Gratis brononderzoek

Rijbewijs

Rijbewijscategorieën, voorwaarden en procedures.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-03 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-07-06

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

240 bronvarianten

  1. Art. N5/2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N5/2. [1 Bijlage 5/2 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs    Een groot deel van elke opleiding moet aan de verkeersveiligheid en aan de eigen veiligheid van de (toekomstige) bromfietser worden besteed. De opleiding voor een voertuig van de categorie AM moet ten minste de volgende documenten en informatie bevatten :    1° Een opleidingsfiche, die bij het begin van de opleiding aan de leerling wordt overhandigd en die ten minste het volgende moet bevatten :    a. een inleidende alinea die uitlegt wat het rijden met een tweewieler voor de eigen veiligheid en voor de veiligheid van de andere weggebruikers inhoudt. De rijopleiding is niet uitsluitend gericht op de verwerving van technieken, maar ook op het zich eigen maken van vaardigheden, houdingen en een verantwoordelijk gedrag;    b. de verschillende te onderrichten materies en de bedoelde opleiding : technieken, vaardigheden, gedrag, houding, evaluatie en zelfbeoordeling;    c. de beoogde resultaten van de verworvenheden, zowel op technisch vlak als op het vlak van de vaardigheden en vooral op het vlak van het gedrag en de houding;    d. een evaluatie van de verworvenheden op het einde van een opleidingsmodule : zelfbeoordeling door de leerling en beoordeling door de opleider alsook een evaluatie van de kwaliteit van de opleiding.    2° De te onderrichten leerstof (in verband met 1° ) moet tenminste de volgende materies bevatten :    a. Theoretische kennis :    1. herhaling van de verkeersreglementbepalingen die op tweewielers van toepassing zijn;    2. bewustwording van de kwetsbaarheid van het rijden met een bromfiets in alle omstandigheden;    3. kennis van de basismechanica;    4. correct gebruik van de geschikte uitrusting, boorddocumenten;    5. zich bewust worden van de impact van de levensstijl (alcohol-, druggebruik, invloed van derden, stress, enz.) op het rijgedrag;    6. kennis en kenmerken van de andere voertuigen : dode hoek, remcapaciteit, ontwijkingscapaciteit, enz.    b. Kennis en beheersing van het voertuig in stilstand of bij lage snelheid (< 5 km/u.) :    1. praktische kennis van de verschillende elementen van de bromfiets (bedieningsorganen, onderhoud, slijtage,...);    2. evenwicht, inertiebeginsel (gewicht), houding op het stilstaande voertuig, kijktechniek,...;    3. de bromfiets verplaatsen zonder gebruik van de motor;    4. starten - stoppen, gashendel en remmen bedienen;    5. waarneming van de ruimte, kijktechniek, rechtsomkeer, slalom,...;    6. bewustwording van de risico's zelfs bij lage snelheid.    c. Beheersing van het voertuig bij lage snelheid (< 25 km/u.) :    1. onderwerpen gezien in punt "b" en aangepast in verhouding tot de snelheid;    2. bocht, slalom, rechtsomkeer maken, in cirkels rijden, benadering van een ontwijkingsmanoeuver,...;    3. starten, versnellen, remmen, vertragen, (remmen op de motor - met de remmen), stilstaan;    4. evenwicht, houding op het voertuig, kijktechniek;    5. zijn snelheid kunnen aanpassen in verhouding tot de situatie;    6. zich bewust zijn van de dode hoek, van de juiste positie in het verkeer, gebruik van de achteruitkijkspiegels,...    d. Voertuigbeheersing in een verkeerssituatie (op de weg, in de stad en/of in een druk verkeer) :    1. onderwerpen gezien in punt "c" maar aangepast in verhouding tot de situatie en de snelheid;    2. beginselen met betrekking tot de invoeging in het verkeer, gedrag in het verkeer, beheer van het verkeer, van de stress, van het verkeersreglement, van de infrastructuur (rotondes, kruispunten, verkeersdrempels, rails, wegmarkeringen,...);    3. herkenning van potentiële risico's, van reële risico's. Inhalen - zich laten inhalen; kruisen van andere voertuigen, voorbijrijden van hindernissen, veiligheidsafstanden (zijdelingse afstand inbegrepen),...;    4. beginsel van het inhalen van een file (bij het naderen van een kruispunt). Stoppen, starten, plaats in de verkeersstroom;    5. veiligheidsafstand, remmen in het verkeer, veranderen van rijstrook, veranderen van richting,...;    6. beheersing en zelfbeoordeling van het eigen gedrag naargelang van het verkeer, de verkeerssituatie, de infrastructuur (rotondes, bewegwijzering, kruispunten, rails,...);    7. waarneming van andere voertuigen en weggebruikers : zien van en gezien worden door de andere weggebruikers. Beheersing en zelfbeoordeling van het eigen gedrag naargelang van het verkeer, de verkeerssituatie;    8. bewustzijn van de eigen "kwetsbaarheid" als bestuurder van een tweewieler (en aanpassing van het eigen gedrag in voorkomend geval);    9. omgaan met de verschillende soorten wegen : recht, bochtig, onoverzichtelijk (palen, bomen, andere voertuigen,...), smal, glad,...    e. Tijdens alle stappen van het leerproces :    1. belang van het gedrag op de weg rekening houdend met de gevaren eigen aan de bromfiets;    2. waarneming van/door de andere weggebruikers;    3. inlevingsvermogen ten aanzien van de andere weggebruikers. Anticiperen op het gedrag (proactiviteit) van de andere weggebruikers;    4. evaluatie van/anticiperen op de toestand, de risico's. Gepast reageren in verhouding tot de situatie;    5. bewustwording van het belang van de verworvenheden voor de eigen veiligheid;    6. permanente zelfbeoordeling van de eigen vaardigheden en het eigen gedrag, zich volop bewust zijn van het belang van het eigen gedrag voor de eigen veiligheid en de veiligheid van anderen. Zich volop bewust zijn van de impact van de eigen handelingen.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2013-01-08/01, art. 6, 038; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  2. Art. N6 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N6.MINIMUMNORMEN EN ATTESTEN INZAKE DE LICHAMELIJKE EN GEESTELIJKE GESCHIKTHEID VOOR HET BESTUREN VAN EEN MOTORVOERTUIG   I. Deze bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs [4 of een voorlopig rijbewijs]4 en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen   1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder :   1° "kandidaat" : de persoon die een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs [4 ...]4 aanvraagt, die om de verlenging van een rijbewijs verzoekt of de houder van een rijbewijs van wie de lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumnormen;   2° "kandidaat van groep 1" : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de (categorie [3 AM]3 [4 , A1, A2, A,]4, B, B+E of G); <KB 2006-09-01/33, art. 27, 1°, 015; Inwerkingtreding : 15-09-2006>   3° "kandidaat van groep 2" : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie [4 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E]4 en de bestuurders van voertuigen bedoeld in artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;   2. Om rijgeschikt te worden verklaard, dient de kandidaat aan de in deze bijlage voorgeschreven minimumnormen te voldoen en vrij te zijn van elke in deze bijlage opgenomen lichamelijke of geestelijke aandoening of afwijking, die zijn functionele mogelijkheden zodanig beperkt dat hij een gevaar kan opleveren voor de veiligheid bij het besturen van een motorvoertuig.   3. De rijgeschiktheid wordt bepaald na een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen, die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden.   De geneesheer houdt bij de beoordeling rekening met de categorie [4 ...]4 waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt. Voor de kandidaten van groep 2, dient hij speciaal rekening te houden met de bijzondere risico's en gevaren die verband houden met het besturen van voertuigen van deze categorieën [4 ...]4 en de mogelijke belemmering ervan door functiestoornissen of aandoeningen.   (4. Bij de vaststelling van een behandeling of het voorschrijven van geneesmiddelen gaat de geneesheer na wat de invloed van de behandeling, van elk geneesmiddel afzonderlijk of van de combinatie met andere geneesmiddelen of alcohol op het rijgedrag is. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor zijn rijgedrag en wijst hem op zijn eventuele verplichtingen betreffende het gebruik van zijn rijbewijs.) <KB 2002-09-05/35, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2002>   II. Normen betreffende de fysieke en geestelijke geschiktheid   1. Neurologische aandoeningen   1.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   1.1.1 Voor de kandidaten met een neurologische aandoening bepaalt de neuroloog de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   Indien de kandidaat een neurologische aandoening heeft die zich uit door een verminderde functionele vaardigheid om veilig een motorvoertuig te besturen, wordt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaald door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.   1.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel waardoor een acute stoornis in de hersenfuncties veroorzaakt kan worden met een plotseling bewustzijnsverlies of een plotseling onvermogen van de kandidaat tot gevolg, is niet rijgeschikt.   1.1.3. (De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur.) <KB 2002-09-05/35, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2002>   1.1.4. De kandidaat met een evolutieve aandoening met invloed op de functionele vaardigheden om veilig een motorvoertuig te besturen wordt aan een regelmatig onderzoek onderworpen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal vijf jaar bedragen tot de leeftijd van 50 jaar en maximaal drie jaar vanaf deze leeftijd.   1.1.5. Bij de beoordeling van sensibele of motorische stoornissen of van evenwichts- of coördinatiestoornissen veroorzaakt door een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel, wordt rekening gehouden met de functionele gevolgen en de mogelijke progressie van de aandoening.   1.1.6. De kandidaat met een lichamelijke, geestelijke of cognitieve ontwikkelingsstoornis of verworven stoornis, ook als die het gevolg is van een verouderingsproces en die zich uit in een belangrijke afwijking in gedragingen, een stoornis in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of die de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoort is niet rijgeschikt.   De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden vrij is van genoemde stoornissen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   1.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij minstens een jaar vrij is van belangrijke neurologische afwijkingen. Een verslag van een neuroloog is vereist.   2. Geestelijke aandoeningen   2.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   2.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een psychiater voor het inwinnen van het psychiatrisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   2.1.2. De kandidaat die een geestelijke aandoening heeft die een plotselinge bewustzijnsstoornis, een dissociatieve of een acute stoornis van de hersenfuncties kan veroorzaken, zich uitend in een belangrijke afwijking in het gedrag, een plotseling functieverlies, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoren is niet rijgeschikt.   2.1.3. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden vrij is van de in 2.1.2. bedoelde stoornissen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   2.1.4. De kandidaat met schizofrenie kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij tenminste twee jaar recidief vrij is, voldoende ziekte-inzicht heeft en de defecttoestand van lichte aard is. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.   2.1.5. De kandidaat met waanstoornissen zonder onberekenbaar, agressief of impulsief gedrag en wiens rijgedrag niet beïnvloed wordt door de medicatie, kan rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   2.1.6. De kandidaat met een tijdelijke, belangrijke of een regelmatig terugkerende stemmingsstoornis van het manische, het depressieve of het gemengde type, is niet rijgeschikt. Indien de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, een volledig inzicht in zijn aandoening heeft en minstens zes maand recidief vrij is, kan hij rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.   2.1.7. De kandidaat met persoonlijkheidsstoornissen is niet rijgeschikt indien hij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld vertoont dat het oordeelsvermogen nadelig beïnvloedt.   2.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat is in principe niet rijgeschikt. Uitzonderlijk kan de kandidaat op voorlegging van een gunstig verslag van een psychiater rijgeschikt worden verklaard.   3. [1 Epilepsie    3.1. De kandidaat met epilepsie of die een epileptische aanval heeft gehad, ongeacht het al dan niet ondergaan hebben van curatieve cerebrale chirurgie, is niet rijgeschikt. Een persoon heeft epilepsie indien hij binnen een periode van vijf jaar twee of meerdere niet uitgelokte epileptische aanvallen heeft gehad. Na vijf jaar aanvalsvrijheid kan een nieuwe aanval beschouwd worden als een eerste aanval.    Een geneesheer gespecialiseerd in de neurologie of neuropsychiatrie bepaalt het specifieke epilepsie syndroom en het (de) aanvalstype(n), nodig om het risico op verdere aanvallen in te schatten. Bij andere oorzaken van bewustzijnsverlies of -daling houdt hij rekening met het risico op herhaling tijdens het rijden en met de andere desbetreffende criteria [2 vermeld in deze]2 bijlage. Hij formuleert het advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.    3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1    3.2.1. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.    3.2.2. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden, rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram geen epileptiforme tekens vertoont en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie.    3.2.3. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram verricht na de periode van provocatie geen epileptiforme tekens vertoont en een uitgebreid specialistisch onderzoek niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria voorzien in punt IV. " Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen ".    3.2.4. De kandidaat met epilepsie kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens één jaar.    3.2.5. De kandidaat, met een tevoren stabiele situatie, die een epileptische aanval heeft vertoond ten gevolge van het afbouwen, wijzigen van de dosering of het type van de anti-epileptica, kan rijgeschikt worden verklaard drie maanden na de laatste aanval indien de vorige behandeling wordt hervat. Indien er een andere behandeling wordt gestart, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden 6 maand na de laatste aanval. De geneesheer licht de kandidaat in over de mogelijke risico's bij het afbouwen of veranderen van de medicatie.    3.2.6. De kandidaat die uitsluitend aanvallen van epilepsie vertoont die geen invloed hebben op het bewustzijn en die geen aanleiding geven tot enig andere beperking met betrekking tot een veilige verkeersdeelname, en die in de anamnese vrij is van andere epilepsie-aanvallen, kan rijgeschikt worden verklaard wanneer deze toestand tenminste één jaar bestaat.    3.2.7 De kandidaat die gedurende een periode van twee jaar uitsluitend aanvallen van epilepsie heeft gehad tijdens de slaap, kan rijgeschikt worden verklaard.    3.2.8. De kandidaat met epilepsie die hiervoor curatieve cerebrale chirurgie heeft ondergaan, kan na een periode zonder aanvallen van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard. Indien de aandoening of de ingreep een invloed heeft of heeft gehad op de motorische controle, het gedrag, het oordeels-, aanpassing-, waarneming- en perceptievermogen, zijn de bepalingen voorzien in punt II. 1. " [2 Neurologische aandoeningen]2 " van toepassing.    3.2.9. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest of voor de verlenging van de geldigheidsduur zijn dat de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, blijk geeft van een strikte therapietrouw en de voorgeschreven medicamenteuze anti-epileptische behandeling nauwgezet volgt. Een uitgebreid neurologisch onderzoek laat tot een stabilisatie van de toestand besluiten. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist.    3.2.10. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot één jaar. Indien de kandidaat in deze periode vrij van aanvallen is gebleven kan de geldigheidsduur worden verlengd tot maximaal vijf jaar na de laatste aanval. Na een periode zonder aanvallen van vijf opeenvolgende jaren, kan een rijgeschiktheidsattest zonder beperking in de geldigheidsduur worden afgeleverd.    Voor de kandidaten vermeld onder [2 3.2.6 en 3.2.7]2 wordt een rijgeschiktheidsattest met een geldigheidsduur van één jaar, jaarlijks verlengbaar, afgeleverd. Voor deze kandidaten kan een rijgeschiktheidsattest met een onbeperkte geldigheidsduur afgeleverd worden na vier opeenvolgende verlengingen.    3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2    3.3.1. De kandidaat die een éénmalige niet uitgelokte aanval van epilepsie heeft gehad en reeds vijf jaar geen aanvallen van welke vorm ook heeft vertoond kan rijgeschikt worden verklaard.    3.3.2. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard.    Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.    Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria bedoeld in punt IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen.    3.3.3. De kandidaat met epilepsie, ongeacht de vorm, kan rijgeschikt worden verklaard na een ononderbroken periode van ten minste tien jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.    Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat met epilepsie rijgeschikt verklaard worden voor het besturen van een voertuig bedoeld in artikel 43 of van de categorie C1 na een ononderbroken periode van ten minste twee jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.    3.3.4. De voorwaarden voor het afleveren van of voor de verlenging van de geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest zijn dat de kandidaat aanvalsvrij is gebleven voor de vereiste periode en dit zonder anti-epileptische medicatie, onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, het elektro-encefalogram geen epileptiforme afwijkingen vertoont, en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist. Dit verslag geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat het risico op een nieuwe aanval, bewustzijnsverlies; of -daling tijdens het rijden groter is dan 2 % per jaar.    3.3.5. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot een jaar en kan gedurende de vijf volgende jaren telkens worden verlengd met maximaal een jaar.    Na deze periode is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44, § 5, van toepassing.]1   4. Pathologische somnolentie   4.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   4.1.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. [5 De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.]5   4.1.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze laatste naar een neuroloog, voor het inwinnen van een neurologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   4.1.3. De kandidaat met een narcolepsie/cataplexiesyndroom, die onder behandeling geen symptomen vertoont, kan rijgeschikt worden verklaard zes maanden na het uitblijven van deze bewustzijnsstoornissen.   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar.   4.1.4. De kandidaat met een [5 matig of ernstig]5 slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. [5 Adequate medische opvolging en therapietrouw zijn vereist.]5   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Is de kandidaat, na deze periode, nog steeds vrij van de stoornissen of anomalieën, [5 en is er adequate medische opvolging en therapietrouw,]5 dan kan een rijgeschiktheidsverklaring zonder beperking van de geldigheidsduur worden afgeleverd.   4.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   4.2.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. [5 De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.]5   4.2.2. De kandidaat met een [5 matig of ernstig]5 slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Een gunstig verslag [5, adequate medische opvolging en therapietrouw zijn]5 vereist.   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Is de kandidaat na deze periode nog steeds vrij van de symptomen [5 en is er adequate medische opvolging en therapietrouw,]5 dan is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.   5. Locomotorische aandoeningen   5.1. De kandidaat die verminderde functionele vaardigheden vertoont ten gevolge van een aantasting van het muskulo-skeletaal systeem, een aandoening van het centraal of perifeer zenuwstelsel of elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en zijn beoordelingsvermogen, die een invloed hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, is niet rijgeschikt.   5.2. Normen voor de kandidaten van groep 1   5.2.1. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   5.2.2. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs kan voor het bepalen van de rijgeschiktheid zelf geneeskundige onderzoeken uitvoeren of deze laten uitvoeren door een ander geneesheer. Hij kan gebruik maken van alle middelen, die de geneeskunde biedt en zich steunen op de resultaten van een praktische rijtest met een motorvoertuig van de gewenste categorie [4 ...]4.   De geneesheer houdt rekening met de categorie [4 ...]4 waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt.   5.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat te voldoen aan alle in deze bijlage vermelde voorwaarden voor de kandidaten van groep 1 alsmede aan de eisen inzake kennis, vaardigheid en gedrag voor het besturen van een motorvoertuig, toepasbaar op de categorieën [4 ...]4 waarvoor hij een rijbewijs aanvraagt of om de verlenging ervan verzoekt. De kandidaat dient, met zijn aangepast voertuig, dezelfde prestaties te kunnen leveren als een valide bestuurder met eenzelfde niet aangepast voertuig.   5.2.4. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt, in voorkomend geval, de nodige aanpassingen, voorwaarden en beperkingen. Deze worden vermeld op het attest van rijgeschiktheid.   "Aanpassingen" zijn de nodige verbouwingen aan en uitrustingen van een motorvoertuig die vereist zijn om een vermindering van de functionele vaardigheden te ondervangen zodat dat voertuig veilig kan worden bestuurd overeenkomstig de reglementaire bepalingen.   De voorwaarden en beperkingen worden bepaald op basis van de lichamelijke en geestelijke toestand van de kandidaat, rekening houdend met de risico's, omstandigheden en gevaren, eigen aan het besturen van bepaalde voertuigen.   Deze voorwaarden en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de rijbewijscategorie [4 ...]4, het type van voertuig, de gebruiksvoorwaarden, het ogenblik van gebruik, de actieradius, de geldigheidsduur, het gebruik van orthesen of prothesen.   5.3. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat wordt, nadat door de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 en 4 vastgesteld werd dat op louter geneeskundige gronden de toestand van de kandidaat in overeenstemming is met de minimumnormen, verwezen naar het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. De geneesheer van dit centrum zal op basis van de in punten 5.2.3. en 5.2.4. gestelde normen zijn besluiten opmaken en deze ter beschikking stellen van de verwijzende geneesheer.   