed verslag over de uitvoering van zijn opdracht over aan de onderzoeksrechter binnen een maximumtermijn van een maand na de ontvangst van zijn opdracht en van de overtuigingsstukken.    De onderzoeksrechter kan evenwel een bijkomende onderzoekstermijn toestaan op een met redenen omkleed verzoek van de deskundige.    § 6. Behoudens een met redenen omklede andersluidende beslissing van de onderzoeksrechter, zendt de deskundige die de opdracht heeft gekregen om het DNA-profiel van het referentiestaal op te stellen [2 in toepassing van paragraaf 4, 1° en 3°, en van paragraaf 4/1, 1°]2, ambtshalve het DNA-profiel binnen vijftien dagen na de overzending van zijn verslag door aan de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken met het oog op de toepassing van artikel 5quater, §§ 2 tot 4, van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken.    Hij zendt eveneens de erop betrekking hebbende gegevens opgesomd in artikel 44quater, § 3, tweede lid, over.    § 7. Onverminderd § 6, en behoudens een met redenen omklede andersluidende beslissing van de onderzoeksrechter, zendt de deskundige die de opdracht heeft gekregen om [2 de in paragraaf 4, 2° en 4°, en paragraaf 4/1, 2° bedoelde vergelijking]2 te maken en die een positief verband heeft aangetoond, ambtshalve het DNA-profiel van het referentiestaal binnen vijftien dagen na de overzending van zijn verslag, over aan de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, met het oog op de toepassing van artikel 5quater, §§ 1, 3 en 4, van de voornoemde wet.    Hij zendt eveneens de erop betrekking hebbende gegevens opgesomd in artikel 44quater, § 3, tweede lid, van dezelfde wet over.    § 8. De kennisgeving van de resultaten aan de betrokkene, het tegenonderzoek, alsmede [2 de bewaring en de vernietiging]2 van de referentiestalen en de daaruit afgeleide stalen die DNA bevatten, worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 44quinquies, §§ 6 en 9.]1   ----------   (1)<W 2011-11-07/16, art. 6, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2014 (zie KB 2013-07-17/29, art. 36)>   (2)<W 2024-03-07/01, art. 8,a,b, 120; Inwerkingtreding : 01-03-2024>   (3)<W 2024-03-07/01, art. 8,c, 120; Inwerkingtreding : 24-03-2024>   (4)<W 2026-02-08/04, art. 8, 129; Inwerkingtreding : 26-02-2026>   (5)<W 2026-03-11/03, art. 100, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 90duodecies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VI. - ONDERZOEKSRECHTERS. / AFDELING II. - AMBTSVERRICHTINGEN VAN DE ONDERZOEKSRECHTER. / § 7. DNA-ONDERZOEK. <ingevoegd bij W 1999-03-22/52, art. 3, Inwerkingtreding : 30-03-2002>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90duodecies. [1 § 1. Indien de [3 feiten die bij hem aanhangig zijn]3, strafbaar zijn met een [4 straf van niveau 3]4 of met een zwaardere straf, en hij over aanwijzingen beschikt dat de betrokkene een directe band heeft met het gerechtelijk onderzoek, kan de onderzoeksrechter bevelen dat een referentiestaal onder dwang wordt afgenomen van een persoon die niet bedoeld is in artikel 90undecies.    In zijn met redenen omklede beschikking, die hij meedeelt aan de procureur des Konings, vermeldt de onderzoeksrechter :    1° de omstandigheden van de zaak in het kader waarvan de afname wordt bevolen;    2° de noodzaak om dwang te gebruiken;    3° de vergelijking van het DNA-profiel met de DNA-profielen van de aangetroffen sporen in het kader van de zaak;    4° het feit dat het DNA-profiel niet wordt overgezonden aan de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, om er te worden vergeleken of er te worden opgeslagen.    § 2. De onderzoeksrechter hoort vooraleer hij de afname onder dwang beveelt, de persoon die er het voorwerp van moet uitmaken, en stelt hem in kennis van de 1° tot 4° opgesomd in § 1, tweede lid.    Van de redenen van de eventuele weigering van de afname of van de instemming van de persoon met die maatregel wordt door de onderzoeksrechter melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor.    § 3. De afname, het opstellen van het DNA-profiel van het referentiestaal, de vergelijking van DNA-profielen, de overzending van de uitslag aan de onderzoeksrechter, de kennisgeving van de uitslag aan de betrokkene, het tegenonderzoek [3 worden verricht overeenkomstig artikel 90undecies, §§ 2 tot 5]3.    