Gratis brononderzoek

Externe rechtspositie en strafuitvoering

Strafuitvoeringsmodaliteiten en rechten van veroordeelden en slachtoffers.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-04 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-08-05

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

199 bronvarianten

  1. Art. 1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL I. - Algemene bepaling.

    Lees de volledige brontekst
    Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL II. - Definities.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 2.Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :   1° de minister : de Minister van Justitie;   2° de veroordeelde : een natuurlijke persoon die veroordeeld is tot een vrijheidsstraf krachtens een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan;   3° [2 de directeur : de ambtenaar bedoeld in artikel 2 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.]2   4° de strafuitvoeringsrechter : de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank;   5° het openbaar ministerie : het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;   6° het slachtoffer : de volgende categorieën van personen die bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geïnformeerd en/of te worden gehoord in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels :   a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;   b) [1 de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;]1   c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;   [1 d) de nabestaande van de persoon van wie het overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld; onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk waren;]1   [1 e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen; onder naaste wordt verstaan : de echtgenoot van het niet-overleden slachtoffer, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk zijn.]1   [1 Ten aanzien van de personen die onder de categorieën c), d) en e) vallen, oordeelt de strafuitvoeringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van titel III, of ze een direct en legitiem belang hebben;]1;   7° staat van herhaling : de herhaling zoals gedefinieerd door het Strafwetboek en door bijzondere strafwetten en die is vastgesteld in het vonnis of arrest van veroordeling door de uitdrukkelijke verwijzing naar de veroordeling die aan de herhaling ten grondslag ligt;   8° [3 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen: de diensten van de Gemeenschappen bevoegd voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, voor de opvolging en de begeleiding van veroordeelde personen evenals voor de bijstand aan slachtoffers.]3   ----------   (1)<W 2013-12-15/05, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (2)<W 2017-02-20/05, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 12-03-2017>   (3)<W 2021-11-28/01, art. 64, 033; Inwerkingtreding : 10-12-2021>
    Open officiële bron ↗
  3. Art. 3 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL III. - Bepalingen inzake het slachtoffer.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3.§ 1. [3 De in artikel 2, 6°, c), d) en e), bedoelde personen]3 die in de door de wet bepaalde gevallen wensen te worden geïnformeerd of gehoord bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, richten een schriftelijk verzoek aan de strafuitvoeringsrechter.   [2 Dit schriftelijk verzoek wordt neergelegd bij de [4 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]4, het openbaar ministerie of een strafuitvoeringsrechtbank. Zij zenden het schriftelijk verzoek op hun beurt onverwijld over aan de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank. Indien nog geen bevoegde strafuitvoeringsrechtbank bekend is, zenden zij het schriftelijk verzoek over aan de strafuitvoeringsrechtbank van het rechtsgebied waar de veroordeelde op dat moment verblijft.]2   De griffie zendt onverwijld een afschrift van het verzoek over aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft een advies binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift.   § 2. De in § 1 bedoelde personen kunnen zich te allen tijde laten vertegenwoordigen of bijstaan door hun raadsman. Zij kunnen zich eveneens laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.   § 3. Indien de strafuitvoeringsrechter dit nuttig acht om te kunnen oordelen over het direct en legitiem belang, kan hij de verzoeker vragen om op een zitting hieromtrent verdere informatie te verstrekken. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoek.   § 4. De strafuitvoeringsrechter oordeelt over het direct en legitiem belang binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. De beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de verzoeker [1 ...]1.   De beslissing wordt eveneens onverwijld meegedeeld aan de minister (en aan het openbaar ministerie). <W 2006-12-27/33, art. 53, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   § 5. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.   ----------   (1)<W 2007-04-21/01, art. 146, 003; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2015, maar opgeheven op 31-12-1984, vóór de inwerkingtreding>   (2)<W 2012-12-14/53, art. 15, 014; Inwerkingtreding : 02-05-2013>   (3)<W 2013-12-15/05, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (4)<W 2021-11-28/01, art. 65, 033; Inwerkingtreding : 10-12-2021>