6. Aandoeningen van hart en bloedvaten   6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   6.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   6.1.2. [6 De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.]6   6.1.3. [6 De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.]6   6.2. [6 Normen voor de kandidaten van groep 2    6.2.1. De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.    6.2.2. De kandidaat met klachten bij enkel zware fysieke inspanningen ten gevolge van chronisch hartfalen (NYHA klasse 1 en 2), cardiomyopathie, aangeboren of verworven gebrek van het hart of de grote vaten, aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met een klepprothese), een ischemische hartziekte ten gevolge van een kransvatlijden, kan rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.    6.2.3. De kandidaat met inspanningsklachten bij gewone fysieke inspanning of rust (NYHA klasse 3 en 4) is niet rijgeschikt.]6   6.3. Ritme en geleiding   6.3.1. [2 Normen voor de kandidaten van groep 1    6.3.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.    6.3.1.2. De kandidaat met ernstige niet-gecorrigeerde en niet gecontroleerde stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.    6.3.1.3. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de maand die volgt op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat door de behandelende cardioloog onmiddellijk rijgeschikt worden bevonden.    Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat, die drager is van een pacemaker, het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal drie jaar bedragen.    6.3.1.4. De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.    6.3.1.4.1. De kandidaat die geen hartstilstand heeft gehad en bij wie om louter preventieve redenen een defibrillator ingeplant werd, kan rijgeschikt bevonden worden één maand na de datum van inplanting. De kandidaat kan rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.2. De kandidaat die een hartstilstand heeft gehad en bij wie een defibrillator ingeplant werd, kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van inplanting, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.3. Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard. Bij het vervangen van de elektrode kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard één maand na de inplanting ervan. De cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat, levert het rijgeschiktheidsattest af.    6.3.1.4.4. De kandidaat van wie de defibrillator een stroomstoot heeft gegeven die een invloed heeft gehad op het hartritme, is niet rijgeschikt.    De kandidaat kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de laatste stroomstoot, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.5. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest en voor het verlengen van de geldigheidsduur ervan zijn :    a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;    b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;    c) blijk geven van een strikte therapietrouw;    d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.    6.3.1.4.6. Het rijgeschiktheidsattest kan een maximale geldigheidsduur hebben van drie jaar.]2   [6 6.3.1.5. De kandidaat die lijdt aan symptomatische elektrische cardiopathie, zoals het Brugada-syndroom en het verlengd QT-syndroom, is niet rijgeschikt. Ingeval van een ingeplante automatische defibrillator, zijn de bepalingen onder punt 6.3.1.4. van toepassing.]6   6.3.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   6.3.2.1. De kandidaat met ernstige stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.   6.3.2.2. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de [6 maand die volgt]6 op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Een verslag van een cardioloog is vereist.   Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat ten vroegste twee weken na de ingreep rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.3.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat die drager is van een ingeplante pacemaker het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal een jaar bedragen. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.3.2.4. De kandidaat met een ingeplante defibrillator is niet rijgeschikt.   [6 6.3.2.5. De kandidaat die lijdt aan symptomatische elektrische cardiopathie, zoals het Brugada-syndroom en het verlengd QT-syndroom, is niet rijgeschikt.    6.3.2.6. De kandidaat die lijdt aan bradyaritmie ten gevolge van sinus-knooppuntziekte, met risico op plotse bewustzijnsstoornissen, is niet rijgeschikt.    6.3.2.7. De kandidaat die lijdt aan verstoring van de geleiding met tweedegraads Atrioventriculair blok (Mobitz II), derdegraads Atrioventriculair blok of wisselende bundeltakblok is niet rijgeschikt.    6.3.2.8. De kandidaat die lijdt aan tachyaritmie met niet-aanhoudende polymorfe ventriculaire tachycardie, aanhoudende ventriculaire tachycardie of met een indicatie voor een defibrillator is niet rijgeschikt.    6.3.2.9. De kandidaten bedoeld in de punten 6.3.2.6. tot 6.3.2.8. kunnen, na adequate behandeling, rijgeschikt verklaard worden door een cardioloog. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.]6   6.4. Bloeddruk   De systolische en diastolische bloeddruk worden beoordeeld in functie van de invloed ervan op de rijgeschiktheid. Er moet eveneens rekening gehouden worden met de invloed die het gebruik van bloeddrukverlagende middelen kan hebben op het bewustzijn van de kandidaat. [6 De kandidaat met ongecontroleerde maligne hypertensie of symptomatische ernstige hypertensie is niet rijgeschikt.]6   6.5. Coronair stelsel [6 , vaatstelsel]6 en myocard   6.5.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   6.5.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   6.5.1.2. [6 De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris, bvb. na coronaire bypasschirurgie of CPI. Een verslag van een cardioloog is vereist.]6   6.5.1.3. [6 De kandidaat die een coronaire bypasschirurgie of een percutane coronaire interventie heeft ondergaan, is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.]6   [6 6.5.1.4. De kandidaat die één of meerdere myocardinfarcten heeft doorgemaakt is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.    6.5.1.5. De kandidaat die lijdt aan een aneurysma aortae, waarbij maximumdiameter van de aorta een aanzienlijk risico inhoudt op plotselinge breuk en plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.]6   6.5.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   6.5.2.1. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.5.2.2. De kandidaat met belangrijke beschadiging van het myocard, duidelijk aangetoonde letsels van een vroeger myocardinfarct [6 ...]6 en hartfalen is niet rijgeschikt.   6.5.2.3. [6 Indien het evenwel gaat om één of meer beperkte infarcten, met behoud van een goede hartfunctie en zonder ritmestoornissen, kan de houder van een rijbewijs van groep 2 rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.]6   [6 6.5.2.4. De kandidaat met kritische stenose van de carotis is niet rijgeschikt.    6.5.2.5. De kandidaat die lijdt aan een aneurysma aortae, waarbij maximumdiameter van de aorta groter is dan 5,5 cm, is niet rijgeschikt.    6.5.2.6. De kandidaat die een coronaire bypasschirurgie of een percutane coronaire interventie heeft ondergaan, is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.]6   [6 6.6. Hartfalen    6.6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1    6.6.1.1. De kandidaat met een hulpmiddel ter ondersteuning van de hartpompfunctie kan rijgeschikt bevonden worden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van het hulpmiddel en de behandeling van de kandidaat.    6.6.1.2. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest en voor het verlengen van de geldigheidsduur ervan zijn:    a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;    b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;    c) blijk geven van een strikte therapietrouw;    d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.    Het rijgeschiktheidsattest kan een maximale geldigheidsduur hebben van drie jaar.    6.6.2. Normen voor de kandidaten van groep 2    6.6.2.1. De kandidaat met een hulpmiddel ter ondersteuning van de hartpompfunctie is niet rijgeschikt.]6   7. [1 Diabetes mellitus    7.1. De kandidaat met diabetes mellitus is niet rijgeschikt.    De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hypoglykemie of met een ernstige hypoglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hyperglykemie of met een ernstige hyperglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De kandidaat met een recurrente hypoglykemie of de kandidaat die onvoldoende inzicht heeft in het risico op hypoglykemie die de rijgeschiktheid in gevaar brengt, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    Onder ernstige hypoglykemie wordt verstaan een toestand van een te lage bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hypoglykemie bij een tweede aanval van ernstige hypoglykemie in een periode van twaalf maanden.    Onder ernstige hyperglykemie wordt verstaan een toestand van een te hoge bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hyperglykemie bij een tweede aanval van ernstige hyperglykemie in een periode van twaalf maanden.    7.2. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard, mits wordt voldaan aan de specifieke vereisten van de gewenste rijbewijscategorie.    7.3. De kandidaat met diabetes mellitus bij wie de aandoening gepaard gaat met ernstige verwikkelingen ter hoogte van de ogen, het zenuwstelsel, het hart of de bloedvaten, wordt doorverwezen naar de artsen gespecialiseerd in dit type aandoening om hun respectief advies in te winnen.    De kandidaat met locomotorische stoornissen die een invloed kunnen hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, wordt doorverwezen naar het in artikel 45 bedoelde centrum. De arts van het centrum wint de nodige adviezen in en bezorgt overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 het attest of zijn conclusies aan de in artikel 44 bedoelde arts, rekening houdend met de vereiste voorwaarden, beperkingen en aanpassingen.    7.4. Normen voor de kandidaten van groep 1    7.4.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet en/of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie, wendt zich tot een arts, die zijn rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaalt.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.    7.4.2. De rijgeschiktheid van een kandidaat die 3 of meer insuline-inspuitingen per dag of een behandeling met een insulinepomp toegediend krijgt, wordt bepaald door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.    7.4.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status " recurrentie ", met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    7.4.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.    7.4.5. Bij elke verlenging van de geldigheidsduur van de rijgeschiktheid legt de arts de kandidaat uit welke tekens op hypoglykemie wijzen en hoe hij deze toestand kan voorkomen.    Wanneer de resultaten van de bloedsuikerspiegelmetingen beschikbaar zijn, evalueert de arts ze en bespreekt hij ze met de kandidaat.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.    7.5. Normen voor de kandidaten van groep 2    7.5.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis geen hypoglykemie kan veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard.    Een gunstig verslag van de arts is vereist.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.2. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis hypoglykemieaanvallen kan veroorzaken of wordt behandeld met insuline, kan rijgeschikt worden verklaard.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status " recurrentie ", met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet zijn toestand op afdoende wijze controleren door minstens tweemaal per dag en op voor het rijden relevante tijdstippen zijn bloedsuikerspiegel te meten en de nodige maatregelen te nemen.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.    7.5.5. Op verzoek van de in artikel 44 bedoelde arts verstrekt de behandelende arts hem alle bovenvermelde en andere relevante medische gegevens, alsook zijn advies omtrent de rijgeschiktheid van de kandidaat.    De keuringsarts bepaalt de rijgeschiktheid en indien nodig de voorwaarden.]1   8. Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem   8.1. De kandidaat die een aandoening van het vestibulair stelsel heeft, die een plotselinge aanval van duizeligheid of een plotselinge evenwichtsstoornis kan veroorzaken is niet rijgeschikt.   8.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat van groep 1, verwijst de kandidaat naar een specialist Neus-, Keel- en Oorziekten voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   8.3. Voor de kandidaat van groep 2 is een verslag van de specialist Neus-, Keel- en Oorziekten vereist.   8.4. De kandidaat van groep 1 of 2 met hypoacusie of doofheid is rijgeschikt indien dit niet gepaard gaat met ernstige vestibulaire stoornissen.   III. [1 Normen betreffende de visuele functies    1. Algemene bepalingen    1.1. De kandidaat van groep 1 bedoeld in artikel 41, § 3, en de kandidaat van groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op het vlak van het visueel functioneren, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen.    1.2. De beoordeling van de rijgeschiktheid houdt rekening met de diverse aspecten van het visueel functioneren die noodzakelijk zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de gezichtsscherpte, het gezichtsveld, het gezichtsvermogen in het schemerdonker, de licht- en contrastgevoeligheid, diplopie en andere visuele functies die essentieel zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen.    1.3. De kandidaat met een stoornis in het visueel functioneren die het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig kan verhinderen, is niet rijgeschikt. De kandidaat van groep 1 met een beperking door een gestoorde contrastgevoeligheid kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.    1.4. De kandidaat met een progressieve visuele functiestoornis is niet rijgeschikt. Indien deze stoornis het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet kan verhinderen, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden door de oogarts. De geldigheidsduur van het attest is maximaal tien jaar.    1.5. Na een belangrijke verandering in het visueel functioneren, bijvoorbeeld na het ontstaan van diplopie of het functioneel monoculair worden, is de kandidaat niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door de oogarts indien de aandoening het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet verhindert.    2. Gezichtsscherpte    2.1. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bereiken of om een visueel functioneren te garanderen zodanig dat de kandidaat in alle veiligheid een motorvoertuig kan besturen, wordt deze vermeld op het afgeleverde attest door de [2 oogarts ]2.    2.2. De correctie moet goed verdragen worden en mag geen aanleiding geven tot een stoornis in andere visuele functies.    2.3. Normen voor de kandidaten van groep 1    2.3.1. De kandidaat moet, zo nodig met een optische correctie, een binoculaire gezichtsscherpte van ten minste 5/10 hebben.    2.3.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van de gezichtsscherpte, in uitzonderlijke gevallen rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer, van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij, indien nodig met optische correctie, een gezichtssterkte van minimaal 3/10 behaalt en voldoet aan de norm van het gezichtsveld; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat. Dit verslag moet onder meer aantonen dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.    2.4. Normen voor de kandidaten van groep 2    De kandidaat dient, zo nodig met een optische correctie, te beschikken over een gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 1/10 voor het minder goede oog. Indien de waarden 8/10 en 1/10 worden bereikt met een optische correctie dient deze minimale gezichtsscherpte te zijn verkregen door brilglazen die niet sterker mogen zijn dan plus 8 dioptrieën, of door contactlenzen.    3. Het gezichtsveld    3.1. Het meten van het gezichtsveld gebeurt door middel van een perimeter. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen, gebeurt het meten van het gezichtsveld met deze optische correctie.    3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1    3.2.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 120° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 50° naar links en naar rechts, en minimaal 20° naar boven en onder te bedragen. De centrale 20° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.    3.2.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van het gezichtsveld, in uitzonderlijke gevallen, rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij voldoet aan de normen van [2 de gezichtsscherpte ]2; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat, met vermelding van de oorzaak, prognose, stabiliteit en adaptatie. Uit het verslag moet ook blijken dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.    3.2.3. Als de kandidaat slechts één oog functioneel gebruikt, gelden dezelfde criteria als voor het binoculair functioneren. De kandidaat kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.    3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2    3.3.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 160° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 70° naar links en naar rechts, en minimaal 30° naar boven en onder te bedragen. De centrale 30° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.    3.3.2. De kandidaat die slechts één oog functioneel gebruikt is niet rijgeschikt.    4. Zicht bij schemerlicht    Om rijgeschikt te zijn moet de kandidaat na vijf minuten aanpassing aan de duisternis een gezichtsscherpte vertonen van 2/10, eventueel met een optische correctie.    De gezichtsscherpte wordt gemeten voor beide ogen samen aan de hand van een schaal van optotypen, zwarte letters op witte grond, belicht met één Lux, geplaatst op een afstand van vijf meter van de kandidaat.    Bij twijfel zal nader onderzoek met een adaptometer plaatsvinden. De maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.]1   IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen   1. Psychotrope stoffen en geneesmiddelen   1.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   1.2. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is of die stoffen overmatig gebruikt zonder daaraan verslaafd te zijn, is niet rijgeschikt.   1.3. De kandidaat die regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen gebruikt die een nadelige invloed op de rijgeschiktheid kunnen hebben of die dusdanige hoeveelheden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed is niet rijgeschikt.   Hetzelfde geldt bij gebruik van alle andere geneesmiddelen of geneesmiddelencombinaties die de waarneming, de stemming, de aandacht, de psychomotoriek en het oordeelsvermogen ongunstig beïnvloeden.   1.4. De geneesheer gaat bij het voorschrijven van geneesmiddelen na welke de invloed is op het rijgedrag van elk geneesmiddel afzonderlijk, in combinatie met andere geneesmiddelen of in combinatie met alcohol. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor het rijgedrag.   1.5. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is geweest of er overmatig gebruik van heeft gemaakt, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maanden rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.   2. Alcohol   2.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   2.2. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is of zich niet kan onthouden van alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, is niet rijgeschikt.   2.3. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is geweest, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maanden rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.   V. Normen betreffende nier- en leveraandoeningen   1. Normen voor de kandidaten van groep 1   1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een internist voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   1.2. De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt, kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal twee jaar.   2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. Een verslag van een internist is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal een jaar.   VI. Implantaten   De kandidaat met een orgaantransplantatie of met een artificieel implantaat met een mogelijke weerslag op de rijgeschiktheid, kan evenwel rijgeschikt worden verklaard door de geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, mits een verslag van de behandelende geneesheer-specialist en een regelmatig geneeskundig toezicht.   VII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13556)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43330>   <KB 2006-09-01/33, art. 27, 2°, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.S. 06-09-2006, p. 45274>   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      VIII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor een rijbewijs van groep 1, afgeleverd door een oogarts   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13557)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43331>   <KB 2006-09-01/33, art. 27, 2°, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.S. 06-09-2006, p. 45275>   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      IX. Eigen verklaring voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13558)   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>      X. Oogonderzoek - kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13559-13560)   Vervangen door :   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      XI. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13561)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43332>   <KB 2004-07-15/34, art. 14, Inwerkingtreding : 01-08-2004; M.B. 30-07-2004, p. 58389, 58398-58399>   Vervangen door :   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      XII. Rijgeschiktheidsattest afgeleverd door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs aan de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13562)   Gewijzigd door :   <KB 2006-09-01/33, art. 27, 2°, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.S. 06-09-2006, p. 45276>   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   XIII. Psychologisch onderzoek voor de bestuurders, die van het recht tot sturen vervallen verklaard zijn" alle categorieën van motorvoertuigen)   Onderzoek van de persoonlijkheid en van de wijze van aanpassing aan het sociaal milieu.   Onderzoek van de psycho-motorische vermogens en de compensatiemechanismen.   <Opgeheven door KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   ----------   (1)<KB 2010-09-10/01, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 15-09-2010>   (2)<KB 2011-03-02/01, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 08-03-2011>   (3)<KB 2011-04-28/01, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   (4)<KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   (5)<KB 2016-07-21/19, art. 4, 048; Inwerkingtreding : 20-08-2016>   (6)<KB 2020-06-16/20, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 18-07-2020>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  3. Art. N6 · Wallonië

