Gratis brononderzoek

Wegcode

Verkeersregels, voorrang, snelheid en verkeerssignalisatie.

Zoek en lees de officiële bronteksten gratis. Gebruik Pro om geselecteerde artikelen te onderzoeken met uw dossierfeiten.

← Alle wetgeving

Let op: tegenstrijdige datuminformatie in de Wegcodebron

Justel vermeldt voor bepaalde gewestelijke teksten een opheffing op 1 september 2026. De gewestelijke overheden communiceren 1 juni 2027 voor de nieuwe verkeerscodes. Die informatie sluit niet op elkaar aan. De bronopname lost dit verschil niet op en bepaalt niet welke tekst in uw regio en op de datum van uw dossier geldt. Controleer de officiële gewestelijke publicaties voordat u deze bepalingen toepast.

Deze bronopname bewaart gewestelijke varianten, opheffingsvermeldingen en eventuele latere inwerkingtredingen. Ze bepaalt niet automatisch welke versie op uw dossier van toepassing is. Controleer datum, regio en authentieke wijzigingen.

Bronopname: 2026-10-03 · Bijgewerkt volgens bron: 2026-08-31

Open officiële bron ↗

Onderzoek deze wet in Pro

Verbind maximaal vier artikelen uit deze bibliotheek met uw dossierfeiten. Ontvang een brongebonden analyse en exporteer een memo. Een bronvraag kost 1 AI-credit binnen uw bestaande Pro-abonnement.

