Gratis brononderzoek

Wetboek van Strafvordering

Strafrechtelijke onderzoeks- en procesregels.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-03 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-03-18

Open officiële bron ↗
Afzonderlijke brononderdelen

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

921 bronvarianten

  1. Art. 507 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK IV. - MISDRIJVEN TEGEN DE EERBIED AAN DE GESTELDE OVERHEDEN VERSCHULDIGD.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 507. Ten aanzien van de feitelijkheden die tot [1 misdrijf zijn geworden, of van alle andere op heterdaad vastgestelde misdrijven]1, gepleegd ter terechtzitting van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of van een hof van assisen (...), gaat het hof onmiddellijk en bij voorrang tot het berechten daarvan over. <W 10-07-1967, art. 1, 207°>   Het hoort de getuigen, de dader en de raadsman die hij gekozen heeft of die de voorzitter hem heeft toegevoegd; na de feiten te hebben vastgesteld en de procureur-generaal of zijn substituut te hebben gehoord, alles in het openbaar, legt het de straf op bij een met redenen omkleed arrest.   ----------   (1)<W 2026-03-11/03, art. 202, 028; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 508 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK IV. - MISDRIJVEN TEGEN DE EERBIED AAN DE GESTELDE OVERHEDEN VERSCHULDIGD.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 508. Indien er in het geval van het vorige artikel vijf of zes rechters tegenwoordig zijn op de terechtzitting, zijn vier stemmen vereist voor de veroordeling.   Zijn er zeven tegenwoordig, dan zijn vijf stemmen vereist voor de veroordeling.   Zij er acht of meer tegenwoordig, dan wordt het veroordelend arrest uitgesproken met drie vierden van de stemmen, met dien verstande, dat indien er na de berekening van die drie vierden een breuk overblijft, deze ten voordele komt van de vrijspraak.
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 509 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK IV. - MISDRIJVEN TEGEN DE EERBIED AAN DE GESTELDE OVERHEDEN VERSCHULDIGD.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 509. Wanneer de provinciegouverneurs, arrondissementscommissarissen, burgemeesters en schepenen, officieren van administratieve of van gerechtelijke politie, in het openbaar enige handeling van hun ambt verrichten, oefenen ook zij de bij artikel 504 geregelde politiebevoegdheden uit; en na de rustverstoorders te hebben doen vatten, maken zij proces-verbaal op van het misdrijf en verwijzen dit proces-verbaal, indien daartoe grond bestaat, alsmede de verdachten naar de bevoegde rechters.
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 510 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 510. De prinsen of prinsessen van koninklijken bloede, (...) en de minister van Justitie kunnen nooit als getuige worden gedagvaard, zelfs niet voor de debatten die ten overstaan van de jury worden gehouden, tenzij de Koning, op verzoek van een partij en op verslag van de minister van Justitie, bij een bijzonder besluit die verschijning toelaat. <W 10-07-1967, art. 1, 209°>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 511 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 511. De getuigenissen van de personen van die hoedanigheid worden, behoudens de hierboven bepaalde uitzondering, schriftelijk opgemaakt en afgenomen door de eerste voorzitter van het hof van beroep, indien de in het vorige artikel genoemde personen in de hoofdplaats van een hof van beroep verblijven of zich aldaar bevinden; anders door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar zij hun woonplaats hebben of waar zij zich toevallig bevinden.   Te dien einde zendt het hof of de onderzoeksrechter waarbij de zaak aanhangig is, aan de voornoemde voorzitter een opgave van de feiten en vraagpunten waarover het getuigenis gevorderd wordt.   Deze voorzitter begeeft zich naar de woning van de bedoelde personen om hun getuigenis af te nemen.
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 512 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 512. De aldus afgenomen getuigenissen worden dadelijk op de griffie neergelegd of gesloten en verzegeld toegezonden aan de griffie van het hof of van de rechter die ze heeft gevorderd, en onverwijld meegedeeld aan de ambtenaar belast met het openbaar ministerie.   Bij het onderzoek voor de jury worden zij aan de gezworenen in het openbaar voorgelezen en aan de debatten onderworpen, op straffe van nietigheid.
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 513 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 513. Ingeval de Koning een besluit neemt waarbij de verschijning van enige van de voormelde personen voor de jury wordt bevolen of toegelaten, wijst hetzelfde koninklijk besluit het ceremonieel aan dat te hunnen opzichte in acht zal worden genomen.
