Gratis brononderzoek

Wetboek van Strafvordering

Strafrechtelijke onderzoeks- en procesregels.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-03 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-03-18

Open officiële bron ↗
Afzonderlijke brononderdelen

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

921 bronvarianten

  1. Art. 112duodecies · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIIsexies. [1 - De polygraaftest.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 112duodecies. [1 § 1. De polygraaftest is een bijzondere techniek van politionele ondervraging die audiovisueel wordt opgenomen waarbij middels een psychisch-fysiologische procedure de waarachtigheid van verklaringen wordt nagegaan door registratie van fysiologische parameters aan de hand van grafieken.    § 2. Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat strafbare feiten een [3 misdrijf]3 uitmaken, kan de procureur des Konings of, naargelang van het stadium waarin de procedure zich bevindt, de onderzoeksrechter, aan de verdachte, de getuige of het slachtoffer voorstellen zich aan een polygraaftest te onderwerpen.    De personen bedoeld in het eerste lid kunnen ook om een polygraaftest verzoeken. De procureur des Konings of, naargelang van het stadium waarin de procedure zich bevindt, de onderzoeksrechter, kan, bij een met redenen omklede beslissing, dit verzoek afwijzen.    § 3. Er kan geen polygraaftest worden afgenomen van volgende personen:    - zwangere vrouwen;    - minderjarigen beneden de leeftijd van zestien jaar;    - personen binnen achtenveertig uur te rekenen vanaf hun effectieve vrijheidsbeneming.    § 4. Het afleggen van de polygraaftest gebeurt op vrijwillige basis. Aan de weigering van een persoon om deel te nemen wordt geen enkel rechtsgevolg verbonden. De test kan te allen tijde onderbroken worden. Ook hieraan is geen rechtsgevolg verbonden.    De persoon die aan een polygraaftest zal worden onderworpen, wordt er mondeling en voor de aanvang van de test van in kennis gesteld dat:    - hij op eender welk ogenblik de test kan doen ophouden en het lokaal kan verlaten zonder dat daar rechtsgevolgen aan verbonden zijn;    - de volledige test audiovisueel wordt opgenomen;    - indien hij zich laat bijstaan door een advocaat, zijn advocaat deze test mag volgen vanuit de volgkamer, zonder echter rechtstreeks te mogen tussenkomen tijdens de eigenlijke test of deze te mogen onderbreken.    De test kan enkel doorgang vinden indien de persoon die onderworpen wordt aan de polygraaftest toestemt met kennis van zaken. Hiertoe ondertekent deze persoon een proces-verbaal van toestemming. De in het proces-verbaal opgenomen informatie wordt voorgelezen aan de betrokkene. De Koning bepaalt de minimale informatie die in dit proces-verbaal wordt opgenomen.    Ingeval een minderjarige aan een polygraaftest wordt onderworpen, ondertekenen de minderjarige en zijn advocaat het proces-verbaal van toestemming.    § 5. Voorafgaandelijk aan elke polygraaftest kan een alcohol-, drugs- of geneesmiddelentest en psychologisch of psychiatrisch onderzoek van de persoon die aan deze test zal worden onderworpen, afgenomen worden. De resultaten van deze voorafgaande testen kunnen mee in rekening worden genomen door de magistraat die de leiding over het onderzoek heeft bij de beoordeling of van de betrokken persoon een polygraaftest mag afgenomen worden.    Op basis van de resultaten van de in het eerste lid bedoelde voorafgaande testen, beoordeelt de polygrafist of het haalbaar is om de polygraaftest af te nemen zonder dat de validiteit en de betrouwbaarheid ervan ter discussie worden gesteld.    De polygrafist kan te allen tijde de polygraaftest stoppen indien hij twijfelt over de psychische of fysische gezondheid of toestand van betrokkene. De magistraat kan, al dan niet op voorstel van de polygrafist, een deskundige aanwijzen voor verder onderzoek met het oog op een test of een nieuwe test. In voorkomend geval kan deze deskundige de test volgen vanuit de volgkamer.    