Verken Pro voor deze wet →

Artikelen

151 bronvarianten

  1. Art. 1 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Artikel 1. TOEPASSINGSGEBIED.   (Dit reglement geldt voor het verkeer op de openbare weg en het gebruik ervan, door voetgangers, voertuigen, trek-, last- of rijdieren en vee.) <KB 2003-04-04/66, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   Spoorvoertuigen die van de openbare weg gebruik maken, vallen niet onder de toepassing van dit reglement.
    Open officiële bron ↗
  2. Art. 2 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 2.BEPALINGEN.   Voor de toepassing van de bepalingen van dit reglement wordt verstaan onder :      2.1. " Rijbaan ", het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.      2.2. " Rijstrook ", elk deel van een rijbaan die in haar langsrichting verdeeld is door :   a) één of meer witte doorlopende of onderbroken strepen. Deze strepen mogen beter zichtbaar gemaakt worden door (retro-reflecterend) middelen; <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   b) (voorlopige markeringen die bestaan uit :   - hetzij oranje doorlopende of onderbroken strepen;   - hetzij doorlopende of onderbroken strepen gevormd door oranje spijkers.) <KB 1997-07-16/32, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>      2.3. " Autosnelweg ", de openbare weg waarvan het begin of de oprit aangeduid is met het verkeersbord F 5 en het einde met het verkeersbord F 7.      2.4. " Autoweg ", de openbare weg waarvan het begin aangeduid is met het verkeersbord F 9 en het einde met het verkeersbord F 11.      2.5. " Pad ", een smalle openbare weg die alleen het verkeer toelaat van voetgangers en van voertuigen die geen bredere dan de voor voetgangers vereiste ruimte nodig hebben.      2.6. " Aardeweg ", een openbare weg die breder is dan een pad en die niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.   De aardeweg verliest zijn hoedanigheid niet zo hij enkel bij zijn aansluiting met een andere openbare weg het uitzicht van een rijbaan heeft.      2.7. (" Fietspad ", het deel van de openbare weg dat voor het verkeer van fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A is voorbehouden door de verkeersborden D7, D9 of door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 74.   Het fietspad maakt geen deel uit van de rijbaan.) <KB 1990-07-20/40, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>      2.8. [24 ...]24   2.9. <Oud art. 2.8.> " Kruispunt ", de plaats waar twee of meer openbare wegen samenlopen.      (2.10. " Plein ", elke open ruimte, waarop een openbare weg uitkomt of meerdere openbare wegen samenkomen, en waar de plaatsgesteldheid het mogelijk maakt dat het verkeer en andere activiteiten er tezamen georganiseerd worden.   Het plein is een openbare weg onderscheiden van die welke er op uitkomen.) <KB 2003-04-04/66, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>      2.11. <Oud art. 2.10.> " Overweg ", de gehele of gedeeltelijke kruising van een openbare weg door een of meer buiten de rijbaan aangelegde sporen.      2.12. <Oud art. 2.11.> " Bebouwde kom ", een gebied met bebouwing en waarvan de invalswegen aangeduid zijn met [2 de verkeersborden F1, F1a of F1b]2 , en de uitvalswegen met [2 de verkeersborden F3, F3a of F3b]2 .      2.13. <Oud art. 2.12.> " Bestuurder ", al wie een voertuig bestuurt of trek-, last- en rijdieren of vee geleidt of bewaakt.      2.14. <Oud art. 2.13.> " Voertuig ", elk middel van vervoer te land, alsmede alle verrijdbaar landbouw- of bedrijfsmaterieel.      (2.15.1.) <Oud art. 2.14.> ("Rijwiel", elk voertuig met twee of meer wielen, dat wordt voortbewogen door middel van pedalen of van handgrepen door één of meer van de gebruikers en niet met een motor is uitgerust, zoals een fiets, een driewieler of een vierwieler.   [21 Ligfiets, een rijwiel met een bestuurder in bijna liggende positie.    Velomobiel, een ligfiets met een carrosserie.]21   De bevestiging van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, brengt geen wijziging in de classificatie als rijwiel.   Het niet bereden rijwiel wordt niet als voertuig beschouwd.) <KB 2007-02-13/33, art. 1, 1°, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   [13 Drie- en vierwielers die een breedte hebben van maximum 1 meter worden gelijkgesteld met fietsen.]13      (2.15.2. (Een "Voortbewegingstoestel" is :   1° ofwel een " niet-gemotoriseerd voortbewegingstoestel ", dit wil zeggen elk voertuig dat niet beantwoordt aan de definitie van rijwiel, dat door de gebruiker of de gebruikers door middel van spierkracht wordt voortbewogen en niet met een motor is uitgerust.   2° [14 ofwel een "gemotoriseerd voortbewegingstoestel", dit wil zeggen elk motorvoertuig met één of meer wielen [20 en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km per uur,]20 onder meer:    a) elektrische rolstoelen;    b) elektrische rolwagens voor personen met verminderde mobiliteit;    c) gemotoriseerde autopeds;    d) zelf balancerende een- of tweewielige elektrische toestellen.]14   Voor de toepassing van dit besluit worden de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen niet gelijkgesteld met motorvoertuigen.   Het niet bereden voortbewegingstoestel wordt niet als voertuig beschouwd. "   [20 ...]20      [5 2.15.3. "Gemotoriseerd rijwiel", elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km per uur, met uitsluiting van de rijwielen bedoeld in artikel 2.15.1, tweede lid.    