Justel 2013062404 / TITEL II. - De administratieve sancties / HOOFDSTUK 3. - Administratieve procedure / Afdeling 1. - Vaststellingen
Lees de volledige brontekst
Art. 21.§ 1. De inbreuken die uitsluitend het voorwerp kunnen uitmaken van administratieve sancties kunnen eveneens worden vastgesteld door de volgende personen :
1° de gemeenteambtenaren die voldoen aan de door de Koning vastgelegde minimumvoorwaarden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad inzake de selectie, aanwerving, opleiding en bevoegdheid, en die daartoe door de gemeenteraad worden aangewezen. In geval van een meergemeentepolitiezone, kunnen deze gemeenteambtenaren-vaststellers vaststellingen verrichten op het grondgebied van alle gemeenten die deel uitmaken van deze politiezone, en desgevallend, van de gemeenten van een of meer andere zones, op voorwaarde dat er een voorafgaande overeenkomst daartoe werd gesloten tussen de betrokken gemeenten van de politiezone van oorsprong van de ambtenaar en, in voorkomend geval, de gemeente die tot een andere politiezone behoort;
2° de provinciale of gewestelijke ambtenaren, de personeelsleden van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en autonome gemeentebedrijven [3 ...]3. [3 De gemeenteraad wijst de betrokken overheid of entiteit aan waarvan de personeelsleden bevoegd zijn voor de vaststelling van de inbreuken die uitsluitend het voorwerp kunnen uitmaken van een administratieve sanctie. De betrokken overheid of entiteit duidt de personeelsleden aan die belast worden met een vaststellingsopdracht en houdt de namen en de rijksregisternummers van deze personen bij. De overheid of entiteit zorgt ervoor dat een gemeente kan nagaan of een personeelslid van de overheid of de entiteit wel degelijk beschikt over een vaststellingsbevoegdheid op het grondgebied van de gemeente. Jaarlijks deelt de betrokken overheid of entiteit aan de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken mee hoeveel ambtenaren of personeelsleden belast werden met een vaststellingsbevoegdheid]3;
3° de personeelsleden van de openbare vervoersmaatschappijen die behoren tot één van de door de Koning bepaalde categorieën, binnen het raam van hun bevoegdheden.
Voor de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden, somt de gemeenteraad in het aanstellingsbesluit limitatief op de artikelen uit de gemeentelijke politiereglementen waarvoor deze personen de bevoegdheid hebben om inbreuken vast te stellen.
De gemeenteraad kan alleen die artikelen opsommen die in rechtstreeks verband staan met de bevoegdheden van de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden die voortvloeien uit de regelgeving die op hen van toepassing is. De betrokken overheid of entiteit gaat akkoord met deze bijkomende bevoegdheid.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden moeten voldoen aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde minimumvoorwaarden inzake selectie, aanwerving en opleiding.
[3 Op voorwaarde dat voorafgaandelijk een machtiging werd verkregen van de minister bevoegd voor Binnenlandse zaken, hebben de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde personen in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden toegang tot de volgende persoonsgegevens van de overtreder uit het Rijksregister:
1° de identificatiegegevens, meer bepaald de naam, voornamen en geboortedatum van de persoon;
2° de hoofdverblijfplaats;
3° het rijksregisternummer;
4° desgevallend de datum van overlijden.
De persoonsgegevens worden bewaard gedurende een periode die maximaal gelijk is aan de bewaartermijn van de gegevens in het register overeenkomstig artikel 44.]3
§ 2. De personeelsleden van de bewakingsondernemingen, die daartoe door de gemeenteraad werden aangewezen, kunnen uitsluitend bij de ambtenaar bedoeld in artikel 20 melding maken van inbreuken die enkel bestraft kunnen worden met een administratieve sanctie, en dit enkel in het kader van de activiteiten, bedoeld in [3 artikel 3, 10°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid]3.
§ 3. In geval van vaststellingen van inbreuken die kunnen leiden tot een administratieve sanctie, waarvan ze rechtstreeks getuige zijn en binnen het strikte kader van de hun toegekende bevoegdheden, kunnen de personen bedoeld in § 1, de voorlegging vragen van een identiteitsbewijs om de juiste identiteit van de overtreder te bepalen. Zij geven het identiteitsbewijs nadien onmiddellijk terug aan de betrokkene.
§ 4. [1 De in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken kunnen alleen worden vastgesteld door de volgende personen :
1° de in artikel 20 bedoelde personen;
2° de in artikel 21, § 1, 1°, bedoelde gemeenteambtenaren;
3° de personeelsleden van de autonome gemeentebedrijven wier activiteiten beperkt zijn tot het vaststellen van de gedepenaliseerde parkeerovertredingen, alsook tot de in artikel 3, 3°, bedoelde inbreuken, en die in het kader van hun bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad zijn aangesteld;
4° de personeelsleden van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap als bedoeld in artikel 25 van de ordonnantie van 22 januari 2009 houdende de organisatie van het parkeerbeleid en de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap, en die in het kader van hun bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad zijn aangesteld.]1
[2 De in het eerste lid, 4°, bedoelde personeelsleden moeten voldoen aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde minimumvoorwaarden inzake selectie, aanwerving en opleiding.]2
[3 Wanneer de vaststelling gebeurt door de in artikel 20 bedoelde personen, worden de in artikel 3, 3°, vermelde inbreuken vastgesteld in een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel. Dit tegenbewijs kan met alle middelen van recht geleverd worden. Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen vanaf de datum van de vaststelling van de inbreuk, bij gebreke waaraan het betreffende proces-verbaal enkel geldt als loutere inlichting.]3
[3 § 5. De in § 1, 1° en 2°, en § 4, 2° tot 4°, bedoelde personen hebben in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden toegang tot de hiervoor ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen op voorwaarde dat voorafgaandelijk een machtiging werd verkregen zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.
De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Union des Villes et Communes de Wallonie en Brulocalis kunnen voor hun leden een algemene machtiging vragen tot toegang tot de ter zake dienende gegevens van de Kruispuntbank van de voertuigen overeenkomstig artikel 18 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen.]3
----------
(1)<W 2013-12-21/22, art. 133, 002; Inwerkingtreding : 10-01-2014>
(2)<W 2015-11-09/19, art. 46, 004; Inwerkingtreding : 10-12-2015>
(3)<W 2023-12-11/14, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 08-01-2024>