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 514 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 514. Ten opzichte van andere ministers dan de minister van Justitie, (...), ambassadeurs of andere agenten van de Koning bij de vreemde staatshoofden geaccrediteerd, wordt gehandeld als volgt : <W 10-07-1967, art. 1, 212°>   Indien hun getuigenis gevorderd wordt hetzij voor het hof van assisen, hetzij voor de onderzoeksrechter van de plaats van hun verblijf of van de plaats waar zij zich toevallig bevinden, moeten zij getuigenis afleggen in de gewone vorm.   Indien het een getuigenis betreft in een zaak die vervolgd wordt buiten de plaats waar zij voor de uitoefening van hun ambt verblijven en buiten de plaats waar zij zich toevallig bevinden, en indien het getuigenis niet gevorderd wordt voor de jury, doet de voorzitter of de onderzoeksrechter bij wie de zaak aanhangig is, aan zijn ambtgenoot van de plaats waar die ambtenaren uit hoofde van hun ambt verblijven, een opgave toekomen van de feiten en vraagpunten waarover het getuigenis wordt gevorderd.   Indien het een getuigenis betreft van een bij een vreemde regering residerend agent, wordt die opgave gezonden aan de minister van Justitie, die ze te bestemder plaatse laat bezorgen en de persoon aanwijst die het getuigenis zal afnemen.
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 515 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 515. De voorzitter of de onderzoeksrechter aan wie de in het vorige artikel vermelde opgave wordt toegezonden, doet de ambtenaar voor zich dagvaarden en laat hem schriftelijk getuigenis afleggen.
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 516 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 516. Dit getuigenis wordt gesloten en verzegeld toegezonden aan de griffie van het hof of van de rechter die het gevorderd heeft, alsook meegedeeld en voorgelezen zoals in artikel 512 is bepaald en onder dezelfde straffen.
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 517 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 517. Wanneer ambtenaren van de hoedanigheid als vermeld in artikel 514, gedagvaard worden om als getuige te verschijnen voor een jury die vergaderd is buiten de plaats waar zij voor de uitoefening van hun ambt verblijven of waar zij zich toevallig bevinden, kunnen zij daarvan bij een koninklijk besluit worden vrijgesteld.   In dat geval leggen zij schriftelijk getuigenis af en de voorschriften van de artikelen 514, 515 en 516 worden in acht genomen.
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 518 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VI. - VASTSTELLING VAN DE IDENTITEIT VAN ONTVLUCHTE EN OPNIEUW AANGEHOUDEN VEROORDEELDEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 518. De vaststelling van de identiteit van een veroordeelde die ontvlucht is en opnieuw aangehouden, geschiedt door het hof dat hem veroordeeld heeft.   (Lid 2 opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 214°>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 519 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VI. - VASTSTELLING VAN DE IDENTITEIT VAN ONTVLUCHTE EN OPNIEUW AANGEHOUDEN VEROORDEELDEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 519. De desbetreffende vonnissen worden gewezen zonder bijstand van gezworenen, nadat het hof de getuigen gehoord heeft die opgeroepen zijn zowel op verzoek van de procureur-generaal als van de aangehoudene, indien deze getuigen heeft doen dagvaarden.   De terechtzitting is openbaar en de aangehoudene moet tegenwoordig zijn, op straffe van nietigheid.
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 520 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VI. - VASTSTELLING VAN DE IDENTITEIT VAN ONTVLUCHTE EN OPNIEUW AANGEHOUDEN VEROORDEELDEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 520. De procureur-generaal en de aangehoudene kunnen zich, in de vorm en binnen de termijn bij dit wetboek bepaald, in cassatie voorzien tegen het arrest dat op de vordering tot vaststelling van identiteit gewezen is.