De cilinderinhoud van een motor met inwendige verbranding bedraagt ten hoogste 50 cm3 en het netto-maximumvermogen 1 kW. Voor een elektrische motor bedraagt het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 1 kW.    Het niet bereden gemotoriseerd rijwiel wordt niet als een voertuig beschouwd.]5      2.16. <Oud art. 2.15.> " Motorvoertuig ", elk voertuig uitgerust met een motor, bestemd om op eigen kracht te rijden.      2.17. [6 "Bromfiets" :    1) ofwel een "bromfiets klasse A", dit wil zeggen elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3 bedraagt met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW, of met een elektrische motor met een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4kW en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km per uur, met uitsluiting van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen;    2) ofwel een "bromfiets klasse B", dit wil zeggen :    a) elk tweewielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A en van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur en met de volgende kenmerken :    - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of    - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;    b) elk drie- of vierwielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur en met de volgende kenmerken :    - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met elektrische ontsteking betreft, of    - een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met compressieontsteking betreft, of    - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.    Voor vierwielige bromfietsen met een gesloten bestuurders- en passagiersruimte die maximaal van drie zijden toegankelijk is, bedraagt het netto-maximumvermogen of het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 6 kW.    3) ofwel een "speed pedelec", dit wil zeggen elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van de gemotoriseerde rijwielen, met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km per uur, en met de volgende kenmerken :    - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of    - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.    De maximale lege massa van de driewielige bromfietsen is beperkt tot 270 kg; deze van de vierwielige bromfietsen tot 425 kg; voor de elektrische voertuigen geldt die massa evenwel zonder de batterijen.    Drie- en vierwielige bromfietsen zijn uitgerust met maximaal twee zitplaatsen, inclusief de bestuurderszitplaats.    De driewielige bromfiets met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m, wordt beschouwd als bromfiets met twee wielen.    De niet-bereden tweewielige bromfiets wordt niet als voertuig beschouwd.    Bevestiging van een aanhangwagen aan een bromfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.    De voertuigen bestuurd door personen met een handicap, uitgerust met een motor die niet toelaat zich sneller dan stapvoets voort te bewegen, worden niet als bromfiets beschouwd.]6      2.18. <Oud art. 2.17.> <KB 1997-07-16/32, art. 1, 6°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997> "Motorfiets", elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een motorfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.      2.19. <Ingevoegd bij KB 1997-07-16/32, art. 1, 8°; Inwerkingtreding : 01-10-1997> "Driewieler met motor", elk driewielig motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets en waarvan de maximale ledige massa niet meer dan 1000 kg bedraagt.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een driewieler met motor brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   Behoudens bijzondere bepalingen, moeten de bestuurders van driewielers met motor dezelfde regels naleven als de bestuurders van auto's.      2.20. <Ingevoegd bij KB 1997-07-16/32, art. 1, 8°; Inwerkingtreding : 01-10-1997> "Vierwieler met motor", elk vierwielig motorvoertuig, andere dan die welke als bromfietsen worden beschouwd, met een lege massa van ten hoogste [7 450 kg of 600 kg]7 voor voertuigen gebruikt voor het goederenvervoer [28 ...]28. Voor de elektrische voertuigen geldt die massa zonder de batterijen.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een vierwieler met motor brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   Behoudens bijzondere bepalingen, moeten de bestuurders van die vierwielers met motor dezelfde regels naleven als de bestuurders van auto's.      2.21. <Oud art. 2.18.> (" Auto ", elk motorvoertuig, met inbegrip van de trolleybus, dat niet beantwoordt aan de bepalingen van de bromfiets (, van de motorfiets, van de drie- en van de vierwieler met motor).) <KB 25-03-1987, art. 1> <KB 1997-07-16/32, art. 1, 7°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>      2.22. <Oud art. 2.19.> " Stilstaand voertuig ", een voertuig dat niet langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken.      2.23. <Oud art. 2.20.> " Geparkeerd voertuig ", een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken [22 Tanken of de batterij van een elektrisch of hybride elektrisch voertuig opladen wordt beschouwd als parkeren.]22.      2.24. <Oud art. 2.21.> " Aanhangwagen ", elk voertuig dat bestemd is om door een ander te worden voortbewogen.      2.25. <Oud art. 2.22.