    Open officiële bron ↗
  4. Art. 3/1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL III. - Bepalingen inzake het slachtoffer.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3/1.[1 De Koning bepaalt voor welke [2 misdrijven]2 die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen het openbaar ministerie bij het gerecht dat het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest heeft uitgesproken, binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, de bevoegde dienst van de Gemeenschappen vat teneinde de gekende slachtoffers, die door haar in de vatting worden aangeduid, te contacteren.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-05/18, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 01-09-2022>   (2)<W 2026-03-30/02, art. 47, 045; Inwerkingtreding : 01-09-2026>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 4 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK I. - De uitgaansvergunning.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 4. § 1. De uitgaansvergunning laat de veroordeelde toe om de gevangenis te verlaten voor een bepaalde duur die niet langer mag zijn dan zestien uren.   § 2. De uitgaansvergunningen kunnen op elk moment van de detentieperiode aan de veroordeelde worden toegekend om :   1° sociale, morele, juridische, familiale, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen;   2° een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de gevangenis te ondergaan.   § 3. Tijdens de twee jaren die de datum voorafgaan waarop de veroordeelde tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten, kunnen aan die veroordeelde uitgaansvergunningen worden toegekend om zijn sociale reïntegratie voor te bereiden. Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.   § 4. De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de toegekende uitgaansvergunning.
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 5 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK I. - De uitgaansvergunning.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 5.De uitgaansvergunning wordt toegekend op voorwaarde dat :   1° de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt bedoeld in artikel 4, §§ 2 en 3;   2° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1;   3° de veroordeelde instemt met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 144, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 6 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 6.§ 1. Het penitentiair verlof laat de veroordeelde toe de gevangenis [1 viermaal]1 zesendertig uren per trimester te verlaten.   § 2. Het penitentiair verlof heeft tot doel :   1° de familiale, affectieve en sociale contacten van de veroordeelde in stand te houden en te bevorderen;   2° de sociale reïntegratie van de veroordeelde voor te bereiden.   § 3. De uitvoering van de vrijheidsstraf straf loopt voort tijdens de duur van het toegekend penitentiair verlof.   ----------   (1)<W 2022-07-30/03, art. 42, 035; Inwerkingtreding : 01-09-2022>
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 7 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 7.Het penitentiair verlof wordt toegekend aan elke veroordeelde die voldoet aan de volgende voorwaarden :   1° de veroordeelde bevindt zich in het jaar dat de datum voorafgaat waarop hij tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten;   2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1;   3° de veroordeelde stemt in met de voorwaarden die aan het penitentiair verlof kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 144, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 8 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 8.Drie maanden voor de veroordeelde zich in de door artikel 7, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt [2 of indien deze termijn niet kan worden gerespecteerd, onmiddellijk]2, licht de directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheden tot toekenning van penitentiaire verloven.   De veroordeelde richt zijn schriftelijk verzoek tot penitentiair verlof aan de directeur.   De directeur kan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.   Binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek, stelt de directeur een met redenen omkleed advies op en zendt hij het verzoek en zijn met redenen omkleed advies over aan de minister of zijn gemachtigde en bezorgt de veroordeelde een afschrift ervan.   ----------   (1)<W 2021-11-28/01, art. 66, 033; Inwerkingtreding : 10-12-2021>   (2)<W 2021-06-29/09, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-09-2022>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 9 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 9. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in artikel 8, vierde lid, bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.   De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.   Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 9/1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK IIbis. [1 - De plaatsing in een transitiehuis.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 9/1. [1 De plaatsing in een transitiehuis is een vorm van detentie waarbij de veroordeelde gedetineerde zijn vrijheidsstraf ondergaat op basis van een plaatsingsplan.    