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 520bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VIbis. [1 - Opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffenstraffen, opsluitingen of interneringen.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 520bis. [1 § 1. De opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van [2 vrijheidsbenemende hoofdstraffen]2 of interneringen wordt gevoerd onder het gezag en de leiding van de magistraat van het openbaar ministerie dat bevoegd is voor de uitvoering van de in gezag of kracht van gewijsde gegane veroordeling.    Het eerste lid is ook van toepassing op personen bedoeld in het eerste lid tegen wie een Europees aanhoudingsbevel, een rechtshulpverzoek of een verzoek tot uitlevering is uitgevaardigd. De bevoegde procureur des Konings is deze van de plaats waar de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel of verzoek tot uitlevering is uitgevaardigd, kan worden aangetroffen.    Het bevoegde openbaar ministerie waakt over de wettigheid van de opsporingshandelingen.    § 2. Behoudens de wettelijke uitzonderingen, verloopt de opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van [2 vrijheidsbenemende hoofdstraffen]2 of interneringen volgens de regels van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.    Het openbaar ministerie kan over het hele grondgebied van het Rijk alle opsporingshandelingen verrichten of laten verrichten die tot zijn bevoegdheid horen.    § 3. De politieambtenaren die in het raam van een opsporing bedoeld in paragraaf 1 inlichtingen hebben verzameld die van belang kunnen zijn voor een lopend strafonderzoek of strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, brengen deze inlichtingen onmiddellijk ter kennis van de bevoegde procureur des Konings. Wanneer zij in de loop van een opsporing zoals bedoeld in paragraaf 1 feiten ontdekken die een [2 misdrijf]2 kunnen uitmaken, stellen zij het bevoegde openbaar ministerie hiervan onmiddellijk in kennis.    Het bevoegde openbaar ministerie kan de inlichtingen bedoeld in het eerste lid, die op regelmatige wijze zijn verzameld, aanwenden in het kader van de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten in een lopend strafonderzoek of strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-05/10, art. 58, 019; Inwerkingtreding : 03-06-2019>   (2)<W 2026-03-11/03, art. 204, 028; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 520ter · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VIbis. [1 - Opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffenstraffen, opsluitingen of interneringen.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 520ter. [1 § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie elke opsporingshandeling die toegelaten is in het raam van het in artikel 28bis bedoelde opsporingsonderzoek laten verrichten door de gevorderde politiedienst, met uitzondering van de maatregelen bepaald in de artikelen 47sexies en 47octies.    § 2. De opsporingshandelingen bedoeld in paragraaf 1 kunnen enkel worden toegepast wanneer is voldaan aan de voorwaarden vermeld in de artikelen die betrekking hebben op deze opsporingshandelingen.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-05/10, art. 59, 019; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 520quater · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VIbis. [1 - Opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffenstraffen, opsluitingen of interneringen.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 520quater. [1 Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de informantenwerking toepassen overeenkomstig artikel 47decies.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-05/10, art. 60, 019; Inwerkingtreding : 03-06-2019>
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 520quinquies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VIbis. [1 - Opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffenstraffen, opsluitingen of interneringen.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 520quinquies. [1 § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de onderzoeksrechter van de plaats waar de straf of de vrijheidsberovende maatregel is uitgesproken, vorderen om machtiging te verlenen tot toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie of infiltratie, zoals omschreven in de artikelen 47sexies tot 47novies, met inachtneming van de hierna omschreven voorwaarden.    § 2. De onderzoeksrechter kan slechts machtiging verlenen tot een observatie of een infiltratie wanneer deze onontbeerlijk is voor de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1.    § 3. Een observatie met gebruik van technische hulpmiddelen kan enkel gemachtigd worden wanneer de strafbare feiten waarvoor [2 de vrijheidsbenemende hoofdstraf of internering is uitgesproken, een straf van niveau 2]2 of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben.    Een infiltratie en een observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning, of in de door deze woning omsloten eigen aanhorigheid [2 ...]2 of in een lokaal dat aangewend wordt voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts, kunnen enkel gemachtigd worden wanneer een [2 vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering is uitgesproken voor een strafbaar feit bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4 , of dat gepleegd werd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in [2 artikel 406]2 van het Strafwetboek.    