> " Sleep ", elke groep voertuigen die aan elkander gekoppeld zijn met het doel door een en dezelfde kracht te worden voortbewogen.      2.26. <Oud art. 2.23.> " Technisch reglement van de auto's " het algemeen reglement dat de technische eisen bepaalt waaraan auto's en hun aanhangwagens moeten voldoen.      2.27. <Oud art. 2.24.> " Technisch reglement van de bromfietsen en motorfietsen " het algemeen reglement dat de technische eisen bepaalt waaraan bromfietsen, motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.      2.28. <Oud art. 2.25.> " (Maximale toegelaten massa) " (de maximale totale massa) van het voertuig, bepaald volgens de weerstand van de onderdelen van het chassis overeenkomstig de voorschriften van het technisch reglement van de auto's. <KB 1991-09-18/32, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>      2.29. <Oud art. 2.26.> " (Eigen massa) ", (de massa) van een rijklaar voertuig met carrosserie, uitrusting en toebehoren, dat brandstof, water en smeerolie heeft ingenomen, echter zonder inbegrip van de vervoerde personen of goederen. <KB 1991-09-18/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>      2.30. <Ingevoegd bij KB 1997-07-16/32, art. 1, 10°; Inwerkingtreding : 01-10-1997> "Ledige massa", de eigen massa van het voertuig zonder brandstof, en met de aanvullende uitrusting voor zijn normaal gebruik, alsook met de reglementaire uitrusting, met uitzondering van bijkomende benodigdheden.      2.31. <Oud art. 2.27.> " (Massa in beladen toestand) ", het geheel van de (eigen massa) van het voertuig en van (de massa) van zijn lading, van de bestuurder en van elke andere vervoerde persoon.      2.32. " (Woonerf) " en " (erf) ", één of meer speciaal ingerichte openbare wegen waarvan de toegangen zijn aangeduid met verkeersborden F12a, en de uitgangen met verkeersborden F12b. <Erratum, zie B.St. 12-01-2004, p. 1398>   In het " woonerf " overweegt de woonfunctie.   Het " erf " is een zone waarvan de kenmerken overeenstemmen met die van het woonerf, maar waar de activiteiten verruimd kunnen zijn tot ambacht, handel, toerisme, onderwijs en recreatie.) <KB 2003-04-04/66, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>      2.33. <Oud art. 2.29.> <KB 1991-09-18/32, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> " Betalend parkeren ", elke reglementering met betrekking tot een parkeerplaats of een geheel van parkeerplaatsen waarvan tegen betaling gebruik mag worden gemaakt, op de wijze en onder de voorwaarden die ter plaatse ter kennis worden gebracht van de betrokkenen.      2.34. <Ingevoegd bij KB 1998-10-09/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-11-1998> "Weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers [8 , ruiters en bestuurders van speed pedelecs]8", een openbare weg [8 of een deel van de openbare weg]8 waarvan het begin aangeduid is met het verkeersbord F99a of F99b en het einde met het verkeersbord F101a of F101b.      2.35. <Ingevoegd bij KB 1998-10-09/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-11-1998> "Voetgangerszone", een of meer openbare wegen waarvan de toegang aangeduid is met het verkeersbord F103 en de uitgang met het verkeersbord F105.      2.36. <Ingevoegd bij KB 1998-10-09/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-11-1998> "Speelstraat", een openbare weg waar tijdelijk en tijdens bepaalde uren aan de toegangen een hek geplaatst is met het verkeersbord C3 voorzien van een onderbord met daarop de vermelding "speelstraat".      2.37. <Ingevoegd bij KB 2002-05-14/35, art. 1; Inwerkingtreding : 31-05-2002> Schoolomgeving ", zone van een of meerdere openbare wegen of gedeelten ervan, waarin de toegang tot een school is inbegrepen en waarvan het begin en het einde afgebakend zijn door de verkeersborden F4a en F4b.   Het verkeersbord A23 wordt bij het verkeersbord F4a gevoegd.      (2.38. " Straat ", een openbare weg in een bebouwde kom die geheel of gedeeltelijk omgeven is met bebouwing en met toegangen tot activiteiten langs de weg en die gekenmerkt is door het gedeeld gebruik van de ruimte door verschillende soorten weggebruikers. De wegen die gelegen zijn in een zone 30, ofwel in een woonerf of erf, zijn straten.      2.39. " Rotonde ", weg waarop het verkeer in één richting geschiedt rond een aangelegd middeneiland en gesignaleerd met verkeersborden D5 en waarvan de toegangswegen voorzien zijn van verkeersborden B1 of B5.      2.40. " Trottoir ", het gedeelte van de openbare weg, al dan niet verhoogd aangelegd ten opzichte van de rijbaan, in 't bijzonder ingericht voor het verkeer van voetgangers; het trottoir is verhard en de scheiding ervan met de andere gedeelten van de openbare weg is duidelijk herkenbaar voor alle weggebruikers.   Het feit dat het verhoogd trottoir over de rijbaan doorloopt, brengt geen wijziging aan zijn bestemming.      2.41. " Gelijkgrondse berm ", de ruimte, onderscheiden van het trottoir en het fietspad, begrepen tussen enerzijds de rijbaan en anderzijds een sloot, een talud, de grenzen van eigendommen, die zich op hetzelfde hoogteniveau bevindt als de rijbaan en gevolgd (mag) worden door de weggebruikers, bepaald onder de voorwaarden van dit besluit. <Erratum, zie B.St. 12-01-2004, p. 1398>   De gelijkgrondse berm is meestal niet met verhard materiaal aangelegd en moeilijk begaanbaar voor de voetgangers.      