De opdrachtgevende magistraat wordt over het verloop van de polygraaftest op de hoogte gebracht.    § 6. De persoon die aan een polygraaftest wordt onderworpen, heeft recht op bijstand van een advocaat, die eruit bestaat dat de advocaat aanwezig kan zijn bij het voorlezen en ondertekenen van het proces-verbaal van toestemming en zowel de voorbereiding als het feitelijke verloop van de polygraaftest kan volgen in de volgkamer. Bij enige andere tussenkomst van de advocaat wordt de polygraaftest onmiddellijk beëindigd en kan op dezelfde dag geen andere polygraaftest meer uitgevoerd worden.    Na het beëindigen van de polygraaftest, worden de resultaten overlopen. Indien er naar aanleiding van de polygraaftest een verhoor wordt afgenomen, worden alle rechten inzake toegang tot een advocaat bij het verhoor, voorafgaandelijk aan het verhoor, gewaarborgd.    In voorkomend geval kan de advocaat ook na beëindiging van de polygraaftest melding laten maken in het proces-verbaal bedoeld in paragraaf 8, van de schendingen van rechten die hij meent te hebben vastgesteld.    § 7. [2 Op straffe van nietigheid van de testresultaten mag de polygraaftest uitsluitend worden afgenomen met een toestel waarvan de technische vereisten door de Koning worden bepaald.]2    § 8. Van de polygraaftest wordt een proces-verbaal opgemaakt met daarin de letterlijke weergave van alle gestelde vragen en antwoorden alsook een samenvatting van de nabespreking na het afleggen van de polygraaftest. De audiovisuele opnames van de test, in twee exemplaren gefinaliseerd alsook de testgrafieken worden als originelen beschouwd en ter griffie neergelegd. De audiovisuele opname van de polygraaftest wordt op een afzonderlijke audiovisuele gegevensdrager opgenomen, zodat het gescheiden blijft van het navolgend verhoor.    § 9. Wanneer tijdens of naar aanleiding van de polygraaftest spontaan wordt overgegaan tot bekentenissen, wordt de polygraaftest onmiddellijk stopgezet en wordt overgegaan tot een verhoor overeenkomstig artikel 47bis en de artikelen 2bis en 24bis/1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.    § 10. De resultaten van de polygraaftest mogen alleen in aanmerking worden genomen als ondersteunend bewijs van andersoortige bewijsmiddelen.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2020-02-04/08, art. 3, 107; Inwerkingtreding : 02-03-2020>   (2)<W 2020-02-04/08, art. 3, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2021>   (3)<W 2026-03-11/03, art. 113, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 113 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 113. De voorlopige invrijheidstelling kan nooit aan de verdachte verleend worden, wanneer op het ten laste gelegde feit een [1 straf van niveau 4 of een zwaardere straf]1 gesteld is.   ----------   (1)<W 2026-03-11/03, art. 114, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 114 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 114. (Indien op het feit een [1 straf van niveau 2 of 3]1 gesteld is), kan de raadkamer, op verzoek van de verdachte en op de conclusie van de procureur des Konings, de voorlopige invrijheidstelling van de verdachte bevelen, mits een gegoede borg gesteld wordt tot zekerheid van zijn verschijning bij alle proceshandelingen en ter tenuitvoerlegging van het vonnis, zodra zulks van hem gevorderd wordt. <W 10-07-1967, art. 1, 66°>   De voorlopige invrijheidstelling tegen borgstelling kan in elke stand van de zaak gevraagd en verleend worden.   ----------   (1)<W 2026-03-11/03, art. 115, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 115 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 115. Landlopers en vroeger zwaar veroordeelden kunnen in geen geval voorlopig in vrijheid gesteld worden.