De hoedanigheid van de persoon wordt meegedeeld aan de met de vergelijking van de DNA-profielen belaste deskundige [3 , die het referentiestaal en de daaruit afgeleide stalen die DNA bevatten uiterlijk zes maanden na de overzending van zijn verslag vernietigt, tenzij de onderzoeksrechter bij een met redenen omklede beslissing een andere bewaartermijn beveelt om verdere analyse op basis van hetzelfde referentiestaal mogelijk te maken, die niet langer kan zijn dan vijf jaar]3.]1   [2 § 4. Ingeval de onderzoeksrechter in het kader van een dossier inzake [3 misdrijven bedoeld in de [4 artikelen 134 of 138]4 van het Strafwetboek]3 beslist om geen DNA-profiel te laten opstellen van sporen of van een referentiestaal aangetroffen of afgenomen bij onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer zoals bedoeld in artikel 90bis, verstrekt hij hierover op het einde van het gerechtelijk onderzoek uitleg aan het slachtoffer.]2   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2011-11-07/16, art. 7, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2014 (zie KB 2013-07-17/29, art. 36)>   (2)<W 2011-11-30/28, art. 9, 063; Inwerkingtreding : 30-01-2012>   (3)<W 2024-03-07/01, art. 9, 120; Inwerkingtreding : 01-03-2024>   (4)<W 2026-03-11/03, art. 101, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 90terdecies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIbis. [1 - ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE PERSOONSGEGEVENSBESCHERMING IN HET KADER VAN DE STRAFPROCEDURE EN INZAKE MEDEDELINGEN AAN DE PERS]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90terdecies. [1 De uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 21ter, 21quinquies, 61ter/1, 61quinquies/1, en de daarmee gepaard gaande procedure kunnen de eigenlijke procedure niet schorsen en niet vertragen.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-03-28/60, art. 61, 121; Inwerkingtreding : 08-04-2024>
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 90quaterdecies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIbis. [1 - ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE PERSOONSGEGEVENSBESCHERMING IN HET KADER VAN DE STRAFPROCEDURE EN INZAKE MEDEDELINGEN AAN DE PERS]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90quaterdecies. [1 De verzoeken bedoeld in de artikelen 21quinquies en 61quinquies/1 schorsen de regeling van de rechtspleging niet en kunnen geen reden zijn om vast te stellen dat de zaak niet in staat van wijzen is.    Zolang er betreffende de regeling van de rechtspleging geen in kracht van gewijsde getreden eindbeslissing van het onderzoeksgerecht is, is de onderzoeksrechter bevoegd om kennis te nemen van en uitspraak te doen over de verzoeken bedoeld in artikel 61quinquies/1.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-03-28/60, art. 62, 121; Inwerkingtreding : 08-04-2024>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 90quindecies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIbis. [1 - ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE PERSOONSGEGEVENSBESCHERMING IN HET KADER VAN DE STRAFPROCEDURE EN INZAKE MEDEDELINGEN AAN DE PERS]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90quindecies.[1 De uitoefening van de rechten inzake gegevensbescherming en de procedures bedoeld in de artikelen 21ter, 21quinquies, 61ter/1 en 61quinquies/1, zijn uitgesloten wat betreft de gegevens opgenomen in een vertrouwelijk dossier in het kader van de bijzondere opsporingsmethoden van observatie, infiltratie en burgerinfiltratie, de informantenwerking, de maatregel bedoeld in artikel 46sexies indien daarbij een vertrouwelijk dossier werd aangelegd, de gegevens die door volledige of gedeeltelijke anonimiteit worden beschermd, de gegevens beschermd door gewone of bijzondere beschermingsmaatregelen, de afgeschermde identiteitsgegevens van de leden van de politiediensten behorend tot de speciale eenheden of die onderzoek doen naar of interveniëren bij bijzonder zware misdrijven [2 , de gegevens meegedeeld in het kader van het casusoverleg georganiseerd met het oog op de voorkoming van misdrijven bedoeld in boek II, titel Iter, of van misdrijven gepleegd in het raam van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek]2.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-03-28/60, art. 63, 121; Inwerkingtreding : 08-04-2024>   (2)<W 2026-01-08/05, art. 7, 128; Inwerkingtreding : 15-02-2026>