2.42. " Verhoogde berm ", een ruimte die hoger ligt dan het rijbaanniveau(,) onderscheiden van het trottoir en het fietspad, en die tussen deze rijbaan ligt en een sloot, een talud, of grenzen van eigendommen. <Erratum, zie B.St. 12-01-2004, p. 1398>   De verhoogde berm is meestal niet met verhard materiaal aangelegd en moeilijk begaanbaar voor voetgangers.      2.43. " Verkeersgeleider ", een inrichting die op de rijbaan is aangebracht en die bestemd is om het voertuigenverkeer te kanaliseren; de verkeersgeleider bestaat uit een wegmarkering, ofwel uit een verhoging op de rijbaan, ofwel uit beide elementen samen.      2.44. " Middenberm ", elke aanleg in de lengterichting om de rijbanen te scheiden, behalve wegmarkeringen.      2.45. " Weggebruiker " is elke persoon die gebruik maakt van de openbare weg.      2.46. " Voetganger ", een persoon die zich te voet verplaatst. (...) de personen die een kruiwagen, een kinderwagen, [9 een rolstoel]9 of enig ander voertuig zonder motor dat geen bredere dan de voor de voetgangers vereiste ruimte nodig heeft, aan de hand leiden en de personen die een fiets of een tweewielige bromfiets aan de hand leiden, worden gelijkgesteld met voetgangers. <KB 2007-02-13/33, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>      2.47. [2 "Plaatselijk verkeer" of "plaatselijke bediening" : de voertuigen van de bewoners en hun bezoekers, de voertuigen voor levering inbegrepen, de voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer, de voertuigen voor onderhoud en toezicht, wanneer de aard van hun opdracht dit rechtvaardigt, de prioritaire voertuigen bedoeld in artikel 37 en fietsers en ruiters.]2      (2.48. " Verblijfsgebied ", gebied bestaande uit een of meer straten waarin de verblijfsfunctie door de wegbeheerder belangrijker gesteld wordt dan de verkeersfunctie.   " Verblijfsfunctie " is de rol die een straat of een weg speelt als drager voor niet gemotoriseerde verplaatsingen en activiteiten.   " Verkeersfunctie " is de rol die een straat of een weg speelt als drager voor gemotoriseerde verplaatsingen.) <KB 2004-04-26/31, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 30-04-2004>      (2.49. " Vakantiezone ", zone waarin tijdelijk veel vakantiegangers verblijven en waarbinnen veel voetgangers en fietsers op de openbare weg, en zelfs meer bepaald op de rijbaan, aanwezig kunnen zijn.   Deze zone omvat één of meer openbare wegen of gedeelten ervan, die afgebakend zijn met het verkeersbord F 4a en F4b indien het om een zone binnen de bebouwde kom gaat, of met het verkeersbord zonale C43 met de vermelding 50 of zonale C43 met de vermelding 70 indien het om een zone buiten de bebouwde kom gaat, gecombineerd met het verkeersbord A51 voorzien van een onderbord met de vermelding " vakantiezone ".) <KB 2004-04-26/31, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 30-04-2004>      (2.50. " Autodelen ", het systematisch en beurtelings door vooraf bepaalde personen gebruiken van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop.      2.51. " Gemeentelijke parkeerkaart ", een door de gemeente uitgereikte kaart die de houder ervan recht geeft op een bijzondere parkeerregeling inzake beperkte parkeertijd of betalend parkeren en hem desgevallend toelaat te parkeren op voorbehouden plaatsen overeenkomstig de bepalingen opgenomen in het door de gemeenteraad vastgestelde reglement.      2.52. " Bewonerskaart ", een gemeentelijke parkeerkaart specifiek bestemd voor personen die hun hoofdverblijfplaats of domicilie hebben in de op de kaart vermelde gemeente, zone of straat.      2.53. " Parkeerkaart voor autodelen ", een gemeentelijke parkeerkaart specifiek bestemd voor autodelen.) <KB 2007-01-09/37, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 01-02-2007>      (2.54. " Lading ", elk goed of materiaal dat door een voertuig wordt vervoerd.      2.55. " Stouwvoorziening ", element dat specifiek ontworpen en vervaardigd is om een lading vast te maken, op haar plaats te houden of te stouwen, met inbegrip van de structurele elementen van het voertuig.      2.56. " Geïntegreerde vergrendelvoorziening ", voorziening die ontworpen is en gebruikt wordt om een lading vast te zetten door de bevestigingspunten van de lading te verbinden met de verankeringspunten van het voertuig en te vergrendelen.      2.57. " Maximale nominale last ", maximale last die op een element van een ladingzekeringssysteem mag worden toegepast, in normale gebruiksomstandigheden.      2.58. " Verankeringspunt ", deel van de structuur, de apparatuur of het toebehoren van een voertuig of van een lading waaraan een stouwvoorziening wordt vastgemaakt.      2.59. " Ladingzekeringssysteem ", uitrusting of combinatie van uitrustingen die wordt gebruikt om een lading vast te zetten of te stouwen, met inbegrip van de stouwvoorzieningen van de lading, evenals alle samenstellende delen ervan.      