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N6_WAALS_GEWEST.    MINIMUMNORMEN EN ATTESTEN INZAKE DE LICHAMELIJKE EN GEESTELIJKE GESCHIKTHEID VOOR HET BESTUREN VAN EEN MOTORVOERTUIG   I. Deze bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs [4 of een voorlopig rijbewijs]4 en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen   1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder :   1° "kandidaat" : de persoon die een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs [4 ...]4 aanvraagt, die om de verlenging van een rijbewijs verzoekt of de houder van een rijbewijs van wie de lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumnormen;   2° "kandidaat van groep 1" : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de (categorie [3 AM]3 [4 , A1, A2, A,]4, B, B+E of G); <KB 2006-09-01/33, art. 27, 1°, 015; Inwerkingtreding : 15-09-2006>   3° "kandidaat van groep 2" : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie [4 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E]4 en de bestuurders van voertuigen bedoeld in artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;   2. Om rijgeschikt te worden verklaard, dient de kandidaat aan de in deze bijlage voorgeschreven minimumnormen te voldoen en vrij te zijn van elke in deze bijlage opgenomen lichamelijke of geestelijke aandoening of afwijking, die zijn functionele mogelijkheden zodanig beperkt dat hij een gevaar kan opleveren voor de veiligheid bij het besturen van een motorvoertuig.   3. De rijgeschiktheid wordt bepaald na een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen, die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden.   De geneesheer houdt bij de beoordeling rekening met de categorie [4 ...]4 waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt. Voor de kandidaten van groep 2, dient hij speciaal rekening te houden met de bijzondere risico's en gevaren die verband houden met het besturen van voertuigen van deze categorieën [4 ...]4 en de mogelijke belemmering ervan door functiestoornissen of aandoeningen.   (4. Bij de vaststelling van een behandeling of het voorschrijven van geneesmiddelen gaat de geneesheer na wat de invloed van de behandeling, van elk geneesmiddel afzonderlijk of van de combinatie met andere geneesmiddelen of alcohol op het rijgedrag is. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor zijn rijgedrag en wijst hem op zijn eventuele verplichtingen betreffende het gebruik van zijn rijbewijs.) <KB 2002-09-05/35, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2002>   II. Normen betreffende de fysieke en geestelijke geschiktheid   1. Neurologische aandoeningen   1.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   1.1.1 Voor de kandidaten met een neurologische aandoening bepaalt de neuroloog de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   Indien de kandidaat een neurologische aandoening heeft die zich uit door een verminderde functionele vaardigheid om veilig een motorvoertuig te besturen, wordt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaald door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.   1.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel waardoor een acute stoornis in de hersenfuncties veroorzaakt kan worden met een plotseling bewustzijnsverlies of een plotseling onvermogen van de kandidaat tot gevolg, is niet rijgeschikt.   1.1.3. (De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur.) <KB 2002-09-05/35, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2002>   1.1.4. De kandidaat met een evolutieve aandoening met invloed op de functionele vaardigheden om veilig een motorvoertuig te besturen wordt aan een regelmatig onderzoek onderworpen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal vijf jaar bedragen tot de leeftijd van 50 jaar en maximaal drie jaar vanaf deze leeftijd.   1.1.5. Bij de beoordeling van sensibele of motorische stoornissen of van evenwichts- of coördinatiestoornissen veroorzaakt door een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel, wordt rekening gehouden met de functionele gevolgen en de mogelijke progressie van de aandoening.   1.1.6. De kandidaat met een lichamelijke, geestelijke of cognitieve ontwikkelingsstoornis of verworven stoornis, ook als die het gevolg is van een verouderingsproces en die zich uit in een belangrijke afwijking in gedragingen, een stoornis in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of die de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoort is niet rijgeschikt.   De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden vrij is van genoemde stoornissen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   1.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij minstens een jaar vrij is van belangrijke neurologische afwijkingen. Een verslag van een neuroloog is vereist.   2. Geestelijke aandoeningen   2.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   2.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een psychiater voor het inwinnen van het psychiatrisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   2.1.2. De kandidaat die een geestelijke aandoening heeft die een plotselinge bewustzijnsstoornis, een dissociatieve of een acute stoornis van de hersenfuncties kan veroorzaken, zich uitend in een belangrijke afwijking in het gedrag, een plotseling functieverlies, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoren is niet rijgeschikt.   2.1.3. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden vrij is van de in 2.1.2. bedoelde stoornissen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   2.1.4. De kandidaat met schizofrenie kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij tenminste twee jaar recidief vrij is, voldoende ziekte-inzicht heeft en de defecttoestand van lichte aard is. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.   2.1.5. De kandidaat met waanstoornissen zonder onberekenbaar, agressief of impulsief gedrag en wiens rijgedrag niet beïnvloed wordt door de medicatie, kan rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   2.1.6. De kandidaat met een tijdelijke, belangrijke of een regelmatig terugkerende stemmingsstoornis van het manische, het depressieve of het gemengde type, is niet rijgeschikt. Indien de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, een volledig inzicht in zijn aandoening heeft en minstens zes maand recidief vrij is, kan hij rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.   2.1.7. De kandidaat met persoonlijkheidsstoornissen is niet rijgeschikt indien hij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld vertoont dat het oordeelsvermogen nadelig beïnvloedt.   2.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat is in principe niet rijgeschikt. Uitzonderlijk kan de kandidaat op voorlegging van een gunstig verslag van een psychiater rijgeschikt worden verklaard.   3. [1 Epilepsie    3.1. De kandidaat met epilepsie of die een epileptische aanval heeft gehad, ongeacht het al dan niet ondergaan hebben van curatieve cerebrale chirurgie, is niet rijgeschikt. Een persoon heeft epilepsie indien hij binnen een periode van vijf jaar twee of meerdere niet uitgelokte epileptische aanvallen heeft gehad. Na vijf jaar aanvalsvrijheid kan een nieuwe aanval beschouwd worden als een eerste aanval.    Een geneesheer gespecialiseerd in de neurologie of neuropsychiatrie bepaalt het specifieke epilepsie syndroom en het (de) aanvalstype(n), nodig om het risico op verdere aanvallen in te schatten. Bij andere oorzaken van bewustzijnsverlies of -daling houdt hij rekening met het risico op herhaling tijdens het rijden en met de andere desbetreffende criteria [2 vermeld in deze]2 bijlage. Hij formuleert het advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.    3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1    3.2.1. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.    3.2.2. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden, rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram geen epileptiforme tekens vertoont en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie.    3.2.3. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram verricht na de periode van provocatie geen epileptiforme tekens vertoont en een uitgebreid specialistisch onderzoek niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria voorzien in punt IV. " Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen ".    3.2.4. De kandidaat met epilepsie kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens één jaar.    3.2.5. De kandidaat, met een tevoren stabiele situatie, die een epileptische aanval heeft vertoond ten gevolge van het afbouwen, wijzigen van de dosering of het type van de anti-epileptica, kan rijgeschikt worden verklaard drie maanden na de laatste aanval indien de vorige behandeling wordt hervat. Indien er een andere behandeling wordt gestart, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden 6 maand na de laatste aanval. De geneesheer licht de kandidaat in over de mogelijke risico's bij het afbouwen of veranderen van de medicatie.    3.2.6. De kandidaat die uitsluitend aanvallen van epilepsie vertoont die geen invloed hebben op het bewustzijn en die geen aanleiding geven tot enig andere beperking met betrekking tot een veilige verkeersdeelname, en die in de anamnese vrij is van andere epilepsie-aanvallen, kan rijgeschikt worden verklaard wanneer deze toestand tenminste één jaar bestaat.    3.2.7 De kandidaat die gedurende een periode van twee jaar uitsluitend aanvallen van epilepsie heeft gehad tijdens de slaap, kan rijgeschikt worden verklaard.    3.2.8. De kandidaat met epilepsie die hiervoor curatieve cerebrale chirurgie heeft ondergaan, kan na een periode zonder aanvallen van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard. Indien de aandoening of de ingreep een invloed heeft of heeft gehad op de motorische controle, het gedrag, het oordeels-, aanpassing-, waarneming- en perceptievermogen, zijn de bepalingen voorzien in punt II. 1. " [2 Neurologische aandoeningen]2 " van toepassing.    3.2.9. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest of voor de verlenging van de geldigheidsduur zijn dat de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, blijk geeft van een strikte therapietrouw en de voorgeschreven medicamenteuze anti-epileptische behandeling nauwgezet volgt. Een uitgebreid neurologisch onderzoek laat tot een stabilisatie van de toestand besluiten. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist.    3.2.10. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot één jaar. Indien de kandidaat in deze periode vrij van aanvallen is gebleven kan de geldigheidsduur worden verlengd tot maximaal vijf jaar na de laatste aanval. Na een periode zonder aanvallen van vijf opeenvolgende jaren, kan een rijgeschiktheidsattest zonder beperking in de geldigheidsduur worden afgeleverd.    Voor de kandidaten vermeld onder [2 3.2.6 en 3.2.7]2 wordt een rijgeschiktheidsattest met een geldigheidsduur van één jaar, jaarlijks verlengbaar, afgeleverd. Voor deze kandidaten kan een rijgeschiktheidsattest met een onbeperkte geldigheidsduur afgeleverd worden na vier opeenvolgende verlengingen.    3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2    3.3.1. De kandidaat die een éénmalige niet uitgelokte aanval van epilepsie heeft gehad en reeds vijf jaar geen aanvallen van welke vorm ook heeft vertoond kan rijgeschikt worden verklaard.    3.3.2. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard.    Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.    Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria bedoeld in punt IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen.    3.3.3. De kandidaat met epilepsie, ongeacht de vorm, kan rijgeschikt worden verklaard na een ononderbroken periode van ten minste tien jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.    Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat met epilepsie rijgeschikt verklaard worden voor het besturen van een voertuig bedoeld in artikel 43 of van de categorie C1 na een ononderbroken periode van ten minste twee jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.    3.3.4. De voorwaarden voor het afleveren van of voor de verlenging van de geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest zijn dat de kandidaat aanvalsvrij is gebleven voor de vereiste periode en dit zonder anti-epileptische medicatie, onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, het elektro-encefalogram geen epileptiforme afwijkingen vertoont, en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist. Dit verslag geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat het risico op een nieuwe aanval, bewustzijnsverlies; of -daling tijdens het rijden groter is dan 2 % per jaar.    3.3.5. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot een jaar en kan gedurende de vijf volgende jaren telkens worden verlengd met maximaal een jaar.    Na deze periode is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44, § 5, van toepassing.]1   4. Pathologische somnolentie   4.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   4.1.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. [5 De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.]5   4.1.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze laatste naar een neuroloog, voor het inwinnen van een neurologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   4.1.3. De kandidaat met een narcolepsie/cataplexiesyndroom, die onder behandeling geen symptomen vertoont, kan rijgeschikt worden verklaard zes maanden na het uitblijven van deze bewustzijnsstoornissen.   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar.   4.1.4. De kandidaat met een [5 matig of ernstig]5 slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. [5 Adequate medische opvolging en therapietrouw zijn vereist.]5   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Is de kandidaat, na deze periode, nog steeds vrij van de stoornissen of anomalieën, [5 en is er adequate medische opvolging en therapietrouw,]5 dan kan een rijgeschiktheidsverklaring zonder beperking van de geldigheidsduur worden afgeleverd.   4.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   4.2.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. [5 De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.]5   4.2.2. De kandidaat met een [5 matig of ernstig]5 slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Een gunstig verslag [5, adequate medische opvolging en therapietrouw zijn]5 vereist.   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Is de kandidaat na deze periode nog steeds vrij van de symptomen [5 en is er adequate medische opvolging en therapietrouw,]5 dan is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.   5. Locomotorische aandoeningen   5.1. De kandidaat die verminderde functionele vaardigheden vertoont ten gevolge van een aantasting van het muskulo-skeletaal systeem, een aandoening van het centraal of perifeer zenuwstelsel of elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en zijn beoordelingsvermogen, die een invloed hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, is niet rijgeschikt.   5.2. Normen voor de kandidaten van groep 1   5.2.1. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   5.2.2. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs kan voor het bepalen van de rijgeschiktheid zelf geneeskundige onderzoeken uitvoeren of deze laten uitvoeren door een ander geneesheer. Hij kan gebruik maken van alle middelen, die de geneeskunde biedt en zich steunen op de resultaten van een praktische rijtest met een motorvoertuig van de gewenste categorie [4 ...]4.   De geneesheer houdt rekening met de categorie [4 ...]4 waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt.   5.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat te voldoen aan alle in deze bijlage vermelde voorwaarden voor de kandidaten van groep 1 alsmede aan de eisen inzake kennis, vaardigheid en gedrag voor het besturen van een motorvoertuig, toepasbaar op de categorieën [4 ...]4 waarvoor hij een rijbewijs aanvraagt of om de verlenging ervan verzoekt. De kandidaat dient, met zijn aangepast voertuig, dezelfde prestaties te kunnen leveren als een valide bestuurder met eenzelfde niet aangepast voertuig.   5.2.4. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt, in voorkomend geval, de nodige aanpassingen, voorwaarden en beperkingen. Deze worden vermeld op het attest van rijgeschiktheid.   "Aanpassingen" zijn de nodige verbouwingen aan en uitrustingen van een motorvoertuig die vereist zijn om een vermindering van de functionele vaardigheden te ondervangen zodat dat voertuig veilig kan worden bestuurd overeenkomstig de reglementaire bepalingen.   De voorwaarden en beperkingen worden bepaald op basis van de lichamelijke en geestelijke toestand van de kandidaat, rekening houdend met de risico's, omstandigheden en gevaren, eigen aan het besturen van bepaalde voertuigen.   Deze voorwaarden en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de rijbewijscategorie [4 ...]4, het type van voertuig, de gebruiksvoorwaarden, het ogenblik van gebruik, de actieradius, de geldigheidsduur, het gebruik van orthesen of prothesen.   5.3. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat wordt, nadat door de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 en 4 vastgesteld werd dat op louter geneeskundige gronden de toestand van de kandidaat in overeenstemming is met de minimumnormen, verwezen naar het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. De geneesheer van dit centrum zal op basis van de in punten 5.2.3. en 5.2.4. gestelde normen zijn besluiten opmaken en deze ter beschikking stellen van de verwijzende geneesheer.   6. Aandoeningen van hart en bloedvaten   6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   6.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   6.1.2. [6 De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.]6   6.1.3. [6 De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.]6   6.2. [6 Normen voor de kandidaten van groep 2    6.2.1. De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.    6.2.2. De kandidaat met klachten bij enkel zware fysieke inspanningen ten gevolge van chronisch hartfalen (NYHA klasse 1 en 2), cardiomyopathie, aangeboren of verworven gebrek van het hart of de grote vaten, aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met een klepprothese), een ischemische hartziekte ten gevolge van een kransvatlijden, kan rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.    6.2.3. De kandidaat met inspanningsklachten bij gewone fysieke inspanning of rust (NYHA klasse 3 en 4) is niet rijgeschikt.]6   6.3. Ritme en geleiding   6.3.1. [2 Normen voor de kandidaten van groep 1    6.3.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.    6.3.1.2. De kandidaat met ernstige niet-gecorrigeerde en niet gecontroleerde stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.    6.3.1.3. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de maand die volgt op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat door de behandelende cardioloog onmiddellijk rijgeschikt worden bevonden.    Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat, die drager is van een pacemaker, het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal drie jaar bedragen.    6.3.1.4. De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.    6.3.1.4.1. De kandidaat die geen hartstilstand heeft gehad en bij wie om louter preventieve redenen een defibrillator ingeplant werd, kan rijgeschikt bevonden worden één maand na de datum van inplanting. De kandidaat kan rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.2. De kandidaat die een hartstilstand heeft gehad en bij wie een defibrillator ingeplant werd, kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van inplanting, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.3. Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard. Bij het vervangen van de elektrode kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard één maand na de inplanting ervan. De cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat, levert het rijgeschiktheidsattest af.    6.3.1.4.4. De kandidaat van wie de defibrillator een stroomstoot heeft gegeven die een invloed heeft gehad op het hartritme, is niet rijgeschikt.    De kandidaat kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de laatste stroomstoot, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.5. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest en voor het verlengen van de geldigheidsduur ervan zijn :    a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;    b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;    c) blijk geven van een strikte therapietrouw;    d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.    6.3.1.4.6. Het rijgeschiktheidsattest kan een maximale geldigheidsduur hebben van drie jaar.]2   [6 6.3.1.5. De kandidaat die lijdt aan symptomatische elektrische cardiopathie, zoals het Brugada-syndroom en het verlengd QT-syndroom, is niet rijgeschikt. Ingeval van een ingeplante automatische defibrillator, zijn de bepalingen onder punt 6.3.1.4. van toepassing.]6   6.3.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   6.3.2.1. De kandidaat met ernstige stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.   6.3.2.2. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de [6 maand die volgt]6 op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Een verslag van een cardioloog is vereist.   Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat ten vroegste twee weken na de ingreep rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.3.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat die drager is van een ingeplante pacemaker het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal een jaar bedragen. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.3.2.4. De kandidaat met een ingeplante defibrillator is niet rijgeschikt.   [6 6.3.2.5. De kandidaat die lijdt aan symptomatische elektrische cardiopathie, zoals het Brugada-syndroom en het verlengd QT-syndroom, is niet rijgeschikt.    6.3.2.6. De kandidaat die lijdt aan bradyaritmie ten gevolge van sinus-knooppuntziekte, met risico op plotse bewustzijnsstoornissen, is niet rijgeschikt.    6.3.2.7. De kandidaat die lijdt aan verstoring van de geleiding met tweedegraads Atrioventriculair blok (Mobitz II), derdegraads Atrioventriculair blok of wisselende bundeltakblok is niet rijgeschikt.    6.3.2.8. De kandidaat die lijdt aan tachyaritmie met niet-aanhoudende polymorfe ventriculaire tachycardie, aanhoudende ventriculaire tachycardie of met een indicatie voor een defibrillator is niet rijgeschikt.    6.3.2.9. De kandidaten bedoeld in de punten 6.3.2.6. tot 6.3.2.8. kunnen, na adequate behandeling, rijgeschikt verklaard worden door een cardioloog. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.]6   6.4. Bloeddruk   De systolische en diastolische bloeddruk worden beoordeeld in functie van de invloed ervan op de rijgeschiktheid. Er moet eveneens rekening gehouden worden met de invloed die het gebruik van bloeddrukverlagende middelen kan hebben op het bewustzijn van de kandidaat. [6 De kandidaat met ongecontroleerde maligne hypertensie of symptomatische ernstige hypertensie is niet rijgeschikt.]6   6.5. Coronair stelsel [6 , vaatstelsel]6 en myocard   6.5.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   6.5.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   6.5.1.2. [6 De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris, bvb. na coronaire bypasschirurgie of CPI. Een verslag van een cardioloog is vereist.]6   6.5.1.3. [6 De kandidaat die een coronaire bypasschirurgie of een percutane coronaire interventie heeft ondergaan, is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.]6   [6 6.5.1.4. De kandidaat die één of meerdere myocardinfarcten heeft doorgemaakt is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.    6.5.1.5. De kandidaat die lijdt aan een aneurysma aortae, waarbij maximumdiameter van de aorta een aanzienlijk risico inhoudt op plotselinge breuk en plotselinge invaliderende gebeurtenis, is niet rijgeschikt.]6   6.5.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   6.5.2.1. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.5.2.2. De kandidaat met belangrijke beschadiging van het myocard, duidelijk aangetoonde letsels van een vroeger myocardinfarct [6 ...]6 en hartfalen is niet rijgeschikt.   6.5.2.3. [6 Indien het evenwel gaat om één of meer beperkte infarcten, met behoud van een goede hartfunctie en zonder ritmestoornissen, kan de houder van een rijbewijs van groep 2 rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.]6   [6 6.5.2.4. De kandidaat met kritische stenose van de carotis is niet rijgeschikt.    6.5.2.5. De kandidaat die lijdt aan een aneurysma aortae, waarbij maximumdiameter van de aorta groter is dan 5,5 cm, is niet rijgeschikt.    6.5.2.6. De kandidaat die een coronaire bypasschirurgie of een percutane coronaire interventie heeft ondergaan, is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.]6   [6 6.6. Hartfalen    6.6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1    6.6.1.1. De kandidaat met een hulpmiddel ter ondersteuning van de hartpompfunctie kan rijgeschikt bevonden worden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van het hulpmiddel en de behandeling van de kandidaat.    6.6.1.2. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest en voor het verlengen van de geldigheidsduur ervan zijn:    a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;    b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;    c) blijk geven van een strikte therapietrouw;    d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.    Het rijgeschiktheidsattest kan een maximale geldigheidsduur hebben van drie jaar.    6.6.2. Normen voor de kandidaten van groep 2    6.6.2.1. De kandidaat met een hulpmiddel ter ondersteuning van de hartpompfunctie is niet rijgeschikt.]6   7. [1 Diabetes mellitus    7.1. De kandidaat met diabetes mellitus is niet rijgeschikt.    De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hypoglykemie of met een ernstige hypoglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hyperglykemie of met een ernstige hyperglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De kandidaat met een recurrente hypoglykemie of de kandidaat die onvoldoende inzicht heeft in het risico op hypoglykemie die de rijgeschiktheid in gevaar brengt, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    Onder ernstige hypoglykemie wordt verstaan een toestand van een te lage bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hypoglykemie bij een tweede aanval van ernstige hypoglykemie in een periode van twaalf maanden.    Onder ernstige hyperglykemie wordt verstaan een toestand van een te hoge bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hyperglykemie bij een tweede aanval van ernstige hyperglykemie in een periode van twaalf maanden.    7.2. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard, mits wordt voldaan aan de specifieke vereisten van de gewenste rijbewijscategorie.    7.3. De kandidaat met diabetes mellitus bij wie de aandoening gepaard gaat met ernstige verwikkelingen ter hoogte van de ogen, het zenuwstelsel, het hart of de bloedvaten, wordt doorverwezen naar de artsen gespecialiseerd in dit type aandoening om hun respectief advies in te winnen.    De kandidaat met locomotorische stoornissen die een invloed kunnen hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, wordt doorverwezen naar het in artikel 45 bedoelde centrum. De arts van het centrum wint de nodige adviezen in en bezorgt overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 het attest of zijn conclusies aan de in artikel 44 bedoelde arts, rekening houdend met de vereiste voorwaarden, beperkingen en aanpassingen.    7.4. Normen voor de kandidaten van groep 1    7.4.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet en/of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie, wendt zich tot een arts, die zijn rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaalt.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.    7.4.2. De rijgeschiktheid van een kandidaat die 3 of meer insuline-inspuitingen per dag of een behandeling met een insulinepomp toegediend krijgt, wordt bepaald door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.    7.4.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status " recurrentie ", met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    7.4.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.    7.4.5. Bij elke verlenging van de geldigheidsduur van de rijgeschiktheid legt de arts de kandidaat uit welke tekens op hypoglykemie wijzen en hoe hij deze toestand kan voorkomen.    Wanneer de resultaten van de bloedsuikerspiegelmetingen beschikbaar zijn, evalueert de arts ze en bespreekt hij ze met de kandidaat.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.    7.5. Normen voor de kandidaten van groep 2    7.5.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis geen hypoglykemie kan veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard.    Een gunstig verslag van de arts is vereist.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.2. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis hypoglykemieaanvallen kan veroorzaken of wordt behandeld met insuline, kan rijgeschikt worden verklaard.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status " recurrentie ", met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet zijn toestand op afdoende wijze controleren door minstens tweemaal per dag en op voor het rijden relevante tijdstippen zijn bloedsuikerspiegel te meten en de nodige maatregelen te nemen.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.    7.5.5. Op verzoek van de in artikel 44 bedoelde arts verstrekt de behandelende arts hem alle bovenvermelde en andere relevante medische gegevens, alsook zijn advies omtrent de rijgeschiktheid van de kandidaat.    De keuringsarts bepaalt de rijgeschiktheid en indien nodig de voorwaarden.]1   8. Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem   8.1. De kandidaat die een aandoening van het vestibulair stelsel heeft, die een plotselinge aanval van duizeligheid of een plotselinge evenwichtsstoornis kan veroorzaken is niet rijgeschikt.   8.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat van groep 1, verwijst de kandidaat naar een specialist Neus-, Keel- en Oorziekten voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   8.3. Voor de kandidaat van groep 2 is een verslag van de specialist Neus-, Keel- en Oorziekten vereist.   8.4. De kandidaat van groep 1 of 2 met hypoacusie of doofheid is rijgeschikt indien dit niet gepaard gaat met ernstige vestibulaire stoornissen.   III. [1 Normen betreffende de visuele functies    1. Algemene bepalingen    1.1. De kandidaat van groep 1 bedoeld in artikel 41, § 3, en de kandidaat van groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op het vlak van het visueel functioneren, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen.    1.2. De beoordeling van de rijgeschiktheid houdt rekening met de diverse aspecten van het visueel functioneren die noodzakelijk zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de gezichtsscherpte, het gezichtsveld, het gezichtsvermogen in het schemerdonker, de licht- en contrastgevoeligheid, diplopie en andere visuele functies die essentieel zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen.    1.3. De kandidaat met een stoornis in het visueel functioneren die het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig kan verhinderen, is niet rijgeschikt. De kandidaat van groep 1 met een beperking door een gestoorde contrastgevoeligheid kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.    1.4. De kandidaat met een progressieve visuele functiestoornis is niet rijgeschikt. Indien deze stoornis het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet kan verhinderen, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden door de oogarts. De geldigheidsduur van het attest is maximaal tien jaar.    1.5. Na een belangrijke verandering in het visueel functioneren, bijvoorbeeld na het ontstaan van diplopie of het functioneel monoculair worden, is de kandidaat niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door de oogarts indien de aandoening het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet verhindert.    2. Gezichtsscherpte    2.1. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bereiken of om een visueel functioneren te garanderen zodanig dat de kandidaat in alle veiligheid een motorvoertuig kan besturen, wordt deze vermeld op het afgeleverde attest door de [2 oogarts ]2.    2.2. De correctie moet goed verdragen worden en mag geen aanleiding geven tot een stoornis in andere visuele functies.    2.3. Normen voor de kandidaten van groep 1    2.3.1. De kandidaat moet, zo nodig met een optische correctie, een binoculaire gezichtsscherpte van ten minste 5/10 hebben.    2.3.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van de gezichtsscherpte, in uitzonderlijke gevallen rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer, van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij, indien nodig met optische correctie, een gezichtssterkte van minimaal 3/10 behaalt en voldoet aan de norm van het gezichtsveld; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat. Dit verslag moet onder meer aantonen dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.    2.4. Normen voor de kandidaten van groep 2    De kandidaat dient, zo nodig met een optische correctie, te beschikken over een gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 1/10 voor het minder goede oog. Indien de waarden 8/10 en 1/10 worden bereikt met een optische correctie dient deze minimale gezichtsscherpte te zijn verkregen door brilglazen die niet sterker mogen zijn dan plus 8 dioptrieën, of door contactlenzen.    3. Het gezichtsveld    3.1. Het meten van het gezichtsveld gebeurt door middel van een perimeter. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen, gebeurt het meten van het gezichtsveld met deze optische correctie.    3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1    3.2.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 120° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 50° naar links en naar rechts, en minimaal 20° naar boven en onder te bedragen. De centrale 20° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.    3.2.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van het gezichtsveld, in uitzonderlijke gevallen, rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij voldoet aan de normen van [2 de gezichtsscherpte ]2; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat, met vermelding van de oorzaak, prognose, stabiliteit en adaptatie. Uit het verslag moet ook blijken dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.    3.2.3. Als de kandidaat slechts één oog functioneel gebruikt, gelden dezelfde criteria als voor het binoculair functioneren. De kandidaat kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.    3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2    3.3.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 160° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 70° naar links en naar rechts, en minimaal 30° naar boven en onder te bedragen. De centrale 30° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.    3.3.2. De kandidaat die slechts één oog functioneel gebruikt is niet rijgeschikt.    4. Zicht bij schemerlicht    Om rijgeschikt te zijn moet de kandidaat na vijf minuten aanpassing aan de duisternis een gezichtsscherpte vertonen van 2/10, eventueel met een optische correctie.    De gezichtsscherpte wordt gemeten voor beide ogen samen aan de hand van een schaal van optotypen, zwarte letters op witte grond, belicht met één Lux, geplaatst op een afstand van vijf meter van de kandidaat.    Bij twijfel zal nader onderzoek met een adaptometer plaatsvinden. De maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.]1   IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen   1. Psychotrope stoffen en geneesmiddelen   1.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   1.2. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is of die stoffen overmatig gebruikt zonder daaraan verslaafd te zijn, is niet rijgeschikt.   1.3. De kandidaat die regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen gebruikt die een nadelige invloed op de rijgeschiktheid kunnen hebben of die dusdanige hoeveelheden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed is niet rijgeschikt.   Hetzelfde geldt bij gebruik van alle andere geneesmiddelen of geneesmiddelencombinaties die de waarneming, de stemming, de aandacht, de psychomotoriek en het oordeelsvermogen ongunstig beïnvloeden.   1.4. De geneesheer gaat bij het voorschrijven van geneesmiddelen na welke de invloed is op het rijgedrag van elk geneesmiddel afzonderlijk, in combinatie met andere geneesmiddelen of in combinatie met alcohol. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor het rijgedrag.   1.5. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is geweest of er overmatig gebruik van heeft gemaakt, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maanden rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.   2. Alcohol   2.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   2.2. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is of zich niet kan onthouden van alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, is niet rijgeschikt.   2.3. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is geweest, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maanden rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.   V. Normen betreffende nier- en leveraandoeningen   1. Normen voor de kandidaten van groep 1   1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een internist voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   1.2. De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt, kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal twee jaar.   2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. Een verslag van een internist is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal een jaar.   VI. Implantaten   De kandidaat met een orgaantransplantatie of met een artificieel implantaat met een mogelijke weerslag op de rijgeschiktheid, kan evenwel rijgeschikt worden verklaard door de geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, mits een verslag van de behandelende geneesheer-specialist en een regelmatig geneeskundig toezicht.   VII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13556)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43330>   <KB 2006-09-01/33, art. 27, 2°, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.S. 06-09-2006, p. 45274>   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      VIII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor een rijbewijs van groep 1, afgeleverd door een oogarts   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13557)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43331>   <KB 2006-09-01/33, art. 27, 2°, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.S. 06-09-2006, p. 45275>   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      IX. Eigen verklaring voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13558)   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>      X. Oogonderzoek - kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13559-13560)   Vervangen door :   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      XI. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13561)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43332>   <KB 2004-07-15/34, art. 14, Inwerkingtreding : 01-08-2004; M.B. 30-07-2004, p. 58389, 58398-58399>   Vervangen door :   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      XII. [7 Rijgeschiktheidsattest voor het rijbewijs van groep 1 afgeleverd door de geneesheer van het centrum verantwoordelijk voor de beoordeling van de rijgeschiktheid    Ik, ondergetekende, Dokter ..................................., geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998, verklaart dat ikzelf en/of andere geneesheren de hieronder vermelde kandidaat hebben onderzocht en/of dat deze kandidaat een praktisch rijexamen heeft afgelegd met een voertuig van groep 1.    Op basis van de examens en/of het praktisch rijexamen, overeenkomstig de bepalingen van bijlage 6 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, verklaar ik de kandidaat voor de volgende categorie(ën):    OAM OA1 OA2 OA OB OB+E OG    O niet rijgeschikt    O Rijgeschikt, zonder aanpassing, voorwaarde of beperking    O Rijgeschikt onder de volgende voorwaarden of beperkingen:    Voorwaarden betreffende de bestuurder (om medische redenen):    o Code 02. Gehoorprothese/hulp communicatie    o Code 03.01 Prothese/orthese arm in combinatie met .......    Code a: links; Code b: rechts; Code c: hand    o Code 03.02 Prothese/orthese been in combinatie met .......    Code a: links; Code b: rechts; Code d: voet    Beperkingen:    o Code 61. Alleen rijden bij daglicht (bijvoorbeeld, één uur na zonsopgang tot één uur voor zonsondergang)    o Code 62. Alleen rijden binnen een straal van ... km vanaf de woonplaats van de rijbewijshouder of alleen binnen de stad/regio    o Code 63. Alleen rijden zonder passagiers    o Code 65. Rijden alleen toegestaan in gezelschap van een andere houder van een rijbewijs van op zijn minst dezelfde categorie    o Code 66. Rijden zonder aanhangwagen    o Code 67. Rijden op snelweg niet toegestaan    o Code 68. Alcohol niet toegestaan    O Rijgeschikt mits volgende aanpassingen:    o Code ...........................................    o Code ...........................................    o Code ...........................................    Het rijgeschiktheidsattest geleverd door de oogarts wordt in bijlage ingevoegd: * Ja * Nee    Dit rijgeschiktheidsattest heeft:    O Een onbeperkte geldigheid O Een geldigheid beperkt tot en met ........................    Ik verklaar dat ik de medische adviezen die mij ter beschikking worden gesteld in het dossier van de kandidaat zal bewaren voor een periode van 6 jaar.      Identificatie van de kandidaat Identificatie van de geneesheer Naam: Naam: Voornaam: RIZIV-nummer: Geboortedatum:  Rijksregisternummer (facultatief)  Adres   Datum:    Handtekening van de geneesheer ]7   XIII. Psychologisch onderzoek voor de bestuurders, die van het recht tot sturen vervallen verklaard zijn" alle categorieën van motorvoertuigen)   Onderzoek van de persoonlijkheid en van de wijze van aanpassing aan het sociaal milieu.   Onderzoek van de psycho-motorische vermogens en de compensatiemechanismen.   <Opgeheven door KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   ----------   (1)<KB 2010-09-10/01, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 15-09-2010>   (2)<KB 2011-03-02/01, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 08-03-2011>   (3)<KB 2011-04-28/01, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   (4)<KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   (5)<KB 2016-07-21/19, art. 4, 048; Inwerkingtreding : 20-08-2016>   (6)<KB 2020-06-16/20, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 18-07-2020>   (7)<BWG 2020-09-24/05, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 01-10-2020>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  4. Art. N6 · Vlaanderen