De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de plaatsing in een transitiehuis.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-11/02, art. 69, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 9/2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK IIbis. [1 - De plaatsing in een transitiehuis.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 9/2. [1 § 1. Een transitiehuis is een bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad erkende inrichting waar veroordeelden kunnen geplaatst worden om hun vrijheidsstraf te ondergaan.    § 2. De verantwoordelijke van het transitiehuis heeft toegang tot de gegevens uit het dossier van de veroordeelde die van aard zijn om de opdrachten die verbonden zijn aan de plaatsing te kunnen uitvoeren.    § 3. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:    1° de normen waaraan een inrichting dient te voldoen om als transitiehuis erkend te kunnen worden.    2° de financiële tussenkomst van de Federale Staat voor de kosten die verbonden zijn aan de plaatsing.    De normen bedoeld in het eerste lid, 1°, hebben betrekking op de architectonische, de organisatorische, de personele en de functionele eisen waaraan de inrichting moet voldoen evenals op het huishoudelijk reglement.    § 4. Met oog op de uitvoering van de plaatsingen in een transitiehuis, wordt een overeenkomst gesloten tussen de minister en de verantwoordelijke van het transitiehuis op basis van een door de Koning bepaald model.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-11/02, art. 70, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 9/3 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK IIbis. [1 - De plaatsing in een transitiehuis.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 9/3.[1 § 1. De veroordeelden die voldoen aan de volgende voorwaarden, kunnen worden geplaatst in een transitiehuis:    1° de veroordeelde bevindt zich op achttien maanden na, in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling;    2° de veroordeelde beschikt over de vaardigheid om in een open gemeenschapsregime te verblijven;    3° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet kan tegemoet komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich tijdens de periode van plaatsing in een transitiehuis aan de strafuitvoering zou onttrekken, ernstige strafbare feiten zou plegen of de slachtoffers zou lastig vallen;    4° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het plaatsingsplan zoals bepaald bij paragraaf 2 en met de voorwaarden die aan de plaatsing in het transitiehuis verbonden worden overeenkomstig artikel 11, § 3;    5° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het huishoudelijk reglement zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3.   [2 6° de veroordeelde stemt schriftelijk in met de mogelijkheid tot afname van de in artikel 9/4 bedoelde test.]2    § 2. Het plaatsingsplan beschrijft het programma dat de veroordeelde dient te volgen en geeft minstens de verplichte activiteiten weer waaraan de veroordeelde moet deelnemen met het oog op zijn re-integratie.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-11/02, art. 71, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>   (2)<W 2026-02-08/02, art. 2, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2026>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 9/4 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK IIbis. [1 - De plaatsing in een transitiehuis.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 9/4. [1 Om de veiligheid en de goede werking van het open gemeenschapsregime te verzekeren, kan de verantwoordelijke van het transitiehuis beslissen de veroordeelde gedurende de plaatsing in het transitiehuis te onderwerpen aan de afname van een speeksel- of urinetest teneinde de aanwezigheid van verboden stoffen in het lichaam vast te stellen.    Onder verboden stoffen wordt verstaan: verboden stoffen overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan.    De verantwoordelijke van het transitiehuis kan hiertoe beslissen op basis van individuele aanwijzingen van gebruik van verboden stoffen. Hij kan, eveneens om de veiligheid en de goede werking van het open gemeenschapsregime te verzekeren, beslissen op geregelde tijdstippen een aantal willekeurig geselecteerde veroordeelden te onderwerpen aan de afname van voormelde test.    De door de verantwoordelijke van het transitiehuis daartoe aangewezen personeelsleden kunnen de in het derde lid bedoelde individuele aanwijzingen van het gebruik van verboden stoffen waarvan ze kennis nemen ter gelegenheid van de uitoefening van hun functie, ontvangen en dienen deze mee te delen aan de verantwoordelijke van het transitiehuis. De met redenen omklede beslissingen tot het uitvoeren van een test worden voor de duur van de plaatsing door de verantwoordelijke van het transitiehuis bewaard in het binnen het transitiehuis samengesteld individueel dossier van de veroordeelde.    De test wordt afgenomen door de daartoe door de verantwoordelijke van het transitiehuis aangewezen personeelsleden, die een passende opleiding hebben genoten.    