2.60. " Primaire verpakking ", verpakking die de goederen als eerste omsluit.) <KB 2007-04-27/33, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 10-09-2009>      [1 2.61. [25 "Fietszone": één of meer openbare wegen waar specifieke gedragsregels gelden voor wat betreft de fietsers. Het begin is aangeduid met het verkeersbord F111 en het einde met het verkeersbord F113.]25]1      [2 2.62. "Pechstrook" : de strook gelegen rechts van de rijbaan van de autosnelweg of de autoweg.]2      [3 2.63. "Lage emissiezone", een zone waarin omwille van de leefbaarheid, in het bijzonder de milieu- en gezondheidshinder door een slechte luchtkwaliteit, een selectief toelatingsbeleid voor motorvoertuigen wordt gehanteerd in relatie tot de door die voertuigen veroorzaakte milieuhinder; het begin ervan is aangeduid met het verkeersbord F117 en het einde met het verkeersbord F118.]3      [10 2.64. "Spitsstrook", deel van de openbare weg afgebakend door de wegmarkering bedoeld in artikel 72.7.]10      [11 2.65. " Autobus " : elk voor het vervoer van zittende en staande passagiers ontworpen en gebouwd motorvoertuig met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.       2.66. " Autocar " : elk voor het vervoer van uitsluitend zittende passagiers ontworpen en gebouwd motorvoertuig met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.       2.67. " Landbouwvoertuig " : elk landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan zijn aangepast om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en kan zijn uitgerust met één of meer zitplaatsen voor passagiers.]11      [12 2.68. "schoolstraat", een openbare weg in de nabijheid van een onderwijsinstelling waar tijdelijk en tijdens bepaalde uren aan de toegangen [16 motorvoertuigen geweerd worden door]16 een [16 ...]16 verkeersbord C3 voorzien van een onderbord met daarop de vermelding "schoolstraat" [16 , tenzij het onderbord in een uitzondering voorziet voor bepaalde motorvoertuigen]16. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-10-2018, p. 76748)]12   [15 2.69. "luchthavengebied": een zone rond of in de nabijheid van een luchthaven waar de bepalingen van dit algemeen reglement niet van toepassing kunnen zijn of gewijzigd zijn voor bepaald verkeer; het begin ervan is aangeduid met het verkeersbord F119 en het einde met het verkeersbord F120.]15   [17 2.70. [26 "Reddingsstrook": de vrije ruimte tussen twee rijstroken in een file die mag gebruikt worden door de prioritaire voertuigen zoals bedoeld in artikel 37 wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt, door de voertuigen van personen of diensten opgeroepen door het openbaar ministerie of door de federale of lokale politie om zich naar de plaats van een incident te begeven en door de takelwagens die zich naar een incident begeven.]26]17   [23 2.71. middenrijbaan : deel van de openbare weg afgebakend door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 75.3 die aan beide kanten de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduiden.    2.72. Zijdelingse strook : de strook gelegen langs de middenrijbaan. De zijdelingse strook maakt geen deel uit van de rijbaan.    2.73. Parkeerstrook: op een andere openbare weg dan een autosnelweg of autoweg, de strook gelegen langs de rijbaan die is afgebakend door de witte doorlopende streep bedoeld in artikel 75.2 die de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduidt.]23   [27 2.74. "Verhoogde inrichting": een verhoogde aanleg die dwars op de openbare weg is aangebracht en die bestemd is om de snelheid te matigen.]27   ----------   (1)<W 2012-01-10/02, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 13-02-2012>   (2)<KB 2014-01-29/13, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (3)<KB 2014-07-21/19, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 25-10-2014>   (4)<KB 2016-07-21/34, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (5)<KB 2016-07-21/34, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (6)<KB 2016-07-21/34, art. 3, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (7)<KB 2016-07-21/34, art. 4, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (8)<KB 2016-07-21/34, art. 5, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (9)<KB 2016-07-21/34, art. 6, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (10)<KB 2016-07-21/34, art. 7, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (11)<KB 2018-02-10/04, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2018>   (12)<W 2018-09-02/18, art. 2, 078; Inwerkingtreding : 20-10-2018>   (13)<W 2019-04-13/31, art. 2, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>   (14)<W 2019-04-13/31, art. 3, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>   (15)<W 2019-04-13/32, art. 3, 082; Inwerkingtreding : 01-07-2019>   (16)<W 2019-04-13/34, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-07-2019>   (17)<W 2020-06-22/17, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 01-10-2020>   (18)<KB 2021-06-08/07, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 01-08-2021>   (19)<W 2021-12-23/33, art. 2, 095; Inwerkingtreding : 03-02-2022>   (20)<W 2022-05-15/07, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 01-07-2022>   (21)<KB 2022-07-30/21, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (22)<KB 2022-07-30/21, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (23)<KB 2022-07-30/21, art. 3, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (24)<KB 2023-03-12/01, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>   (25)<KB 2023-03-12/01, art. 2, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>   (26)<KB 2023-03-12/01, art. 3, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>   (27)<KB 2023-03-12/01, art. 4, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>   (28)<KB 2023-10-02/08, art. 1, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2024>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  3. Art. 2 · Vlaanderen