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N6_VLAAMS_GEWEST.    MINIMUMNORMEN EN ATTESTEN INZAKE DE LICHAMELIJKE EN GEESTELIJKE GESCHIKTHEID VOOR HET BESTUREN VAN EEN MOTORVOERTUIG   I. Deze bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs [4 of een voorlopig rijbewijs]4 en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen   1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder :   1° "kandidaat" : de persoon die een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs [4 ...]4 aanvraagt, die om de verlenging van een rijbewijs verzoekt of de houder van een rijbewijs van wie de lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumnormen;   2° "kandidaat van groep 1" : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de (categorie [3 AM]3 [4 , A1, A2, A,]4, B, B+E of G); <KB 2006-09-01/33, art. 27, 1°, 015; Inwerkingtreding : 15-09-2006>   3° "kandidaat van groep 2" : de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie [4 C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D of D+E]4 en de bestuurders van voertuigen bedoeld in artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;   2. Om rijgeschikt te worden verklaard, dient de kandidaat aan de in deze bijlage voorgeschreven minimumnormen te voldoen en vrij te zijn van elke in deze bijlage opgenomen lichamelijke of geestelijke aandoening of afwijking, die zijn functionele mogelijkheden zodanig beperkt dat hij een gevaar kan opleveren voor de veiligheid bij het besturen van een motorvoertuig.   3. De rijgeschiktheid wordt bepaald na een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen, die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden.   De geneesheer houdt bij de beoordeling rekening met de categorie [4 ...]4 waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt. Voor de kandidaten van groep 2, dient hij speciaal rekening te houden met de bijzondere risico's en gevaren die verband houden met het besturen van voertuigen van deze categorieën [4 ...]4 en de mogelijke belemmering ervan door functiestoornissen of aandoeningen.   (4. Bij de vaststelling van een behandeling of het voorschrijven van geneesmiddelen gaat de geneesheer na wat de invloed van de behandeling, van elk geneesmiddel afzonderlijk of van de combinatie met andere geneesmiddelen of alcohol op het rijgedrag is. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor zijn rijgedrag en wijst hem op zijn eventuele verplichtingen betreffende het gebruik van zijn rijbewijs.) <KB 2002-09-05/35, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2002>   II. Normen betreffende de fysieke en geestelijke geschiktheid   1. Neurologische aandoeningen   1.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   1.1.1 Voor de kandidaten met een neurologische aandoening bepaalt de neuroloog de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   Indien de kandidaat een neurologische aandoening heeft die zich uit door een verminderde functionele vaardigheid om veilig een motorvoertuig te besturen, wordt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaald door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.   1.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel waardoor een acute stoornis in de hersenfuncties veroorzaakt kan worden met een plotseling bewustzijnsverlies of een plotseling onvermogen van de kandidaat tot gevolg, is niet rijgeschikt.   1.1.3. (De kandidaat wiens functionele, zintuiglijke, cognitieve of locomotorische vaardigheden zijn aangetast door een heelkundige ingreep wegens een intracraniële aandoening, of die een cerebro-vasculaire aandoening heeft gehad, kan ten vroegste zes maanden na het verschijnen van die functiestoornis rijgeschikt worden verklaard. De kandidaat met een tijdelijke doorbloedingsstoornis zonder functionele stoornissen kan door een neuroloog rijgeschikt verklaard worden. Deze bepaalt eveneens de geldigheidsduur.) <KB 2002-09-05/35, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2002>   1.1.4. De kandidaat met een evolutieve aandoening met invloed op de functionele vaardigheden om veilig een motorvoertuig te besturen wordt aan een regelmatig onderzoek onderworpen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal vijf jaar bedragen tot de leeftijd van 50 jaar en maximaal drie jaar vanaf deze leeftijd.   1.1.5. Bij de beoordeling van sensibele of motorische stoornissen of van evenwichts- of coördinatiestoornissen veroorzaakt door een aandoening van het centraal of het perifeer zenuwstelsel, wordt rekening gehouden met de functionele gevolgen en de mogelijke progressie van de aandoening.   1.1.6. De kandidaat met een lichamelijke, geestelijke of cognitieve ontwikkelingsstoornis of verworven stoornis, ook als die het gevolg is van een verouderingsproces en die zich uit in een belangrijke afwijking in gedragingen, een stoornis in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of die de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoort is niet rijgeschikt.   De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden vrij is van genoemde stoornissen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   1.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij minstens een jaar vrij is van belangrijke neurologische afwijkingen. Een verslag van een neuroloog is vereist.   2. Geestelijke aandoeningen   2.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   2.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een psychiater voor het inwinnen van het psychiatrisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   2.1.2. De kandidaat die een geestelijke aandoening heeft die een plotselinge bewustzijnsstoornis, een dissociatieve of een acute stoornis van de hersenfuncties kan veroorzaken, zich uitend in een belangrijke afwijking in het gedrag, een plotseling functieverlies, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen of de psychomotorische reacties van de kandidaat verstoren is niet rijgeschikt.   2.1.3. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij minstens zes maanden vrij is van de in 2.1.2. bedoelde stoornissen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   2.1.4. De kandidaat met schizofrenie kan rijgeschikt worden verklaard wanneer hij tenminste twee jaar recidief vrij is, voldoende ziekte-inzicht heeft en de defecttoestand van lichte aard is. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.   2.1.5. De kandidaat met waanstoornissen zonder onberekenbaar, agressief of impulsief gedrag en wiens rijgedrag niet beïnvloed wordt door de medicatie, kan rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar.   2.1.6. De kandidaat met een tijdelijke, belangrijke of een regelmatig terugkerende stemmingsstoornis van het manische, het depressieve of het gemengde type, is niet rijgeschikt. Indien de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, een volledig inzicht in zijn aandoening heeft en minstens zes maand recidief vrij is, kan hij rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.   2.1.7. De kandidaat met persoonlijkheidsstoornissen is niet rijgeschikt indien hij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld vertoont dat het oordeelsvermogen nadelig beïnvloedt.   2.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat is in principe niet rijgeschikt. Uitzonderlijk kan de kandidaat op voorlegging van een gunstig verslag van een psychiater rijgeschikt worden verklaard.   3. [1 Epilepsie    3.1. De kandidaat met epilepsie of die een epileptische aanval heeft gehad, ongeacht het al dan niet ondergaan hebben van curatieve cerebrale chirurgie, is niet rijgeschikt. Een persoon heeft epilepsie indien hij binnen een periode van vijf jaar twee of meerdere niet uitgelokte epileptische aanvallen heeft gehad. Na vijf jaar aanvalsvrijheid kan een nieuwe aanval beschouwd worden als een eerste aanval.    Een geneesheer gespecialiseerd in de neurologie of neuropsychiatrie bepaalt het specifieke epilepsie syndroom en het (de) aanvalstype(n), nodig om het risico op verdere aanvallen in te schatten. Bij andere oorzaken van bewustzijnsverlies of -daling houdt hij rekening met het risico op herhaling tijdens het rijden en met de andere desbetreffende criteria [2 vermeld in deze]2 bijlage. Hij formuleert het advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.    3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1    3.2.1. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.    3.2.2. De kandidaat die één aanval van epilepsie heeft gehad, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden, rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram geen epileptiforme tekens vertoont en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie.    3.2.3. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens drie maanden rijgeschikt worden verklaard indien het elektro-encefalogram verricht na de periode van provocatie geen epileptiforme tekens vertoont en een uitgebreid specialistisch onderzoek niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria voorzien in punt IV. " Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen ".    3.2.4. De kandidaat met epilepsie kan rijgeschikt worden verklaard na een aanvalsvrije periode van minstens één jaar.    3.2.5. De kandidaat, met een tevoren stabiele situatie, die een epileptische aanval heeft vertoond ten gevolge van het afbouwen, wijzigen van de dosering of het type van de anti-epileptica, kan rijgeschikt worden verklaard drie maanden na de laatste aanval indien de vorige behandeling wordt hervat. Indien er een andere behandeling wordt gestart, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden 6 maand na de laatste aanval. De geneesheer licht de kandidaat in over de mogelijke risico's bij het afbouwen of veranderen van de medicatie.    3.2.6. De kandidaat die uitsluitend aanvallen van epilepsie vertoont die geen invloed hebben op het bewustzijn en die geen aanleiding geven tot enig andere beperking met betrekking tot een veilige verkeersdeelname, en die in de anamnese vrij is van andere epilepsie-aanvallen, kan rijgeschikt worden verklaard wanneer deze toestand tenminste één jaar bestaat.    3.2.7 De kandidaat die gedurende een periode van twee jaar uitsluitend aanvallen van epilepsie heeft gehad tijdens de slaap, kan rijgeschikt worden verklaard.    3.2.8. De kandidaat met epilepsie die hiervoor curatieve cerebrale chirurgie heeft ondergaan, kan na een periode zonder aanvallen van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard. Indien de aandoening of de ingreep een invloed heeft of heeft gehad op de motorische controle, het gedrag, het oordeels-, aanpassing-, waarneming- en perceptievermogen, zijn de bepalingen voorzien in punt II. 1. " [2 Neurologische aandoeningen]2 " van toepassing.    3.2.9. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest of voor de verlenging van de geldigheidsduur zijn dat de kandidaat onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, blijk geeft van een strikte therapietrouw en de voorgeschreven medicamenteuze anti-epileptische behandeling nauwgezet volgt. Een uitgebreid neurologisch onderzoek laat tot een stabilisatie van de toestand besluiten. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist.    3.2.10. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot één jaar. Indien de kandidaat in deze periode vrij van aanvallen is gebleven kan de geldigheidsduur worden verlengd tot maximaal vijf jaar na de laatste aanval. Na een periode zonder aanvallen van vijf opeenvolgende jaren, kan een rijgeschiktheidsattest zonder beperking in de geldigheidsduur worden afgeleverd.    Voor de kandidaten vermeld onder [2 3.2.6 en 3.2.7]2 wordt een rijgeschiktheidsattest met een geldigheidsduur van één jaar, jaarlijks verlengbaar, afgeleverd. Voor deze kandidaten kan een rijgeschiktheidsattest met een onbeperkte geldigheidsduur afgeleverd worden na vier opeenvolgende verlengingen.    3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2    3.3.1. De kandidaat die een éénmalige niet uitgelokte aanval van epilepsie heeft gehad en reeds vijf jaar geen aanvallen van welke vorm ook heeft vertoond kan rijgeschikt worden verklaard.    3.3.2. De kandidaat die ten gevolge van een aanwijsbare en vermijdbare oorzaak een eenmalige uitgelokte aanval van epilepsie heeft vertoond, kan na een aanvalsvrije periode van minstens een jaar rijgeschikt worden verklaard.    Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden na een aanvalsvrije periode van minstens zes maanden.    Indien de aanval optrad tengevolge van het gebruik of wegens de onthouding van het gebruik van alcohol en/of psychotrope stoffen dient men dit in de beoordeling te betrekken volgens de desbetreffende criteria bedoeld in punt IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen.    3.3.3. De kandidaat met epilepsie, ongeacht de vorm, kan rijgeschikt worden verklaard na een ononderbroken periode van ten minste tien jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.    Indien er prognostisch uitzonderlijk gunstige factoren zijn, kan de kandidaat met epilepsie rijgeschikt verklaard worden voor het besturen van een voertuig bedoeld in artikel 43 of van de categorie C1 na een ononderbroken periode van ten minste twee jaar zonder aanvallen van welke vorm ook.    3.3.4. De voorwaarden voor het afleveren van of voor de verlenging van de geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest zijn dat de kandidaat aanvalsvrij is gebleven voor de vereiste periode en dit zonder anti-epileptische medicatie, onder regelmatig geneeskundig toezicht staat, voldoende inzicht heeft in de aandoening, het elektro-encefalogram geen epileptiforme afwijkingen vertoont, en de neurologische beeldvorming niet wijst op het bestaan van een epileptogene cerebrale pathologie. Een gunstig neurologisch verslag is steeds vereist. Dit verslag geeft aan dat er geen aanwijzingen zijn dat het risico op een nieuwe aanval, bewustzijnsverlies; of -daling tijdens het rijden groter is dan 2 % per jaar.    3.3.5. De geldigheidsduur van het rijgeschiktheidsattest is voor de eerste afgifte beperkt tot een jaar en kan gedurende de vijf volgende jaren telkens worden verlengd met maximaal een jaar.    Na deze periode is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44, § 5, van toepassing.]1   4. Pathologische somnolentie   4.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   4.1.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. [5 De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.]5   4.1.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze laatste naar een neuroloog, voor het inwinnen van een neurologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   4.1.3. De kandidaat met een narcolepsie/cataplexiesyndroom, die onder behandeling geen symptomen vertoont, kan rijgeschikt worden verklaard zes maanden na het uitblijven van deze bewustzijnsstoornissen.   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar.   4.1.4. De kandidaat met een [5 matig of ernstig]5 slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. [5 Adequate medische opvolging en therapietrouw zijn vereist.]5   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Is de kandidaat, na deze periode, nog steeds vrij van de stoornissen of anomalieën, [5 en is er adequate medische opvolging en therapietrouw,]5 dan kan een rijgeschiktheidsverklaring zonder beperking van de geldigheidsduur worden afgeleverd.   4.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   4.2.1. De kandidaat met pathologische somnolentie of bewustzijnsstoornissen ten gevolge van het narcolepsie/cataplexiesyndroom of het slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt. [5 De kandidaat met een matig of ernstig slaapapneusyndroom is niet rijgeschikt.]5   4.2.2. De kandidaat met een [5 matig of ernstig]5 slaapapneusyndroom kan rijgeschikt worden verklaard een maand na het instellen van een succesvolle behandeling. Een gunstig verslag [5, adequate medische opvolging en therapietrouw zijn]5 vereist.   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Is de kandidaat na deze periode nog steeds vrij van de symptomen [5 en is er adequate medische opvolging en therapietrouw,]5 dan is de geldigheidsduur voorgeschreven in artikel 44 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs van toepassing.   5. Locomotorische aandoeningen   5.1. De kandidaat die verminderde functionele vaardigheden vertoont ten gevolge van een aantasting van het muskulo-skeletaal systeem, een aandoening van het centraal of perifeer zenuwstelsel of elke andere aandoening waardoor een beperking ontstaat van zijn motorische controle, zijn waarnemingen of zijn gedrag en zijn beoordelingsvermogen, die een invloed hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, is niet rijgeschikt.   5.2. Normen voor de kandidaten van groep 1   5.2.1. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.   5.2.2. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs kan voor het bepalen van de rijgeschiktheid zelf geneeskundige onderzoeken uitvoeren of deze laten uitvoeren door een ander geneesheer. Hij kan gebruik maken van alle middelen, die de geneeskunde biedt en zich steunen op de resultaten van een praktische rijtest met een motorvoertuig van de gewenste categorie [4 ...]4.   De geneesheer houdt rekening met de categorie [4 ...]4 waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en de omstandigheden waarin dit laatste zal worden gebruikt.   5.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat te voldoen aan alle in deze bijlage vermelde voorwaarden voor de kandidaten van groep 1 alsmede aan de eisen inzake kennis, vaardigheid en gedrag voor het besturen van een motorvoertuig, toepasbaar op de categorieën [4 ...]4 waarvoor hij een rijbewijs aanvraagt of om de verlenging ervan verzoekt. De kandidaat dient, met zijn aangepast voertuig, dezelfde prestaties te kunnen leveren als een valide bestuurder met eenzelfde niet aangepast voertuig.   