De afname van de in het eerste lid bedoelde test laat geen gebruik van fysieke dwang toe. Indien een veroordeelde weigert aan een test mee te werken, zullen aan die weigering de gevolgen worden verbonden van een positieve test.    Na de afname van de in het eerste lid bedoelde test wordt de veroordeelde schriftelijk in kennis gesteld van het resultaat, alsook van de mogelijkheid om een herhalingsonderzoek te vragen. Dit verzoek kan door de verantwoordelijke van het transitiehuis uitsluitend geweigerd worden wanneer het wetenschappelijk onmogelijk is om nog een geldige test uit te voeren op het betrokken staal.    De verantwoordelijke van het transitiehuis deelt een positief testresultaat onmiddellijk mee aan de directeur die instaat voor het beheer en de opvolging van het detentiedossier van de veroordeelde, die het op zijn beurt meedeelt aan de medische dienst en de psychosociale dienst van de gevangenis, om na te gaan of de veroordeelde nood heeft aan acute medische zorgen en voor de eventuele doorverwijzing naar de hulpverlening met het oog op de opstelling van een multidisciplinair behandelplan.    Na een positief testresultaat volgt automatisch een eenmalige vervolgcontrole.    De Koning stelt de nadere regels vast voor het afnemen van de test bedoeld in het eerste lid. Die regels betreffen in elk geval het herhalingsonderzoek en de vervolgcontrole.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij W 2026-02-08/02, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2026>
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 10 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken [1 I, II en IIbis]1. / Afdeling I. [1 - De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof en de plaatsing in het transitiehuis.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 10.§ 1. De uitgaansvergunning of het penitentiair verlof wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de veroordeelde en na een met redenen omkleed advies van de directeur. Het advies van de directeur bevat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen.   [2 § 1bis. De plaatsing in een transitiehuis wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de directeur, vergezeld van zijn met redenen omkleed advies.]2   § 2. Binnen veertien (werkdagen) na de ontvangst van het dossier neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. <W 2006-12-27/33, art. 54, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het dossier niet in staat is en er bijkomende informatie noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met zeven (werkdagen) worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan de directeur en de veroordeelde. <W 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   [2 De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.]2   Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning [4 van een eerste uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3,]4 van een eerste penitentiair verlof [4 , van de plaatsing in een transitiehuis]4 [3 en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd]3. <W 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   [5 § 2bis. Onder werkdagen bedoeld in paragraaf 2 worden verstaan: alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen, feestdagen bedoeld in artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, de dagen bedoeld in artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen en de dagen die door de minister van Ambtenarenzaken bij omzendbrief voor elk kalenderjaar als brugdagen worden vastgesteld voor het personeel van de diensten van het federaal administratief openbaar ambt, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.]5   § 3. Indien de uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, of het penitentiair verlof wordt geweigerd, kan de veroordeelde een nieuwe aanvraag indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze beslissing. (Deze termijn om een nieuwe aanvraag in te dienen kan worden verkort op gemotiveerd advies van de directeur.) <W 2006-12-27/33, art. 54, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   De beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt met redenen omkleed.   § 4. Bij gebrek aan een beslissing binnen de bepaalde termijn (, en voor zover het advies van de directeur inzake de toekenning gunstig was,) wordt de minister geacht de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen. Aan deze uitgaansvergunning of dit penitentiair verlof worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die de directeur, in voorkomend geval, overeenkomstig § 1, heeft voorgesteld. <W 2006-12-27/33, art. 54, 4°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   ----------   (1)<W 2013-12-15/05, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (2)<W 2018-07-11/02, art. 74, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>   (3)<W 2021-11-28/01, art. 67, 033; Inwerkingtreding : 10-12-2021>   (4)<W 2022-07-30/03, art. 43, 035; Inwerkingtreding : 01-09-2022>   (5)<W 2024-01-18/06, art. 70, 038; Inwerkingtreding : 05-02-2024>
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 11 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken [1 I, II en IIbis]1. / Afdeling I. [1 - De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof en de plaatsing in het transitiehuis.]1