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 90sedecies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIbis. [1 - ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE DE PERSOONSGEGEVENSBESCHERMING IN HET KADER VAN DE STRAFPROCEDURE EN INZAKE MEDEDELINGEN AAN DE PERS]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 90sedecies. [1 De procureur des Konings kan in andere situaties dan bedoeld in de artikelen 28quinquies en 57 indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens betreffende [2 misdrijven]2 verstrekken. Hij waakt voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld zolang niet definitief rechterlijk de schuld of onschuld is vastgesteld, de rechten van verdediging van de beklaagde of de beschuldigde, het slachtoffer en derden, het privéleven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven.    De procureur des Konings kan in het raam van het openbaar belang en de voorkoming van strafbare feiten met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid duiding geven over ernstige [2 ...]2 zaken die werden afgesloten met een in kracht van gewijsde veroordeling.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2024-03-28/60, art. 64, 121; Inwerkingtreding : 08-04-2024>   (2)<W 2026-03-11/03, art. 102, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 91 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VII. - (Voorlopige maatregelen ten aanzien van rechtspersonen). <Ingevoegd bij W 1999-05-04/60, art. 16; Inwerkingtreding : 02-07-1999>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 91. <Ingevoegd bij W 1999-05-04/60, art. 16; Inwerkingtreding : 02-07-1999> Wanneer gedurende een gerechtelijk onderzoek de onderzoeksrechter ernstige aanwijzingen van schuld bij een rechtspersoon vaststelt, kan hij de volgende maatregelen gelasten, indien bijzondere omstandigheden dat vergen :   1° schorsing van de procedure van ontbinding of vereffening van de rechtspersoon;   2° verbod van specifieke vermogensrechtelijke transacties die tot het onvermogen van de rechtspersoon kunnen leiden;   3° neerlegging van een borgsom tot een door hem bepaald bedrag, als waarborg voor de inachtneming van de maatregelen die hij gelast.   Indien de in het vorige lid bedoelde maatregelen betrekking hebben op onroerende goederen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 35bis.
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 91bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIIbis. - (Verhoor van minderjarigen [1 en kwetsbare meerderjarigen]1 die het slachtoffer of getuige zijn van bepaalde misdrijven). <W 2000-11-28/35, art. 38, 026; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 91bis. <W 2000-11-28/35, art. 38, 026; Inwerkingtreding : 01-04-2001> Elke minderjarige [3 en elke kwetsbare meerderjarige,]3 die het slachtoffer of getuige is van de feiten bedoeld in de [5 artikelen 134 tot 149, 151 tot 168, 171 tot 174, 183 tot 185, 187, 194 tot 198, 200, 201, 206 tot 211, 223 tot 225, 226 tot 228, 258 tot 260, 265, 268, 299 tot 301, 328 tot 330, 333 tot 335, 336 en 337 van het Strafwetboek]5, heeft het recht zich tijdens elk verhoor vanwege de rechterlijke instanties te laten begeleiden door een meerderjarig persoon van zijn keuze, behalve wanneer het openbaar ministerie of de onderzoeksmagistraat ten aanzien van deze persoon bij een met redenen omklede beslissing anders oordeelt in het belang van de minderjarige [3 of de kwetsbare meerderjarige]3 of teneinde de waarheid aan het licht te brengen..   [3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "kwetsbare meerderjarige" verstaan elke persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van zijn leeftijd, een zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk is.]3 <W 2000-11-28/35, art. 38, 026; Inwerkingtreding : 01-04-2001> <W 2005-08-10/61, art. 26, 045; Inwerkingtreding : 12-09-2005>   ----------   (1)<W 2014-04-10/24, art. 10, 073; Inwerkingtreding : 10-05-2014>   (2)<W 2016-02-01/09, art. 2, 081; Inwerkingtreding : 29-02-2016>   (3)<W 2019-05-05/10, art. 16, 102; Inwerkingtreding : 03-06-2019>   (4)<W 2022-03-21/01, art. 107, 112; Inwerkingtreding : 01-06-2022>   (5)<W 2026-03-11/03, art. 103, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