5.2.4. De geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt, in voorkomend geval, de nodige aanpassingen, voorwaarden en beperkingen. Deze worden vermeld op het attest van rijgeschiktheid.   "Aanpassingen" zijn de nodige verbouwingen aan en uitrustingen van een motorvoertuig die vereist zijn om een vermindering van de functionele vaardigheden te ondervangen zodat dat voertuig veilig kan worden bestuurd overeenkomstig de reglementaire bepalingen.   De voorwaarden en beperkingen worden bepaald op basis van de lichamelijke en geestelijke toestand van de kandidaat, rekening houdend met de risico's, omstandigheden en gevaren, eigen aan het besturen van bepaalde voertuigen.   Deze voorwaarden en beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de rijbewijscategorie [4 ...]4, het type van voertuig, de gebruiksvoorwaarden, het ogenblik van gebruik, de actieradius, de geldigheidsduur, het gebruik van orthesen of prothesen.   5.3. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat wordt, nadat door de geneesheer bedoeld in artikel 44, §§ 1 en 4 vastgesteld werd dat op louter geneeskundige gronden de toestand van de kandidaat in overeenstemming is met de minimumnormen, verwezen naar het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. De geneesheer van dit centrum zal op basis van de in punten 5.2.3. en 5.2.4. gestelde normen zijn besluiten opmaken en deze ter beschikking stellen van de verwijzende geneesheer.   6. Aandoeningen van hart en bloedvaten   6.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   6.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   6.1.2. De kandidaat die lijdt aan een aandoening met een duidelijk verhoogd risico op een plotselinge bewustzijnsstoornis of een plotseling functieverlies, is niet rijgeschikt.   6.1.3. De kandidaat, die lichte tot matige klachten vertoont ten gevolge van chronisch hartfalen bij gewone of lichte fysieke inspanning (New York Hart Association (NYHA) klasse 2), kransvatlijden, cardiomyopathie, een aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met een prothese), een aangeboren (of verworven) gebrek van het hart of de grote vaten, kan rijgeschikt worden verklaard. <KB 2002-09-05/35, art. 26, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2002>   De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal vijf jaar.   6.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat met klachten ten gevolge van chronisch hartfalen enkel bij gewone fysieke inspanning (NYHA klasse 2), cardiomyopathie, aangeboren gebrek van het hart of de grote vaten, aangeboren of verworven klepafwijking (al dan niet met een klepprothese), een ischemische hartziekte ten gevolge van een kransvatlijden, kan rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal drie jaar.   6.3. Ritme en geleiding   6.3.1. [2 Normen voor de kandidaten van groep 1    6.3.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.    6.3.1.2. De kandidaat met ernstige niet-gecorrigeerde en niet gecontroleerde stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.    6.3.1.3. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de maand die volgt op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat door de behandelende cardioloog onmiddellijk rijgeschikt worden bevonden.    Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat, die drager is van een pacemaker, het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal drie jaar bedragen.    6.3.1.4. De kandidaat met een ingeplante automatische defibrillator is niet rijgeschikt.    6.3.1.4.1. De kandidaat die geen hartstilstand heeft gehad en bij wie om louter preventieve redenen een defibrillator ingeplant werd, kan rijgeschikt bevonden worden één maand na de datum van inplanting. De kandidaat kan rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.2. De kandidaat die een hartstilstand heeft gehad en bij wie een defibrillator ingeplant werd, kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van inplanting, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.3. Als alleen de defibrillator vervangen wordt, kan de kandidaat onmiddellijk rijgeschikt worden verklaard. Bij het vervangen van de elektrode kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard één maand na de inplanting ervan. De cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat, levert het rijgeschiktheidsattest af.    6.3.1.4.4. De kandidaat van wie de defibrillator een stroomstoot heeft gegeven die een invloed heeft gehad op het hartritme, is niet rijgeschikt.    De kandidaat kan na een periode van minstens drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de laatste stroomstoot, rijgeschikt worden bevonden door de cardioloog van het geneeskundig centrum dat instaat voor de opvolging van de goede werking van de defibrillator en de behandeling van de kandidaat.    6.3.1.4.5. De voorwaarden voor het afleveren van een rijgeschiktheidsattest en voor het verlengen van de geldigheidsduur ervan zijn :    a) onder regelmatig geneeskundig toezicht staan;    b) voldoende inzicht hebben in de aandoening;    c) blijk geven van een strikte therapietrouw;    d) en het voorgeschreven behandelingsplan nauwgezet volgen.    6.3.1.4.6. Het rijgeschiktheidsattest kan een maximale geldigheidsduur hebben van drie jaar.]2   6.3.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   6.3.2.1. De kandidaat met ernstige stoornissen van het hartritme of van de atrioventriculaire geleiding is niet rijgeschikt.   6.3.2.2. De kandidaat met een ingeplante pacemaker is niet rijgeschikt tijdens de drie maanden die volgen op de inplanting van de pacemaker of het vervangen van de pacemaker-elektrode. Een verslag van een cardioloog is vereist.   Bij het vervangen van enkel de pacemaker kan de kandidaat ten vroegste twee weken na de ingreep rijgeschikt worden verklaard. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.3.2.3. Om rijgeschikt te zijn dient de kandidaat die drager is van een ingeplante pacemaker het behandelingsplan van de behandelende cardioloog te volgen. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid kan maximaal een jaar bedragen. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.3.2.4. De kandidaat met een ingeplante defibrillator is niet rijgeschikt.   6.4. Bloeddruk   De systolische en diastolische bloeddruk worden beoordeeld in functie van de invloed ervan op de rijgeschiktheid. Er moet eveneens rekening gehouden worden met de invloed die het gebruik van bloeddrukverlagende middelen kan hebben op het bewustzijn van de kandidaat.   6.5. Coronair stelsel en myocard   6.5.1. Normen voor de kandidaten van groep 1   6.5.1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst de kandidaat naar een cardioloog voor het inwinnen van het cardiologisch advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   6.5.1.2. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.5.1.3. De kandidaat die één of meerdere myocardinfarcten heeft doorgemaakt is niet rijgeschikt. Op basis van een verslag van een cardioloog, rekening houdend met de klachten van de kandidaat en de evolutie van de aandoening, kan de kandidaat rijgeschikt worden verklaard.   6.5.2. Normen voor de kandidaten van groep 2   6.5.2.1. De kandidaat met angina pectoris die optreedt bij rust, bij de minste emotie of andere relevante uitlokkende factor, is niet rijgeschikt. De rijgeschiktheid kan opnieuw geëvalueerd worden na het verdwijnen van de klachten van angina pectoris. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal een jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.   6.5.2.2. De kandidaat met belangrijke beschadiging van het myocard, duidelijk aangetoonde letsels van een vroeger myocardinfarct, duidelijk bewezen tekens van coronair lijden en hartfalen is niet rijgeschikt.   6.5.2.3. Indien het evenwel gaat om één of meer beperkte infarcten, met behoud van een goede hartfunctie en zonder ritmestoornissen, kan de houder van een rijbewijs van groep 2 rijgeschikt worden verklaard. De rijgeschiktheidsverklaring kan afgeleverd worden minimaal drie maanden na het optreden van het laatste infarct. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal twee jaar. Een verslag van een cardioloog is vereist.   7. [1 Diabetes mellitus    7.1. De kandidaat met diabetes mellitus is niet rijgeschikt.    De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hypoglykemie of met een ernstige hypoglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De kandidaat met een verhoogd risico op een ernstige hyperglykemie of met een ernstige hyperglykemie, ongeacht het moment waarop ze is opgetreden, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De kandidaat met een recurrente hypoglykemie of de kandidaat die onvoldoende inzicht heeft in het risico op hypoglykemie die de rijgeschiktheid in gevaar brengt, is niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    Onder ernstige hypoglykemie wordt verstaan een toestand van een te lage bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hypoglykemie bij een tweede aanval van ernstige hypoglykemie in een periode van twaalf maanden.    Onder ernstige hyperglykemie wordt verstaan een toestand van een te hoge bloedsuikerspiegel waarbij een persoon behoefte heeft aan bijstand van een andere persoon om uit deze toestand te komen. Er is sprake van recurrente hyperglykemie bij een tweede aanval van ernstige hyperglykemie in een periode van twaalf maanden.    7.2. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard, mits wordt voldaan aan de specifieke vereisten van de gewenste rijbewijscategorie.    7.3. De kandidaat met diabetes mellitus bij wie de aandoening gepaard gaat met ernstige verwikkelingen ter hoogte van de ogen, het zenuwstelsel, het hart of de bloedvaten, wordt doorverwezen naar de artsen gespecialiseerd in dit type aandoening om hun respectief advies in te winnen.    De kandidaat met locomotorische stoornissen die een invloed kunnen hebben op het veilig besturen van een motorvoertuig, wordt doorverwezen naar het in artikel 45 bedoelde centrum. De arts van het centrum wint de nodige adviezen in en bezorgt overeenkomstig de bepalingen van artikel 45 het attest of zijn conclusies aan de in artikel 44 bedoelde arts, rekening houdend met de vereiste voorwaarden, beperkingen en aanpassingen.    7.4. Normen voor de kandidaten van groep 1    7.4.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet en/of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie, wendt zich tot een arts, die zijn rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan bepaalt.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.    7.4.2. De rijgeschiktheid van een kandidaat die 3 of meer insuline-inspuitingen per dag of een behandeling met een insulinepomp toegediend krijgt, wordt bepaald door een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 5 jaar.    7.4.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status " recurrentie ", met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    7.4.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.    7.4.5. Bij elke verlenging van de geldigheidsduur van de rijgeschiktheid legt de arts de kandidaat uit welke tekens op hypoglykemie wijzen en hoe hij deze toestand kan voorkomen.    Wanneer de resultaten van de bloedsuikerspiegelmetingen beschikbaar zijn, evalueert de arts ze en bespreekt hij ze met de kandidaat.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.    7.5. Normen voor de kandidaten van groep 2    7.5.1. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met een dieet of met (orale of inspuitbare) bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis geen hypoglykemie kan veroorzaken, kan rijgeschikt worden verklaard.    Een gunstig verslag van de arts is vereist.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.2. De kandidaat met diabetes mellitus die wordt behandeld met bloedsuikerverlagende medicatie die in een therapeutische dosis hypoglykemieaanvallen kan veroorzaken of wordt behandeld met insuline, kan rijgeschikt worden verklaard.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.3. De kandidaat met een recurrente hypoglykemie kan rijgeschikt worden verklaard ten minste 3 maanden na het optreden van de hypoglykemie die aanleiding gaf tot de status " recurrentie ", met inachtneming van de in 7.5.4 bedoelde criteria.    Een gunstig verslag van een arts met bijzondere beroepstitel in de endocrino-diabetologie is vereist. Het verslag bevat ook een voorstel over de eventuele voorwaarden en/of beperkingen.    De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid bedraagt maximaal 3 jaar.    7.5.4. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard indien hij een stabiele diabetes heeft, voldoende inzicht heeft in zijn aandoening, het risico op hypoglykemie kent en de symptomen ervan herkent, blijk geeft van strikte therapietrouw, een diabeteseducatie heeft gevolgd en onder geregeld geneeskundig toezicht staat.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet zijn toestand op afdoende wijze controleren door minstens tweemaal per dag en op voor het rijden relevante tijdstippen zijn bloedsuikerspiegel te meten en de nodige maatregelen te nemen.    De kandidaat die medicatie gebruikt die een hypoglykemie kan veroorzaken, moet altijd snelle suikers binnen handbereik hebben in het voertuig dat hij bestuurt.    7.5.5. Op verzoek van de in artikel 44 bedoelde arts verstrekt de behandelende arts hem alle bovenvermelde en andere relevante medische gegevens, alsook zijn advies omtrent de rijgeschiktheid van de kandidaat.    De keuringsarts bepaalt de rijgeschiktheid en indien nodig de voorwaarden.]1   8. Aandoeningen van het gehoor en vestibulair systeem   8.1. De kandidaat die een aandoening van het vestibulair stelsel heeft, die een plotselinge aanval van duizeligheid of een plotselinge evenwichtsstoornis kan veroorzaken is niet rijgeschikt.   8.2. De geneesheer, gekozen door de kandidaat van groep 1, verwijst de kandidaat naar een specialist Neus-, Keel- en Oorziekten voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   8.3. Voor de kandidaat van groep 2 is een verslag van de specialist Neus-, Keel- en Oorziekten vereist.   8.4. De kandidaat van groep 1 of 2 met hypoacusie of doofheid is rijgeschikt indien dit niet gepaard gaat met ernstige vestibulaire stoornissen.   III. [1 Normen betreffende de visuele functies    1. Algemene bepalingen    1.1. De kandidaat van groep 1 bedoeld in artikel 41, § 3, en de kandidaat van groep 2, behalve als de in artikel 44, § 4, bepaalde geneesheer voor deze laatste de vereiste onderzoeken kan uitvoeren, wenden zich tot de oogarts van hun keuze, die, op het vlak van het visueel functioneren, de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan moet bepalen.    1.2. De beoordeling van de rijgeschiktheid houdt rekening met de diverse aspecten van het visueel functioneren die noodzakelijk zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de gezichtsscherpte, het gezichtsveld, het gezichtsvermogen in het schemerdonker, de licht- en contrastgevoeligheid, diplopie en andere visuele functies die essentieel zijn om een motorvoertuig in alle veiligheid te besturen.    1.3. De kandidaat met een stoornis in het visueel functioneren die het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig kan verhinderen, is niet rijgeschikt. De kandidaat van groep 1 met een beperking door een gestoorde contrastgevoeligheid kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.    1.4. De kandidaat met een progressieve visuele functiestoornis is niet rijgeschikt. Indien deze stoornis het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet kan verhinderen, kan de kandidaat rijgeschikt verklaard worden door de oogarts. De geldigheidsduur van het attest is maximaal tien jaar.    1.5. Na een belangrijke verandering in het visueel functioneren, bijvoorbeeld na het ontstaan van diplopie of het functioneel monoculair worden, is de kandidaat niet rijgeschikt. De kandidaat kan rijgeschikt worden verklaard door de oogarts indien de aandoening het in alle veiligheid besturen van een motorvoertuig niet verhindert.    2. Gezichtsscherpte    2.1. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bereiken of om een visueel functioneren te garanderen zodanig dat de kandidaat in alle veiligheid een motorvoertuig kan besturen, wordt deze vermeld op het afgeleverde attest door de [2 oogarts ]2.    2.2. De correctie moet goed verdragen worden en mag geen aanleiding geven tot een stoornis in andere visuele functies.    2.3. Normen voor de kandidaten van groep 1    2.3.1. De kandidaat moet, zo nodig met een optische correctie, een binoculaire gezichtsscherpte van ten minste 5/10 hebben.    2.3.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van de gezichtsscherpte, in uitzonderlijke gevallen rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer, van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij, indien nodig met optische correctie, een gezichtssterkte van minimaal 3/10 behaalt en voldoet aan de norm van het gezichtsveld; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat. Dit verslag moet onder meer aantonen dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.    2.4. Normen voor de kandidaten van groep 2    De kandidaat dient, zo nodig met een optische correctie, te beschikken over een gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 1/10 voor het minder goede oog. Indien de waarden 8/10 en 1/10 worden bereikt met een optische correctie dient deze minimale gezichtsscherpte te zijn verkregen door brilglazen die niet sterker mogen zijn dan plus 8 dioptrieën, of door contactlenzen.    3. Het gezichtsveld    3.1. Het meten van het gezichtsveld gebeurt door middel van een perimeter. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen, gebeurt het meten van het gezichtsveld met deze optische correctie.    