    Lees de volledige brontekst
    Art. 11.§ 1. De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan en, in voorkomend geval, de periodiciteit ervan.   § 2. Behoudens andersluidende beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt de beslissing tot toekenning van penitentiair verlof geacht van rechtswege elk kwartaal te worden hernieuwd.   De directeur beslist, na overleg met de veroordeelde, over de verdeling van het toegestane verlof voor elk trimester.   § 3. [1 De minister of zijn gemachtigde verbindt aan de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Aan de beslissing tot toekenning van een plaatsing in een transitiehuis wordt tevens de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde het huishoudelijk reglement, zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3, en het plaatsingsplan, zoals bepaald bij artikel 9/3, § 2, moet naleven. In voorkomend geval bepaalt de minister of zijn gemachtigde de bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5, 2°, 7, 2° en 9/3, § 1, 3°.    In geval van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis duidt de minister of zijn gemachtigde eveneens de gevangenis aan die tijdens de duur van de plaatsing het detentiedossier van de veroordeelde zal beheren.]1   § 4. Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de minister of zijn gemachtigde ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde, dan wel op voorstel van de directeur of van het openbaar ministerie, de in § 3, bedoelde bijzondere voorwaarden aanpassen.   ----------   (1)<W 2018-07-11/02, art. 75, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 12 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken [1 I, II en IIbis]1. / Afdeling II. - Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorwaarden en voorlopige aanhouding.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 12.§ 1. Indien de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, verleend met een zekere periodiciteit, niet worden nageleefd, [1 of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van de uitgaansvergunning,]1 kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :   1° de voorwaarden aan te passen;   2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van de laatste toegekende uitgaansvergunning;   3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.   § 2. In geval van niet-naleving van de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een penitentiair verlof [1 , of in geval er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van het penitentiair verlof,]1 kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :   1° de voorwaarden aan te passen;   2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van het laatste toegekende verlof;   3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.   [2 § 2bis. [3 Indien de voorwaarden van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis niet worden nageleefd, indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van de beslissing tot plaatsing, of in geval van een positief resultaat van de in artikel 9/4, eerste lid, bedoelde test]3, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om:    1° de voorwaarden aan te passen;    2° de beslissing te herroepen.    De verantwoordelijke van het transitiehuis bezorgt aan de directeur die instaat voor het beheer en de opvolging van het detentiedossier van de veroordeelde, na deze gehoord te hebben, een verslag omtrent de niet-naleving van de voorwaarden of omtrent het ontstaan van een tegenaanwijzing. [3 In voorkomend geval licht de verantwoordelijke van het transitiehuis de directeur in over het positief resultaat van de in artikel 9/4, eerste lid, bedoelde test.]3    De directeur bezorgt het verslag van de verantwoordelijke en desgevallend de opmerkingen van de veroordeelde aan de minister of zijn gemachtigde [3 , en licht hem in voorkomend geval in van het positief resultaat van de in artikel 9/4, eerste lid, bedoelde test.]3    In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid. Ingeval van hoogdringendheid, kan de directeur deze beslissing nemen die onverwijld ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde.]2   [1 § 3. In het geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning verleend met een zekere periodiciteit of van een penitentiair verlof, herroept de minister of zijn gemachtigde de beslissing.]1   [2 In geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de beslissing tot plaatsing in principe herroepen.    De minister of zijn gemachtigde kan niettemin na het advies te hebben ingewonnen bij de directeur en mits specifieke motivatie beslissen om:    1° de voorwaarden aan te passen;    2° de beslissing te handhaven.    In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid.]2   ----------   (1)<W 2016-02-05/11, art. 145, 022; Inwerkingtreding : 29-02-2016>   (2)<W 2018-07-11/02, art. 76, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>   (3)<W 2026-02-08/02, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2026>
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 13 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken [1 I, II en IIbis]1. / Afdeling II. - Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorwaarden en voorlopige aanhouding.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 13.Binnen veertien dagen te rekenen van de dag na de kennisneming van de niet-naleving van de voorwaarden neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.   Ingeval het een beslissing betreft die genomen is overeenkomstig artikel 12, [2 §§ 2 en 2bis]2, wordt het slachtoffer binnen vierentwintig uur schriftelijk hiervan in kennis gesteld.   ----------   (1)<W 2013-12-15/05, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (2)<W 2018-07-11/02, art. 77, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 14 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken [1 I, II en IIbis]1. / Afdeling II. - Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorwaarden en voorlopige aanhouding.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 14.Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde. (In de gevallen bedoeld in artikel 59, deelt de procureur des Konings zijn beslissing mee aan het openbaar ministerie en aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.) <W 2006-12-27/33, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de [2 uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis]2 binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.   Ingeval het een beslissing betreft [3 inzake een uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis]3, wordt het slachtoffer [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 hiervan in kennis gesteld.   ----------   (1)<W 2013-12-15/05, art. 8, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>   (2)<W 2018-07-11/02, art. 78, 026; Inwerkingtreding : 28-07-2018>   (3)<W 2022-07-30/03, art. 44, 035; Inwerkingtreding : 01-09-2022>
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 15 · Federaal

    Brontekst

    Justel 2006051735 / TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten. / HOOFDSTUK IV. - De onderbreking van de strafuitvoering.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 15. § 1. De onderbreking van de strafuitvoering schorst de uitvoering van de straf voor een duur van maximum drie maanden, die kan worden hernieuwd.   § 2. De onderbreking van de strafuitvoering wordt aan de veroordeelde toegekend om ernstige en uitzonderlijke redenen van familiale aard.   § 3. De verjaring van de straf loopt niet tijdens de onderbreking van de strafuitvoering.
    Open officiële bron ↗