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 116 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 116. Van het onderzoek tot voorlopige invrijheidstelling wordt kennis gegeven aan de burgerlijke partij, hetzij in haar woonplaats, hetzij in haar gekozen woonplaats.
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 117 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 117. De gegoedheid van de voorgestelde borg kan worden betwist door de procureur des Konings en door de burgerlijke partij, behoorlijk opgeroepen zijnde.   Zij moet worden aangetoond door middel van vrije onroerende goederen, ten belope van de zekerheidstelling plus de helft ervan, tenzij de borg verkiest het bedrag van de zekerheidstelling in geld te storten in de (Deposito- en Consignatiekas).
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 118 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 118. De verdachte mag voor zichzelf als borg optreden, mits hij het bedrag van de zekerheidstelling in bewaring geeft of aantoont dat hij eigenaar is van vrije onroerende goederen ten belope van de zekerheidstelling plus de helft ervan, en mits hij in beide gevallen de hierna bepaalde verbintenis tot betaling aangaat.
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 119 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 119. De zekerheidstelling mag niet minder dan vijfhonderd [1 euro]1 bedragen.   [1 ...]1   Indien uit het misdrijf een burgerlijke, in geld waardeerbare schade is ontstaan, is de zekerheidstelling driemaal het bedrag van de schade, zoals deze door de onderzoeksrechter uitsluitend te dien einde wordt bepaald; in dat geval echter mag de zekerheidstelling niet lager zijn dan vijfhonderd [1 euro]1.   ----------   (1)<W 2026-03-11/03, art. 116, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 120 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 120.De aangenomen borg verklaart, hetzij ter griffie van de rechtbank, hetzij voor notaris, zich te verbinden het bedrag van de zekerheidstelling [1 aan de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën]1 te betalen, ingeval de verdachte in gebreke blijft te verschijnen.   (...) een uitgifte van de verklaring in uitvoerbare vorm wordt aan de burgerlijke partij afgegeven, voordat de verdachte voorlopig in vrijheid gesteld wordt. <W 10-07-1967, art. 1, 69°>   ----------   (1)<W 2018-07-11/07, art. 71, 098; Inwerkingtreding : 30-07-2018>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 121 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 121. De in bewaring gegeven gelden en de onroerende goederen, die tot zekerheidstelling dienen, blijven bij voorrecht verbonden : 1° voor de betaling van de burgerlijke schadevergoeding en van de kosten door de burgerlijke partij voorgeschoten; 2° voor de betaling van de geldboeten; een en ander evenwel onverminderd het voorrecht van de staatskas wegens de kosten door de openbare partij gemaakt.   De procureur des Konings en de burgerlijke partij kunnen een hypothecaire inschrijving nemen zonder het eindvonnis af te wachten. De inschrijving, op verzoek van een van hen genomen, komt aan beiden ten goede.
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 122 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 122.De onderzoeksrechter geeft in voorkomend geval, op de conclusie van de procureur des Konings of op de eis van de burgerlijke partij, een bevelschrift tot betaling van de gewaarborgde som.   Deze betaling wordt op verzoek van de procureur des Konings en door de zorg van de [1 ontvanger van de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën]1 vervolgd. De ingevorderde sommen worden in de [1 Schatkist]1 gestort, onverminderd de vervolgingen en rechten van de burgerlijke partij.   ----------   (1)<W 2018-07-11/07, art. 72, 098; Inwerkingtreding : 30-07-2018>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 123 · Federaal