3.2. Normen voor de kandidaten van groep 1    3.2.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 120° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 50° naar links en naar rechts, en minimaal 20° naar boven en onder te bedragen. De centrale 20° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.    3.2.2. Op gunstig advies van de oogarts kan de kandidaat, die niet voldoet aan de normen van het gezichtsveld, in uitzonderlijke gevallen, rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45, overeenkomstig de bepalingen van het punt II.5.2.2., op voorwaarde dat hij voldoet aan de normen van [2 de gezichtsscherpte ]2; hij moet slagen voor een rijtest in het centrum bedoeld in artikel 45. In dat geval bezorgt de oogarts aan de geneesheer van dit centrum een verslag betreffende het visueel functioneren van de kandidaat, met vermelding van de oorzaak, prognose, stabiliteit en adaptatie. Uit het verslag moet ook blijken dat het om een geïsoleerde visuele functiestoornis gaat.    3.2.3. Als de kandidaat slechts één oog functioneel gebruikt, gelden dezelfde criteria als voor het binoculair functioneren. De kandidaat kan rijgeschikt verklaard worden door de oogarts.    3.3. Normen voor de kandidaten van groep 2    3.3.1. Het horizontale binoculaire gezichtsveld dient minstens 160° te bedragen. Vanuit het centrum van dit gezichtsveld dient de amplitude minimaal 70° naar links en naar rechts, en minimaal 30° naar boven en onder te bedragen. De centrale 30° dienen vrij te zijn van enig absoluut defect.    3.3.2. De kandidaat die slechts één oog functioneel gebruikt is niet rijgeschikt.    4. Zicht bij schemerlicht    Om rijgeschikt te zijn moet de kandidaat na vijf minuten aanpassing aan de duisternis een gezichtsscherpte vertonen van 2/10, eventueel met een optische correctie.    De gezichtsscherpte wordt gemeten voor beide ogen samen aan de hand van een schaal van optotypen, zwarte letters op witte grond, belicht met één Lux, geplaatst op een afstand van vijf meter van de kandidaat.    Bij twijfel zal nader onderzoek met een adaptometer plaatsvinden. De maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.]1   IV. Normen betreffende het gebruik van alcohol, psychotrope stoffen en geneesmiddelen   1. Psychotrope stoffen en geneesmiddelen   1.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   1.2. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is of die stoffen overmatig gebruikt zonder daaraan verslaafd te zijn, is niet rijgeschikt.   1.3. De kandidaat die regelmatig, in welke vorm dan ook, psychotrope stoffen gebruikt die een nadelige invloed op de rijgeschiktheid kunnen hebben of die dusdanige hoeveelheden gebruikt dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed is niet rijgeschikt.   Hetzelfde geldt bij gebruik van alle andere geneesmiddelen of geneesmiddelencombinaties die de waarneming, de stemming, de aandacht, de psychomotoriek en het oordeelsvermogen ongunstig beïnvloeden.   1.4. De geneesheer gaat bij het voorschrijven van geneesmiddelen na welke de invloed is op het rijgedrag van elk geneesmiddel afzonderlijk, in combinatie met andere geneesmiddelen of in combinatie met alcohol. De geneesheer licht zijn patiënt in over de mogelijke gevolgen voor het rijgedrag.   1.5. De kandidaat die aan psychotrope stoffen verslaafd is geweest of er overmatig gebruik van heeft gemaakt, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maanden rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.   2. Alcohol   2.1. De geneesheer bepaalt de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   2.2. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is of zich niet kan onthouden van alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, is niet rijgeschikt.   2.3. De kandidaat die aan alcohol verslaafd is geweest, kan evenwel na een periode van bewezen onthouding van minstens zes maanden rijgeschikt worden verklaard. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal drie jaar.   V. Normen betreffende nier- en leveraandoeningen   1. Normen voor de kandidaten van groep 1   1.1. De geneesheer, gekozen door de kandidaat, verwijst deze naar een internist voor het inwinnen van een advies betreffende de rijgeschiktheid en geldigheidsduur ervan.   1.2. De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt, kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal twee jaar.   2. Normen voor de kandidaten van groep 2   De kandidaat die aan een ernstige chronische nier- of leverinsufficiëntie lijdt kan rijgeschikt worden verklaard mits een regelmatig geneeskundig toezicht. Een verslag van een internist is vereist. De geldigheidsduur van de rijgeschiktheid is beperkt tot maximaal een jaar.   VI. Implantaten   De kandidaat met een orgaantransplantatie of met een artificieel implantaat met een mogelijke weerslag op de rijgeschiktheid, kan evenwel rijgeschikt worden verklaard door de geneesheer van het centrum, bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, mits een verslag van de behandelende geneesheer-specialist en een regelmatig geneeskundig toezicht.   VII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13556)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43330>   <KB 2006-09-01/33, art. 27, 2°, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.S. 06-09-2006, p. 45274>   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      VIII. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor een rijbewijs van groep 1, afgeleverd door een oogarts   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13557)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43331>   <KB 2006-09-01/33, art. 27, 2°, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.S. 06-09-2006, p. 45275>   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      IX. Eigen verklaring voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13558)   Vervangen door :   <KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>      X. Oogonderzoek - kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13559-13560)   Vervangen door :   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>      XI. Rijgeschiktheidsattest voor de kandidaat voor het rijbewijs van groep 2   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13561)   Gewijzigd door :   <KB 2002-09-05/35, art. 26, Inwerkingtreding : 01-09-2002; B.S. 25-09-2002, p. 43332>   <KB 2004-07-15/34, art. 14, Inwerkingtreding : 01-08-2004; M.B. 30-07-2004, p. 58389, 58398-58399>   Vervangen door :   <KB 2016-12-14/10, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>   XII. Rijgeschiktheidsattest afgeleverd door de geneesheer van het centrum bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs aan de kandidaat voor het rijbewijs van groep 1   (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13562)   Gewijzigd door :   <KB 2006-09-01/33, art. 27, 2°, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.S. 06-09-2006, p. 45276>   Vervangen door :   <BVR 2017-01-20/22, art. 7, 051; Inwerkingtreding : 01-03-2017>   XIII. Psychologisch onderzoek voor de bestuurders, die van het recht tot sturen vervallen verklaard zijn" alle categorieën van motorvoertuigen)   Onderzoek van de persoonlijkheid en van de wijze van aanpassing aan het sociaal milieu.   Onderzoek van de psycho-motorische vermogens en de compensatiemechanismen.   <Opgeheven door KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   ----------   (1)<KB 2010-09-10/01, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 15-09-2010>   (2)<KB 2011-03-02/01, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 08-03-2011>   (3)<KB 2011-04-28/01, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   (4)<KB 2011-04-28/01, art. 71, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   (5)<KB 2016-07-21/19, art. 4, 048; Inwerkingtreding : 20-08-2016>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  5. Art. N7 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N7.Bijlage 7. <KB 2002-09-05/35, art. 27, 005; Inwerkingtreding : 01-09-2002>   I. [7 GEHARMONISEERDE CODES VAN DE EUROPESE UNIE BESTUURDER (medische redenen)    01. Correctie en/of bescherming van het gezichtsvermogen    01.01. Bril    01.02. Contactlenzen    01.05. Ooglap    01.06. Bril of contactlenzen    01.07. Specifiek gezichtshulpmiddel    02. Gehoorprothese/hulp communicatie    03. Prothese/orthese van de ledematen    03.01. Prothese/orthese arm    03.02. Prothese/orthese been    AANPASSINGEN VOERTUIG    10. Aangepaste versnellingsbak    10.02. Automatische keuze van de versnelling    10.04. Aangepaste bediening van de versnellingsbak    15. Aangepaste koppeling    15.01. Aangepast koppelingspedaal    15.02. Handmatig bediende koppeling    15.03. Automatische koppeling    15.04. Maatregel om blokkering of activering van het koppelingspedaal te voorkomen    20. Aangepaste remsystemen    20.01. Aangepast rempedaal    20.03. Rempedaal geschikt voor bediening met linkervoet    20.04. Schuifrempedaal    20.05. Kantelbaar rempedaal    20.06. Handbediende rem    20.07. Remmen met een maximale bedieningskracht van ... N(*) [bijvoorbeeld : "20.07(300N)"]    20.09. Aangepaste parkeerrem    20.12. Maatregel om blokkering of activering van het rempedaal te voorkomen    20.13. Knierem    20.14. Rembediening ondersteund door externe kracht    25. Aangepast acceleratiesysteem    25.01. Aangepast gaspedaal    25.03. Kantelbaar gaspedaal    25.04. Handmatig gas geven    25.05. Gas geven met knie    25.06. Gas geven ondersteund door externe kracht    25.08. Gaspedaal aan linkerkant    25.09. Maatregel om blokkering of activering van gaspedaal te voorkomen    31. Aangepaste pedalen en pedaalbescherming    31.01. Extra parallelpedalen    31.02. Pedalen op (nagenoeg) gelijke hoogte    31.03. Maatregel om blokkering of bediening van gas- en rempedalen te voorkomen als de pedalen niet met de voet worden bediend    31.04. Vloerverhoging    32. Gecombineerde bedrijfsrem- en acceleratiesystemen    32.01. Gecombineerd, met één hand bediend bedrijfsrem- en acceleratiesysteem    32.02. Gecombineerd, met externe kracht bediend bedrijfsrem- en acceleratiesysteem    33. Gecombineerde bedrijfsrem-, acceleratie- en besturingssystemen    33.01. Gecombineerd acceleratie-, bedrijfsrem- en besturingssysteem bediend door externe kracht met één hand    33.02. Gecombineerd acceleratie-, bedrijfsrem- en besturingssysteem bediend door externe kracht met twee handen    35. Aangepaste bedieningsorganen (verlichting, ruitenwisser, ruitensproeier, claxon, richtingaanwijzers enz.)    35.02. Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur los te laten    35.03. Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur met de linkerhand los te laten    35.04. Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur met de rechterhand los te laten    35.05. Bedieningsorganen bedienbaar zonder het stuur en de acceleratie- en remmechanismen los te laten    40. Aangepaste stuurinrichting    40.01. Stuurinrichting met een maximale bedieningskracht van ... N(*) [bijvoorbeeld "40.01(140N)"]    40.05. Aangepast stuurwiel (groter en/of dikker stuurwiel, kleinere diameter stuurwiel enz.)    40.06. Aangepaste stand van het stuurwiel    40.09. Voetbediend stuur    40.11. Hulpmiddel op stuurwiel    40.14. Aangepaste alternatieve stuurinrichting voor bediening met één hand/arm    40.15. Aangepaste alternatieve stuurinrichting voor bediening met twee handen/armen    42. Aangepaste hulpmiddelen voor zicht naar achteren/opzij    42.01. Aangepast hulpmiddel voor zicht naar achteren    42.03. Extra hulpmiddel in het voertuig voor zijdelings zicht    42.05. Hulpmiddel tegen dode hoek    43. Bestuurdersstoel    43.01. Bestuurdersstoel op normale kijkhoogte en op normale afstand van het stuurwiel en de pedalen    43.02. Bestuurdersstoel aangepast aan lichaamsvorm    43.03. Bestuurdersstoel met zijsteun voor goede stabiliteit    43.04. Bestuurdersstoel met armleuning    43.06. Aangepaste veiligheidsgordel    43.07. Veiligheidsgordel met steun voor goede stabiliteit    44. Aanpassingen van het motorrijwiel (vermelding subcode verplicht)    44.01. Eén remelement voor alle remhandelingen    44.02. Aangepaste voorrem    44.03. Aangepaste achterrrem    44.04. Aangepaste gashendel    44.08. Zithoogte waarbij de bestuurder in zittende positie beide voeten tegelijk op de grond kan plaatsen en het motorrijwiel in evenwicht kan houden tijdens stoppen en stilstaan    44.09. Maximale bedieningskracht van de voorrem ... N(*) [bijvoorbeeld "44.09(140N)"]    44.10. Maximale bedieningskracht van de achterrem ... N(*) [bijvoorbeeld "44.10(240N)"]    44.11. Aangepaste voetsteun    44.12. Aangepaste handgreep    45. Motorrijwiel uitsluitend met zijspan    46. Alleen driewielers    47. Alleen voertuigen met meer dan twee wielen die tijdens het starten, stoppen en stilstaan niet door de bestuurder in evenwicht moeten worden gehouden    50. Alleen het voertuig met chassisnummer (voertuigidentificatienummer, VIN)    Letters gebruikt in combinatie met codes 01 tot en met 44 voor nadere specificatie :    a links    b rechts    c hand    d voet    e midden    f arm    g duim    (*) In de codes 20.07, 40.01, 44.09 en 44.10, betekent " kracht " de kracht waarmee de bestuurder het systeem kan bedienen    CODES VOOR BEPERKT GEBRUIK    61. Alleen rijden bij daglicht (bijvoorbeeld : één uur na zonsopgang tot één uur voor zonsondergang)    62. Alleen rijden binnen een straal van ... km vanaf de woonplaats van de rijbewijshouder of alleen binnen de stad/regio    63. Alleen rijden zonder passagiers    64. Rijden met maximale snelheid van ... km per uur    65. Rijden alleen toegestaan in gezelschap van een andere houder van een rijbewijs van op zijn minst dezelfde categorie    66. Rijden zonder aanhangwagen    67. Rijden op snelweg niet toegestaan    68. Alcohol niet toegestaan    69. Alleen rijden met voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot overeenkomstig EN 50436. De opgave van een einddatum is facultatief [bijvoorbeeld "69" of "69 (01.01.2016)"]    ADMINISTRATIEVE VERMELDINGEN    70. Ingewisseld voor rijbewijs nr. ... afgegeven door ... (voor een derde land : EU/VN-symbool, bijvoorbeeld "70.0123456789.NL")    71. Duplicaat van rijbewijs nr. ... (voor een derde land : EU/VN-symbool, bijvoorbeeld "71.987654321.HR")    73. Alleen vierwielige motorvoertuigen van categorie B (B1)    78. Alleen voertuigen met automatische schakeling    79. [...] Alleen voertuigen conform de specificaties tussen haken, in het kader van de toepassing van artikel 13 van de richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs.    79.01. Alleen tweewielige voertuigen met of zonder zijspan    79.02. Alleen driewielige of lichte vierwielige voertuigen van de categorie AM    79.03. Alleen driewielers    79.04. Alleen driewielers met een aanhangwagen met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 750 kg    79.05. Motorrijwielen van categorie A1 met een verhouding vermogen/gewicht van meer dan 0,1 kW/kg    79.06. Voertuigen van categorie BE met een aanhangwagen waarvan de maximaal toegestane massa groter is dan 3 500 kg    80. Alleen voor houders van een rijbewijs voor driewielige motorrijwielen van categorie A die jonger zijn dan 24 jaar    81. Alleen voor houders van een rijbewijs voor tweewielige motorrijwielen van categorie A die jonger zijn dan 21 jaar    95. Bestuurder, houder van het getuigschrift van vakbekwaamheid, die voldoet aan de vakbekwaamheidsvereisten van richtlijn 2003/59/EG tot ... [bijvoorbeeld "95(01.01.12)"]    96. Voertuigen van categorie B met een aanhangwagen met een toegestane maximale massa van [8 meer dan 750 kg"]8, waarbij de toegestane maximale massa van het samenstel hoger ligt dan 3 500 kg, maar ten hoogste 4 250 kg bedraagt    97. Geen toestemming voor het besturen van een voertuig van categorie C1 dat onder verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer valt]7   II. Nationale codes   [1 ...]1   110 met stimulator in werking   111 met uitgeschakelde stimulator   [7 ...]7   113 met uitsluiting van besturen van prioritaire voertuigen   ([1 ...]1   (121 : beperkt tot vervoer binnen het Rijk en desgevallend geregeld vervoer binnen het Rijk waarvan het traject ten hoogste 50 km bedraagt, overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën [4 C, C1, C+E, C1+E, D, D1, D+E, D1+E]4) <KB 2007-05-04/35, art. 70, 2°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2008>   200 : niet geldig van vrijdag om 20 uur tot zondag 20 uur en van 20 uur op de vooravond van een feestdag tot 20 uur op die feestdag) <W 2006-04-24/31, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 28-04-2006>   (205 : alleen voertuigen van categorie G met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 20 000 kg tot 18 jaar.) <KB 2006-09-01/33, art. 28, 015; Inwerkingtreding : 15-09-2006>   [3 372. mag voertuigen van categorie A1 besturen]3   [4 373. mag driewielers van categorie A besturen.]4   ----------   (1)<KB 2010-11-26/04, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 01-10-2010>   (2)<KB 2011-04-28/01, art. 72, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013, zichzelf opgeheven bij KB 2012-07-03/05, art. 6>>   (3)<KB 2012-07-03/05, art. 4, 036; Inwerkingtreding : 19-01-2013>   (4)<KB 2013-01-08/01, art. 7, 038; Inwerkingtreding : 01-05-2013>   (5)<KB 2013-11-15/04, art. 17, 043; Inwerkingtreding : 07-12-2013>   (6)<KB 2014-01-29/13, art. 23, 046; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (7)<KB 2016-12-14/10, art. 4, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2017>   (8)<KB 2017-11-19/04, art. 14, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  6. Art. N8 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N8. Machtiging tot sturen. (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13583)