Wanneer een observatie als bedoeld in het tweede lid of een infiltratie betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts, kunnen zij bovendien slechts gemachtigd worden wanneer tegen de advocaat of de arts een [2 vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering is uitgesproken voor één van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, of voor een strafbaar feit gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in [2 artikel 406]2 van het Strafwetboek, of indien precieze feiten doen vermoeden dat derden waartegen een [2 dergelijke vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering is uitgesproken, gebruik maken van diens lokalen of woonplaats.    Deze maatregelen kunnen niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte is. Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig [2 artikel 352]2 van het Strafwetboek.    § 4. De vordering bedoeld in paragraaf 1 vermeldt :    1° de dag, de maand en het jaar;    2° de naam van het lid van het bevoegde openbaar ministerie dat de vordering indient;    3° de identiteitsgegevens van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van [2 zijn vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering heeft onttrokken;    4° het strafbare feit waarvoor een [2 vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering is uitgesproken;    5° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;    6° de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 3°, 5° en 6°, of in artikel 47octies, § 3, 3°, 5° en 6°.    Een afschrift van de vrijheidsberovende titel wordt bij de vordering gevoegd.    Van zodra de onderzoeksrechter de vordering ontvangen heeft, controleert hij of aan de voorwaarden voor de toepassing van een observatie of infiltratie voldaan is, en indien dit het geval is, verleent hij een schriftelijke machtiging.    De machtiging vermeldt :    1° de naam van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van [2 zijn vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering heeft onttrokken;    2° het strafbare feit waarvoor een [2 vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering is uitgesproken, en de rechterlijke beslissing waarbij deze is uitgesproken;    3° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;    4° de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 3° tot 6°, of 47octies, § 3, 3° tot 6°.    De onderzoeksrechter zendt de machtiging en de stukken rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie. Het bevoegde openbaar ministerie bewaart de machtiging in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier en heeft als enige toegang tot dit dossier, onverminderd het inzagerecht van de machtigende onderzoeksrechter bedoeld in paragraaf 8, derde lid. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.    § 5. In spoedeisende gevallen kan de vordering bedoeld in paragraaf 1 of de machtiging bedoeld in paragraaf 4 mondeling worden gedaan. De vordering en de machtiging moeten zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in paragraaf 4, eerste en vierde lid.    § 6. Op verzoek van het bevoegde openbaar ministerie kan de onderzoeksrechter steeds op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie of infiltratie wijzigen, aanvullen of verlengen. Hij kan te allen tijde zijn machtiging intrekken. Hij gaat bij elke wijziging, aanvulling of verlenging van zijn machtiging na of de voorwaarden bepaald in paragrafen 1 tot 4 zijn vervuld en handelt daarbij in overeenstemming met paragraaf 4, vierde lid, 1° tot 4°. De beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging worden door het bevoegde openbaar ministerie bij het vertrouwelijk dossier gevoegd.    § 7. Het bevoegde openbaar ministerie staat in voor de tenuitvoerlegging van de machtigingen tot observatie of infiltratie die zijn verleend door de onderzoeksrechter.    Het vermeldt op dat ogenblik in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de politiediensten en de personen bedoeld in artikel 47quinquies, § 2, derde lid, in het kader van de door de onderzoeksrechter gemachtigde observatie of infiltratie kunnen worden gepleegd. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in paragraaf 4, vijfde lid, bewaard.    § 8. De officier van gerechtelijke politie die de leiding heeft over de uitvoering van de observatie of de infiltratie brengt het bevoegde openbaar ministerie nauwgezet, volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over elke fase in de uitvoering van de maatregelen.    Deze vertrouwelijke verslagen worden rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie overgezonden, die ze bewaart in het dossier bedoeld in paragraaf 4, vijfde lid.    De onderzoeksrechter heeft steeds het recht het vertrouwelijk dossier aangaande de uitvoering van de observatie of de infiltratie in te zien, zonder dat hij van de inhoud ervan in het kader van zijn opdracht gewag kan maken.    § 9. De officier van gerechtelijke politie die de leiding heeft over de uitvoering van de observatie of de infiltratie stelt proces-verbaal op van de verschillende fasen van de uitvoering van de observatie of de infiltratie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren belast met de uitvoering van de observatie of de infiltratie, en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het schriftelijk verslag bedoeld in paragraaf 8, eerste lid.    In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie of infiltratie en worden de vermeldingen bedoeld in paragraaf 4, derde lid, 1° tot 4°, opgenomen, met uitzondering van de vermelding in 4° die verwijst naar de artikelen 47sexies, paragraaf 3, 4° en 6°, en 47octies, paragraaf 3, 4° en 6°.    De onderzoeksrechter bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie of infiltratie.    De opgestelde processen-verbaal en de in het derde lid bedoelde beslissing worden bij het proceduredossier gevoegd.