    Opheffingsvermelding

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 123. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 71°>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 124 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 124. De verdachte wordt eerst dan tegen borgstelling voorlopig in vrijheid gesteld, wanneer hij in de gemeente waar de correctionele rechtbank haar zetel heeft, woonplaats heeft gekozen bij een akte, ter griffie van deze rechtbank verleden.
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 125 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 125. Onverminderd de vervolgingen tegen de borg, indien daartoe grond bestaat, wordt de verdachte gevat en in het huis van arrest opgesloten ter uitvoering van een bevel van de onderzoeksrechter.
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 126 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK VIII. - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING EN BORGSTELLING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 126. De verdachte die zijn borg laat dwingen tot betaling, is nadien in geen geval meer ontvankelijk om opnieuw zijn voorlopige invrijheidstelling tegen borgstelling aan te vragen.
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 127 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK IX. - VERSLAG VAN DE ONDERZOEKSRECHTER NA VOLTOOIING VAN DE RECHTSPLEGING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 127.<W 2005-05-31/32, art. 2, 044 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005> § 1. Wanneer de onderzoeksrechter oordeelt dat zijn onderzoek voltooid is, zendt hij het dossier over aan de procureur des Konings.   Indien de procureur des Konings geen andere onderzoekshandelingen vordert, vordert hij de regeling van de rechtspleging door de raadkamer.   § 2. De raadkamer laat ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij [1 , degene die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd]1 en hun advocaten in kennis [5 per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg]5 dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt, dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen. [3 Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van het dossier nemen ter plaatse.]3   § 3. Binnen de in § 2 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in § 2 bepaalde vormen en termijnen.   [4 De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen een verzoek overeenkomstig artikel 90septies, § 6, tweede lid aan de onderzoeksrechter richten.    De verzoeken vermeld in deze paragraaf dienen op straffe van niet ontvankelijkheid toegezonden aan of neergelegd te worden op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn.]4   § 4. De raadkamer doet uitspraak op verslag van de onderzoeksrechter na de procureur des Konings, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde gehoord te hebben.   De partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat. De raadkamer kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen [2 , al dan niet in een videoconferentie indien de inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis bevindt]2. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open. De beschikking wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur des Konings en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en geldt de beschikking als op tegenspraak gewezen.   Wanneer de raadkamer de zaak in beraad houdt om haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak.   ----------   (1)<W 2012-12-27/29, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 10-02-2013>   (2)<W 2016-01-29/08, art. 2, 080; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-09-2017, (NOTA : bij arrest nr.76/2018 van 21-06-2018 (B.St. 02-07-2018, p. 53419), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 2 vernietigd)>   (3)<W 2019-05-05/19, art. 148, 103; Inwerkingtreding : 29-06-2019>   (4)<W 2021-07-12/03, art. 2, 110; Inwerkingtreding : 30-07-2021>   (5)<W 2022-12-06/02, art. 17, 114; Inwerkingtreding : 31-12-2022>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 128 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK IX. - VERSLAG VAN DE ONDERZOEKSRECHTER NA VOLTOOIING VAN DE RECHTSPLEGING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 128. <W 1998-03-12/39, art. 24, 016; Inwerkingtreding : 1998-10-02> Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit [1 geen misdrijf]1 oplevert, of dat tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging.   (In dat geval en indien het onderzoek werd ingeleid door de burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter, wordt de burgerlijke partij veroordeeld tot het aan de inverdenkinggestelde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.) <W 2007-04-21/85, art. 8, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>   ----------   (1)<W 2026-03-11/03, art. 117, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 129 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK IX. - VERSLAG VAN DE ONDERZOEKSRECHTER NA VOLTOOIING VAN DE RECHTSPLEGING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 129. ((Indien zij van oordeel is) dat het feit slechts [1 een misdrijf oplevert dat tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoort]1, wordt de (inverdenkinggestelde) naar de politierechtbank verwezen.) <W 1994-07-11/33, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 1998-03-12/39, art. 25 en 26, 016; Inwerkingtreding : 1998-10-02>   De bepalingen van dit artikel en van het vorige artikel kunnen geen afbreuk doen aan de rechten van de burgerlijke partij of van de openbare partij, zoals hierna wordt bepaald.   ----------   (1)<W 2026-03-11/03, art. 118, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 130 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK IX. - VERSLAG VAN DE ONDERZOEKSRECHTER NA VOLTOOIING VAN DE RECHTSPLEGING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 130.[1 Indien de raadkamer vaststelt dat het misdrijf behoort tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank, wordt de inverdenkinggestelde naar deze rechtbank verwezen [2 , dan wel, na het gerechtelijk onderzoek in het geval als bedoeld in artikel 57bis, § 1, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, naar de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank]2 .]1   ----------   (1)<W 2009-12-21/14, art. 8, 054; Inwerkingtreding : 01-05-2010>   (2)<W 2015-07-20/19, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 05-09-2015>
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 131 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1808111730 / HOOFDSTUK IX. - VERSLAG VAN DE ONDERZOEKSRECHTER NA VOLTOOIING VAN DE RECHTSPLEGING.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 131.<W 1998-03-12/39, art. 28, 016; Inwerkingtreding : 1998-10-02> § 1. De raadkamer spreekt, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt die invloed heeft op :   1° een handeling van het onderzoek;   2° de bewijsverkrijging.   § 2. Nietigverklaarde stukken worden uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, indien er geen hoger beroep is ingesteld binnen de bij artikel 135 bepaalde termijn. (De ter griffie neergelegde stukken mogen niet worden ingezien, en mogen niet in de strafprocedure worden aangewend.) [1 De raadkamer oordeelt, met inachtneming van de rechten van de andere partijen, in welke mate de ter griffie neergelegde stukken nog in de strafprocedure mogen worden ingezien en aangewend door een partij. De raadkamer geeft in haar beslissing aan, aan wie de stukken moeten worden teruggegeven, dan wel wat er gebeurt met de nietigverklaarde stukken. ]1 <W 2001-07-04/40, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 03-08-2001>       (NOTA : bij arrest nr. 86/2002 van 8 mei 2002, heeft het Arbitragehof, in artikel 131, § 2, de zin " De ter griffie neergelegde stukken mogen niet worden ingezien, en mogen niet in de strafprocedure worden aangewend. " vernietigd, zie B.S. 24-05-2002, p. 22509 - 22514)   ----------   (1)<W 2012-12-14/52, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 02-05-2013>
    Open officiële bron ↗