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  7. Art. N9 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N9. Rijbewijs Buitenzijde - Binnenzijde. (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13586-13587)

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  8. Art. N10 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N10. Rijbewijs Buitenzijde - Binnenzijde. (Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13593-13594)

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  9. Art. N11 · Federaal

    Opheffingsvermelding

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N11.   <Opgeheven bij KB 2011-04-28/01, art. 73, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  10. Art. N12 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N12. Bijlage 12. Rijgetuigschrift voor landbouwtractor. <Ingevoegd bij KB 2002-09-05/35, art. 28, Inwerkingtreding : 01-09-2002; model niet opgenomen om technische redenen, zie B.S. 25-09-2002, p. 43342>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  11. Art. N13 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N13. Bijlage 13. - Technische uitrusting <Ingevoegd bij KB 2006-03-08/33, art. 7; Inwerkingtreding : 31-03-2006>   Elke vestiging waar onderzoeken plaatsvinden is gelegen op hoogstens 15 minuten wandelafstand van een halte van geregeld openbaar vervoer.   De vestiging omvat minstens een onthaalruimte, een gedeelte voor het administratief beheer, een lokaal waar de onderzoeken plaats- vinden en een sanitaire inrichting.   De vestiging kan niet in een woonruimte worden ingericht.   De lokalen zijn proper en hygiënisch.   De onthaalruimte, de sanitaire inrichting en de lokalen waar de medische en psychologische onderzoeken plaatsvinden zijn zodanig van elkaar gescheiden en het administratief beheer wordt zodanig georganiseerd dat de privacy van de vervallenverklaarde gewaarborgd wordt. Het lokaal voor de medische enerzijds en de psychologische onderzoeken anderzijds hoeven zich niet noodzakelijk in hetzelfde gebouw te bevinden.   In geval de instelling psychologische proeven met de computer organiseert, mogen deze proeven plaatsvinden in een computerlokaal dat plaats biedt aan meerdere personen. Het invullen van de vragenlijsten mag eveneens gebeuren in een lokaal dat plaats biedt aan meerdere personen.   Voor kandidaten die niet in staat zijn de proeven op computer af te leggen moeten er " pen & papier "-versies voorzien zijn.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  12. Art. N14 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N14. Bijlage 14. - Inhoud en methode <Ingevoegd bij KB 2006-03-08/33, art. 7; Inwerkingtreding : 31-03-2006>   A. Inhoud en methode van de psychologische onderzoeken   In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen moeten de onderzoeken antwoorden verschaffen op minstens volgende vragen :   1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.   2. Zijn er aanwijzingen van misbruik of afhankelijkheid van deze middelen.   3. Wat is de aard en ernst van de problematiek (o.a. hoeveelheid en frequentie van het gebruik; weerslag op de verschillende levensdomeinen).   4. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op politoxicomanie.   5. Zijn er aanwijzingen van een voldoende stabiele en langdurige onthouding indien er vroeger sprake was van misbruik van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen, hierna middelenmisbruik genoemd.   6. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische co-morbiditeit, persoonlijkheidsstoornissen, of aanpassingsproblemen gerelateerd aan het middelenmisbruik, die een risico vormen voor het veilig besturen van een voertuig.   7. Heeft de persoon inzicht in de problematiek, en neemt hij verantwoordelijkheid voor het gestelde gedrag.   8. Is er een motivatie om de attitudes en gedrag te veranderen of bij te sturen.   9. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op recidive.   In geval van een overtreding inzake onaangepast rijgedrag moeten de onderzoeken antwoorden verschaffen op minstens volgende vragen :   1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.   2. Is er een indicatie van psychiatrische aandoeningen, persoonlijkheidsstoornissen, of gedragsproblemen die een risico vormen voor het veilig besturen van een voertuig.   3. Wat is de aard en ernst van de problematiek.   4. Zijn er aanwijzingen van een middelenmisbruik.   5. Worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op recidive.   6. In geval van een middelenproblematiek, worden er bij de cliënt aspecten gevonden die wijzen op polytoxicomanie.   7. Zijn er aanwijzingen van een voldoende stabiele en langdurige onthouding indien er vroeger sprake was van middelenmisbruik.   8. Heeft de persoon inzicht in de problematiek, en neemt hij verantwoordelijkheid voor het gestelde gedrag.   9. Is er een motivatie om de attitudes en gedrag te veranderen of bij te sturen.   In geval van een verval op medische gronden :   1. Is de toestand van de persoon conform aan de normen aangeduid in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.   2. Is er sprake van belangrijke afwijkingen in gedragingen, stoornissen in het oordeels-, aanpassings- of perceptievermogen, coördinatiestoornis ten gevolge van een aangeboren of verworven stoornis of ten gevolge van een verouderingsproces.   De informatie wordt verzameld door middel van de volgende instrumenten :   1. Vragenlijst of zelfbeoordelingsschaal naar middelenmisbruik en gebruik legale medicatie;   2. Persoonlijkheidsvragenlijsten;   3. Psychologische testbatterij voor onderzoek van volgende functies :   i. aandacht & concentratie;   ii. geheugen;   iii. snelheid van verwerking van informatie;   iv. executieve functies zoals plannen en organiseren van gedrag, probleemoplossend vermogen en werkgeheugen;   4. Semi-gestructureerd interview dat peilt naar de volgende mogelijke probleemgebieden :   i. Medisch;   ii. Professioneel;   iii. Middelenmisbruik;   iv. Juridisch;   v. Familiaal;   vi. Sociaal;   vii. Psychologisch.   Minstens de volgende risicofactoren worden onderzocht met gevalideerde psychometrische instrumenten :   - Impulsiviteit;   - Lage frustratietolerantie;   - Gebrekkige woedebeheersing;   - Gebrekkige copingstrategieën;   - Sensation-seeking gedrag;   - Antisociale kenmerken;   - Negatieve omgevingsfactoren zoals slechte huisvesting, weinig scholing, slecht betaalde job, negatieve familiegeschiedenis...;   - Beperkt en weinig ondersteunend sociaal netwerk;   - Voorgeschiedenis van inbreuken of geweld;   - Beperkte sociale en intellectuele vaardigheden;   Indicatie van psychiatrische aandoeningen (inclusief middelenmisbruik) of persoonlijkheidsstoornissen.   De aangewende onderzoeksinstrumenten beschikken over aangetoonde psychometrische kwaliteiten zoals validiteit, betrouwbaarheid, sensitiviteit en specificiteit.   De psycholoog neemt de beslissing met betrekking tot de psychologische geschiktheid : geschikt, geschikt onder bepaalde voorwaarden of ongeschikt. Indien de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan wordt de eindbeslissing door de arts genomen overeenkomstig punt C van deze bijlage.   B. Inhoud en methode van de medische onderzoeken   Het medisch onderzoek bestaat uit minstens de volgende elementen :   1. Grondige medische anamnese met aandacht voor gebruik van alcohol, psychotrope stoffen of medicijnen, comorbiditeit en polydruggebruik;   2. Kennisname van relevante medische informatie van de kandidaat betreffende aandoeningen zoals beschreven in bijlage 6 van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;   3. Uitvoeren van een grondig geneeskundig onderzoek waarbij alle middelen die de geneeskunde biedt, aangewend kunnen worden;   4. Verwijzing naar gespecialiseerde artsen of medische diensten, zo vereist, conform bijlage 6 voor het ontvangen van het bewuste medische advies per type van aandoening;   5. In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol of psychotrope stoffen :   a. Nagaan van de indicatoren voor misbruik of afhankelijkheid van alcohol en/of psychotrope middelen;   b. Screening naar misbruik of afhankelijkheid van alcohol en/of psychotrope middelen. In geval van een overtreding inzake rijden onder invloed van alcohol.   De arts neemt de eindbeslissing met betrekking tot de medische geschiktheid : geschikt, geschikt onder bepaalde voorwaarden, ongeschikt.   Indien de arts dit noodzakelijk acht wordt de medische geschiktheid afhankelijk gesteld van het ondergaan van een bloedanalyse in geval van alcoholovertreding en een haaranalyse in geval van een overtreding inzake psychotrope middelen.   C. Medische en psychologische onderzoeken   Indien de betrokkene zowel een medisch als een psychologisch onderzoek dient te ondergaan nemen de arts en de psycholoog pas een beslissing nadat ze kennis hebben genomen van elkaars bevindingen.   De arts is verantwoordelijk voor de eindbeslissing. Hij baseert zich hiervoor zowel op zijn beslissing als op die van de psycholoog.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  13. Art. N15 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N15. BIJLAGE 15. - RIJBEWIJS - BUITENZIJDE. FORMAAT ONTVOUWD DOCUMENT : 106/222 MM - ROZE - ZWARTE DRUK. <Ingevoegd bij KB 2006-09-01/33, art. 29; Inwerkingtreding : 15-09-2006>   (Beeld niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 06-09-2006, p. 45280-45281).

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  14. Art. N16 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N16. BIJLAGE 16. - RIJBEWIJS - BUITENZIJDE EN BINNENZIJDE. FORMAAT ONTVOUWD DOCUMENT : 106/222 mm - ROZE - ZWARTE DRUK   <Ingevoegd bij KB 2007-08-24/31, art. 14, 020; Inwerkingtreding : 01-09-2007>   (Beeld niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 31-08-2007, p. 45439-45440).

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  15. Art. N17 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N17.[1 (oude bijlage 1)]1 (Rijbewijs buitenzijde - binnenzijde.   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13525-13526)   Gewijzigd door :   <KB 2006-09-01/33, art. 24, Inwerkingtreding : 15-09-2006; B.St. 06-09-2006, p. 45268-45269>   <KB 2007-08-24/31, art. 13, Inwerkingtreding : 01-09-2007; M.B. 31-08-2007, p. 45433-45434>   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2011-04-28/01, art. 64, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  16. Art. N18 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N18.[2 Oude bijlage 1/1.]2 [1 Bijlage 18. - Voorschriften betreffende het kaartmodel van het rijbewijs    1. De fysieke kenmerken van de kaart van het rijbewijs van Europees model zijn in overeenstemming met de ISOnormen 7810 en 7816-1.    De kaart is gemaakt van polycarbonaat.    De methodes voor toetsing van de kenmerken van de rijbewijzen aan de internationale normen zijn in overeenstemming met ISO-norm 10373.    2. Fysieke beveiliging van rijbewijzen    Het voor rijbewijzen gebruikte materiaal wordt door middel van de volgende technieken tegen vervalsing beveiligd :    -de bestanddelen van de kaart zijn optisch dood;    - beveiligingsondergrond in de vorm van een patroon dat zodanig is ontworpen dat het niet kan worden vervalst door scannen, drukken of kopiëren, door middel van irisdruk met meerkleurige veiligheidsinkt en positieve en negatieve guillochedruk. Het patroon bestaat niet uit de primaire kleuren (cyaan/magenta/geel/zwart) en bevat zowel complexe patroonvormen in ten minste twee speciale kleuren als micro-opschriften;    - optisch variabele elementen die adequate bescherming bieden tegen kopiëren of vervalsen van de foto;    - lasergravure;    - in de zone voor de foto moeten het patroon van de beveiligingsondergrond en de foto zelf ten minste aan de zijkant van de foto samenvallen (verflauwend patroon);    - inkt met kleuromslag;    - aangepaste hologrammen;    - variabele laserbeelden;    - ultraviolette fluorescerende inkt, zichtbaar en transparant;    - iriserende druk;    - digitaal watermerk op de ondergrond;    - infrarode of fosforescerende pigmenten;    - voelbare karakters, symbolen of patronen.    3. Het rijbewijs heeft twee zijden :    Bladzijde 1 bevat :    a) de vermelding " rijbewijs ", in hoofdletters, in de drie landstalen;    b) de vermelding " België " in de drie landstalen;    c) het onderscheidingsteken " B " van België, negatief afgedrukt in een blauwe rechthoek en omringd door twaalf gele sterren;    d) de gegevens die specifiek zijn voor het afgegeven rijbewijs, met de volgende nummers :    1. de naam van de houder;    2. de voornaam van de houder;    3. geboortedatum en -plaats van de houder;    4. a.de datum van afgifte van het rijbewijs;    b.de datum waarop de administratieve geldigheidsduur van het rijbewijs afloopt;    c.de naam van de bevoegde instantie die het rijbewijs afgeeft;    5. nummer van het rijbewijs;    6. de foto van de houder;    7. de handtekening van de houder;    9. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen (de nationale categorieën worden in een ander lettertype gedrukt dan de geharmoniseerde categorieën);    e) de vermelding " Model van de Europese Gemeenschappen " en de vermelding " rijbewijs " in de overige talen van de Gemeenschap, gedrukt in roze letters en op een zodanige wijze dat deze de achtergrond van het rijbewijs vormen :    (Tekst niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-07-2010, p. 43844)    f) referentiekleuren :    - blauw : Reflex blauw Pantone;    - geel : Pantone Geel.    Bladzijde 2 bevat :    a) 9. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen (de nationale categorieën worden in een ander lettertype gedrukt dan de geharmoniseerde categorieën);    10. de datum van eerste afgifte per categorie (deze datum moet bij iedere latere vervanging of inwisseling op het nieuwe rijbewijs worden vermeld);    11. de datum waarop de geldigheidsduur afloopt voor elke categorie;    12. de eventuele aanvullende of beperkende gegevens in code, overeenkomstig bijlage 7, naast elke desbetreffende categorie.    Wanneer een code geldt voor alle categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven, kan hij worden afgedrukt onder de rubrieken 9, 10 en 11;    b) een toelichting bij de genummerde rubrieken op de bladzijden 1 en 2 van het rijbewijs (ten minste voor de rubrieken 1, 2, 3, 4a, 4b, 4c, 5, 10, 11 en 12).    (Model niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 01-07-2010, p. 43845)]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2010-06-23/03, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2010>   (2)<Ingevoegd bij KB 2011-04-28/01, art. 66, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  17. Art. N19 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. N19. [1 Bijlage 19.    A. Kennis en begrip van besturen en examineren :    Theorie van het rijgedrag van de bestuurder;    Risico-inschatting en ongevalvermijding;    Het handboek van rijexamennormen;    De eisen van het rijexamen;    Het toepasselijke wegen- en verkeersreglement, inclusief de toepasselijke Europese en nationale wetgeving en de richtsnoeren voor de uitlegging daarvan;    Examineringstheorie en -technieken;    Defensief rijden.    B. Examineringsvaardigheden :    Accuraat kunnen observeren, monitoren en beoordelen van de algemene prestaties van de kandidaat, met name :    a) Correcte en volledige inschatting van gevaarlijke situaties;    b) Accurate vaststelling van de oorzaak en de waarschijnlijke gevolgen van dergelijke situaties;    c) Vorderingen en fouten opmerken;    d) Uniformiteit en consistentie bij het examineren;    Snel informatie verwerken en hoofdpunten bepalen;    Anticiperen, mogelijke problemen opmerken en strategieën uitwerken om deze aan te pakken;    Tijdig opbouwend commentaar geven.    C. Persoonlijke rijvaardigheid :    Een persoon die bevoegd is tot het afnemen van een praktisch rijexamen voor een bepaalde rijbewijscategorie, moet zelf in staat zijn dat type motorvoertuig te besturen naar consistent strenge normen.    D. Kwaliteit van de dienstverlening :    Er moet worden bepaald en meegedeeld wat de kandidaat kan verwachten tijdens het examen;    Er moet duidelijk worden gecommuniceerd en de inhoud, de vorm en de taal moeten zijn afgestemd op de toehoorders en de context, en de kandidaten moeten antwoord krijgen op hun vragen;    De uitslag van het examen moet duidelijk worden toegelicht;    Alle kandidaten worden met respect en gelijk behandeld.    E. Kennis van voertuigtechniek en fysica :    Kennis van voertuigtechniek, zoals besturing, banden, remmen, lichten, met name voor motorrijwielen en zware voertuigen;    Veilig beladen;    Kennis van de fysische aspecten van het voertuig, zoals snelheid, wrijving, dynamica, energie.    F. Een zuinige en milieuvriendelijke rijstijl.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2011-04-28/01, art. 74, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  18. Art. 1N20 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 1N20.(vroeger Art. 1N2, hernummerd bij KB 2013-04-03/13, art. 11, 041; Inwerkingtreding : 01-10-2013)   [1 Voorlopig rijbewijs Model 3    (Model niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 04-05-2011, p. 26363)]1   ----------   (1)<KB 2011-04-28/01, art. 68, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2013>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  19. Art. 2N20 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 2N20.(vroeger Art. 2N2, hernummerd bij KB 2013-04-03/13, art. 11, 041; Inwerkingtreding : 01-10-2013)   Voorlopig rijbewijs model 2. (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13533)   Opgeheven bij :   <MB 2006-07-10/30, art. 41, Inwerkingtreding : 01-09-2006; B.St. 14-07-2006, p. 35343>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗
  20. Art. 3N20 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1998032331 / TITEL VII. - Opheffingsbepalingen, overgangsbepalingen en inwerkingtreding / BIJLAGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3N20.(vroeger Art. 3N2, hernummerd bij KB 2013-04-03/13, art. 11, 041; Inwerkingtreding : 01-10-2013)   Voorlopig rijbewijs model 3. (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-1998, p. 13534)

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Dit is een bijlage of model in de officiële bron.

    Open officiële bron ↗