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-05/10, art. 61, 019; Inwerkingtreding : 03-06-2019>   (2)<W 2026-03-11/03, art. 205, 028; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 520sexies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VIbis. [1 - Opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffenstraffen, opsluitingen of interneringen.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 520sexies. [1 § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de onderzoeksrechter van de plaats waar de straf of de vrijheidsberovende maatregel is uitgesproken, vorderen om, met inachtneming van de hierna omschreven voorwaarden, de onderzoekshandelingen te machtigen waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is.    § 2. De in paragraaf 1 bedoelde onderzoekshandelingen kunnen enkel worden gemachtigd wanneer is voldaan aan de voorwaarden vermeld in dezelfde artikelen die deze onderzoekshandelingen regelen in het kader van een gerechtelijk onderzoek.    § 3. De vordering bedoeld in paragraaf 1 vermeldt :    1° de dag, de maand en het jaar;    2° de naam van het lid van het bevoegde openbaar ministerie dat de vordering indient;    3° de identiteitsgegevens van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van [2 zijn vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering heeft onttrokken;    4° het strafbare feit waarvoor een [2 vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering is uitgesproken;    5° de redenen waarom de onderzoekshandeling onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;    6° de onderzoekshandeling bedoeld in paragraaf 1 waarvoor het bevoegde openbaar ministerie een machtiging van de onderzoeksrechter vraagt.    Een afschrift van de vrijheidsberovende titel wordt bij de vordering gevoegd.    Van zodra de onderzoeksrechter de vordering ontvangen heeft, controleert hij of aan de voorwaarden voor de toepassing van de onderzoekshandeling bedoeld in het eerste lid, 6°, voldaan is, en indien dit het geval is, verleent hij een schriftelijke machtiging.    De machtiging vermeldt :    1° de naam van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van [2 zijn vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering heeft onttrokken;    2° het strafbare feit waarvoor een [2 vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering is uitgesproken, en de rechterlijke beslissing waarbij deze is uitgesproken;    3° de redenen waarom de onderzoekshandeling onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;    4° de onderzoekshandeling die gemachtigd wordt en, desgevallend, de voorwaarden ervoor.    De onderzoeksrechter zendt de machtiging en de stukken rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie.    § 4. In spoedeisende gevallen kan de vordering bedoeld in paragraaf 1 of de machtiging bedoeld in paragraaf 3 mondeling worden gedaan. De vordering en de machtiging moeten zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in paragraaf 3, eerste en vierde lid.    § 5. Het bevoegde openbaar ministerie staat in voor de tenuitvoerlegging van de machtigingen tot de in paragraaf 1 bedoelde onderzoekshandelingen die zijn verleend door de onderzoeksrechter.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-05/10, art. 62, 019; Inwerkingtreding : 03-06-2019>   (2)<W 2026-03-11/03, art. 206, 028; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 520septies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808121230 / TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. / HOOFDSTUK VIbis. [1 - Opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffenstraffen, opsluitingen of interneringen.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 520septies. [1 De kosten van de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, omvatten alle kosten die veroorzaakt worden door de toepassing van de opsporingshandelingen bedoeld in de voorgaande artikelen, uitgezonderd de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het optreden van de betrokken magistraten en politieambtenaren.    De kosten zijn ten laste van de persoon die zich onttrokken heeft aan de uitvoering van de betreffende [2 vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering. De kosten die het gevolg zijn van onregelmatige opsporingshandelingen en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan de persoonlijke gedraging van de betrokken persoon zijn ten laste van de Staat.    Indien een vergoeding moet worden betaald voor de in het eerste lid bedoelde opsporingshandelingen, gelden de tarieven die bepaald zijn bij de regelgeving betreffende de gerechtskosten in strafzaken.    De magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing begroot de kosten, die namens zijn ambt zijn gemaakt.    De vervolging tot invordering van deze kosten wordt namens de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën.    De beslissing van de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing om de kosten ten laste van de persoon die zich onttrokken heeft aan de uitvoering van de betreffende [2 vrijheidsbenemende hoofdstraf]2 of internering te leggen, wordt bij een ter post aangetekende brief aan de betrokken persoon ter kennis gebracht.    De betrokken persoon kan tegen de beslissing van de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing om de kosten te zijnen laste te leggen, een beroep instellen bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij aangetekende zending binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de bestreden beslissing.    De Kamer van Inbeschuldigingstelling doet in eerste en laatste aanleg uitspraak over de vordering.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-05/10, art. 63, 019; Inwerkingtreding : 03-06-2019>   (2)<W 2026-03-11/03, art. 207, 028; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