Justel 1998032331 / TITEL III. - Het rijbewijs / HOOFDSTUK IV. - Examens / Afdeling V. - Praktisch examen
Lees de volledige brontekst
Art. 38_VLAAMS_GEWEST.
<KB 2004-07-15/34, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 05-09-2005> § 1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie [1 AM]1 legt het praktische examen af met een [2 voertuig van de categorie AM]2.
De voertuigen met meer dan twee wielen dienen uitgerust te zijn met een achteruitrijstand.
Het praktische examen mag niet afgenomen worden met een driewielige bromfiets met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van de wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m.
[7 De kandidaat die het examen met een bromfiets met een maximumsnelheid van meer dan 25 km/uur aflegt, is uitgerust met een bromfietshelm.
De kandidaat die het examen met een speedpedelec aflegt, is uitgerust met een bromfietshelm of een fietshelm.]7
§ 2. [4 [5 De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A1 legt het praktisch examen af met een motorfiets van de categorie A1 zonder zijspan, met een maximumvermogen van 11 kW, en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,1 kW per kg, die een snelheid van ten minste 90 km per uur kan bereiken. De cilinderinhoud van een verbrandingsmotor bedraagt minstens 115 cmü. De vermogen/gewichtsverhouding van een motorfiets met elektrische motor bedraagt minstens 0,08 kW/kg.
De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A2 legt het praktisch examen af met een motorfiets zonder zijspan, met een vermogen van ten minsten 20 kW en ten hoogste 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van hoogstens 0,2 kW/kg. De cilinderinhoud van een verbrandingsmotor bedraagt minstens [6 245 cm3]6. De vermogen/gewichtsverhouding van een motorfiets met elektrische motor bedraagt minstens 0,15 kW/kg.
De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A legt het praktische examen af met een motorfiets zonder zijspan, met een ledige massa van meer dan 175 kg en een vermogen van minstens 50 kW. De cilinderinhoud van een verbrandingsmotor bedraagt minstens 595 cmü. De vermogen/gewichtsverhouding van een motorfiets met elektrische motor bedraagt minstens 0,25 kW/kg.]5
De kandidaat is uitgerust met een motorhelm, handschoenen, een vest met lange mouwen en een lange broek of een overall, alsook laarzen of bottines die de enkels beschermen.
De kandidaat die de opleiding, bedoeld in artikel 15, tweede lid, 3°, a) gevolgd heeft, legt het examen af met een voertuig dat uitgerust is met een handschakeling.]4
§ 3. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B legt het praktische examen af met een vierwielig voertuig van deze categorie met ten minste (drie) plaatsen, voorzien van een cabine, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt. <KB 2006-07-10/30, art. 26, 1°, 014; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
Het voertuig moet (...) met veiligheidsgordels uitgerust zijn. <KB 2006-07-10/30, art. 26, 2°, 014; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
[2 § 3bis. De kandidaat die code 96 erbij wil behalen voor de categorie B, legt het praktische examen af met een samenstel met een maximale toegelaten massa van meer dan 3.500 kg en ten hoogste 4.250 kg, bestaande uit een voertuig van de categorie B dat voldoet aan de voorwaarden in § 3, en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 750 kg.]2
§ 4. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B + E legt het praktische examen af met een samenstel bestaande uit een voertuig van de categorie B, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 3, en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 1 000 kg en met een lengte van ten minste 9 m, en dat niet onder de categorie B valt en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt.
De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn dan het trekkende voertuig, zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.
De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.
De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.
§ 5. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C legt het praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie C, waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 12 000 kg, [5 de lengte ten minste 8 m]5 en de breedte ten minste 2,40 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS, [5 met een versnellingsbak waarbij de versnelling manueel door de bestuurder kan worden gekozen]5 en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
De laadruimte moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine en die de volledige laadvloer bedekt.
De feitelijke totale massa van het voertuig moet minimaal 10 000 kg bedragen.
Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig.
§ 6. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C + E legt het praktische examen af met een geleed voertuig of een samenstel bestaande uit een voertuig van de categorie C, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 5, en een aanhangwagen van ten minste 7,5 m lang.
Het gelede voertuig of samenstel moet een maximaal toegelaten massa van ten minste 20 000 kg hebben, ten minste 14 m lang en ten minste 2,40 m breed zijn en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereiken.
Het gelede voertuig of samenstel moet uitgerust zijn met ABS, [5 een versnellingsbak waarbij de versnelling manueel door de bestuurder kan worden gekozen]5 en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn dan het trekkende voertuig, zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.
De feitelijke totale massa van het gelede voertuig of het samenstel moet minimaal 15 000 kg bedragen.
Het gelede voertuig of het samenstel moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het gelede voertuig of van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken.
De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en, in voorkomend geval, verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of het samenstel.
§ 7. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D legt het praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie D, dat ten minste 10 m lang en ten minste 2,40 m breed is en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
§ 8. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie D, dat beantwoordt aan de in § 7 voorgeschreven voorwaarden en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 1 500 kg. Het samenstel heeft een breedte van ten minste 2,40 m en een lengte van ten minste 14 m en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is.
De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.
De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of het samenstel.
§ 9. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de [2
]2[2
]2categorie C1 legt het praktische examen af met een voertuig van de [2
]2categorie C1 waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 5 500 kg en de lengte ten minste 5,5 m bedraagt, en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
De laadruimte moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine en die de volledige laadvloer bedekt.
Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.
§ 10. De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de [2
]2categorie C1 + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de [2
]2categorie C1, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 9, en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 2 500 kg.
Het samenstel moet een lengte hebben van ten minste 9 m en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereiken.
De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine van het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn als het trekkende voertuig zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.
De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.
Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.
§ 11. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de [2
]2categorie D1 legt het praktische examen af met een voertuig van de [2
]2categorie D1, met een maximaal toegelaten massa van ten minste 4 000 kg en een lengte van ten minste 5 m, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
§ 12. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de [2
]2categorie D1 + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de [2
]2categorie D1, dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in § 11, en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 1 500 kg, en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is.
De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.
De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.
(§ 12bis. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie G legt het praktische examen af met een samenstel bestaande uit een land- of bosbouwtrekker met een maximale toegelaten massa van ten minste 6 000 kg en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 18 000 kg.
Het samenstel heeft een lengte van ten minste 9 m en bereikt, op een horizontale weg, een snelheid van tenminste 30 km/u.
De cabine van het trekkend voertuig is gesloten en is uitgerust met een passagierszetel voor de examinator.
De opbouw van de aanhangwagen moet minstens zo zijn, dat de kandidaat verplicht is de buitenste achteruitkijkspiegels te gebruiken, om vanaf zijn zitplaats het verkeer achter, links en rechts gade te slaan, en om onder meer een ander voertuig waar te nemen dat begonnen is met in te halen.) <KB 2006-09-01/33, art. 16, 1°, 015; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
§ 13. De kandidaat bedoeld in [2 artikel 37 die de opheffing van code 78 wenst,]2 legt het praktische examen af met een voertuig dat uitgerust is met een handschakeling.
De kandidaat die, wegens lichamelijke gebreken, slechts bepaalde types van voertuigen of aangepaste voertuigen mag besturen, legt het praktische examen af met een dergelijk voertuig. Hij mag, in voorkomend geval, het examen afleggen met een voertuig dat niet beantwoordt aan de in dit artikel gestelde normen. De kenmerken waaraan het voertuig moet voldoen, komen op het attest bedoeld in artikel 44, § 5 of in artikel 45, tweede lid.
Het praktische examen moet afgelegd worden met een voertuig dat de uitvoering van de in bijlage 5 bepaalde voorafgaande controles en manoeuvres toelaat.
§ 14. (De kandidaat die zich aanbiedt met een rijschool legt het praktisch examen af met de bijstand van een instructeur [3 of een stagiair]3 en met een scholingsvoertuig van de rijschool waar hij het praktisch onderricht volgde en dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
De houder van een voorlopige rijbewijs model 3 legt het praktisch examen af :
1° hetzij met een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 6, 2°. De begeleider moet aanwezig zijn;
2° hetzij onder de voorwaarden bedoeld in eerste lid.
[2 Evenwel, na tweemaal niet geslaagd te zijn voor het praktisch examen of, als het gaat om een kandidaat voor het rijbewijs A1, A2 of A, na tweemaal niet geslaagd te zijn voor de proef op de openbare weg, kan de houder van een voorlopig rijbewijs model 3 het praktisch examen enkel afleggen onder de voorwaarden bedoeld in het eerste lid. De kandidaat voor het rijbewijs A1, A2 of A moet in dat geval niet de opleiding volgen, voorzien in artikel 15, tweede lid, 1° /2.]2
[2 Evenwel, de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie AM kan ook het praktisch examen afleggen zonder de bijstand van een instructeur en met een voertuig van de categorie overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1.]2
(De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie G legt het praktische examen af :
1° hetzij met bijstand van een instructeur van de landbouwschool of het landbouwopleidingscentrum waar hij de opleiding heeft gevolgd en met het voertuig van de school of het centrum of door hem erkend;
2° hetzij onder de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.) <KB 2006-09-01/33, art. 16, 2°, 015; Inwerkingtreding : 15-09-2006>
(3° hetzij met de bijstand van een persoon die gemachtigd is om een voertuig van de categorie G te besturen en aan boord van een voertuig geleverd door de kandidaat en uitgerust op de achterzijde en op een duidelijk zichtbare plaats met het teken " L ", waarvan het model is bepaald door de Minister.) <KB 2007-08-24/31, art. 7, 020; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
§ 15. Als een van de hierna opgesomde bedieningsorganen van het in § 14, tweede lid, 1°, bedoelde voertuig dubbel geïnstalleerd is, moeten de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting [2 ...]2 en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel ook dubbel geïnstalleerd worden. De begeleider moet bovendien de grootlichten kunnen uitschakelen en in de plaats daarvan de dimlichten aansteken.
De dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de begeleider gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de kandidaat wordt gehinderd.
Een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de begeleider het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt. "
----------
(1)<KB 2011-04-28/01, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>
(2)<KB 2011-04-28/01, art. 31, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>
(3)<KB 2012-09-20/57, art. 34, 037; Inwerkingtreding : 25-01-2013>
(4)<KB 2013-01-08/01, art. 24, 040; Inwerkingtreding : 18-01-2013>
(5)<KB 2013-11-15/04, art. 7, 043; Inwerkingtreding : 07-12-2013>
(6)<BVR 2020-11-27/14, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 23-01-2021>
(7)<BVR 2023-06-16/18, art. 4, 079; Inwerkingtreding : 01-10-2023>