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 2_VLAAMS_GEWEST.    BEPALINGEN.   Voor de toepassing van de bepalingen van dit reglement wordt verstaan onder :   2.1. " Rijbaan ", het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.   2.2. " Rijstrook ", elk deel van een rijbaan die in haar langsrichting verdeeld is door :   a) één of meer witte doorlopende of onderbroken strepen. Deze strepen mogen beter zichtbaar gemaakt worden door (retro-reflecterend) middelen; <KB 2003-04-04/66, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   b) (voorlopige markeringen die bestaan uit :   - hetzij oranje doorlopende of onderbroken strepen;   - hetzij doorlopende of onderbroken strepen gevormd door oranje spijkers.) <KB 1997-07-16/32, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   2.3. " Autosnelweg ", de openbare weg waarvan het begin of de oprit aangeduid is met het verkeersbord F 5 en het einde met het verkeersbord F 7.   2.4. " Autoweg ", de openbare weg waarvan het begin aangeduid is met het verkeersbord F 9 en het einde met het verkeersbord F 11.   2.5. " Pad ", een smalle openbare weg die alleen het verkeer toelaat van voetgangers en van voertuigen die geen bredere dan de voor voetgangers vereiste ruimte nodig hebben.   2.6. " Aardeweg ", een openbare weg die breder is dan een pad en die niet voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht.   De aardeweg verliest zijn hoedanigheid niet zo hij enkel bij zijn aansluiting met een andere openbare weg het uitzicht van een rijbaan heeft.   2.7. (" Fietspad ", het deel van de openbare weg dat voor het verkeer van fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A is voorbehouden door de verkeersborden D7, D9 of door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 74.   Het fietspad maakt geen deel uit van de rijbaan.) <KB 1990-07-20/40, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   2.8. [24 ...]24   2.9. <Oud art. 2.8.> " Kruispunt ", de plaats waar twee of meer openbare wegen samenlopen.   (2.10. " Plein ", elke open ruimte, waarop een openbare weg uitkomt of meerdere openbare wegen samenkomen, en waar de plaatsgesteldheid het mogelijk maakt dat het verkeer en andere activiteiten er tezamen georganiseerd worden.   Het plein is een openbare weg onderscheiden van die welke er op uitkomen.) <KB 2003-04-04/66, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   2.11. <Oud art. 2.10.> " Overweg ", de gehele of gedeeltelijke kruising van een openbare weg door een of meer buiten de rijbaan aangelegde sporen.   2.12. <Oud art. 2.11.> " Bebouwde kom ", een gebied met bebouwing en waarvan de invalswegen aangeduid zijn met [2 de verkeersborden F1, F1a of F1b]2 , en de uitvalswegen met [2 de verkeersborden F3, F3a of F3b]2 .   2.13. <Oud art. 2.12.> " Bestuurder ", al wie een voertuig bestuurt of trek-, last- en rijdieren of vee geleidt of bewaakt.   2.14. <Oud art. 2.13.> " Voertuig ", elk middel van vervoer te land, alsmede alle verrijdbaar landbouw- of bedrijfsmaterieel.   (2.15.1.) <Oud art. 2.14.> ("Rijwiel", elk voertuig met twee of meer wielen, dat wordt voortbewogen door middel van pedalen of van handgrepen door één of meer van de gebruikers en niet met een motor is uitgerust, zoals een fiets, een driewieler of een vierwieler.   [21 Ligfiets, een rijwiel met een bestuurder in bijna liggende positie. Velomobiel, een ligfiets met een carrosserie.]21   De bevestiging van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, brengt geen wijziging in de classificatie als rijwiel.   Het niet bereden rijwiel wordt niet als voertuig beschouwd.) <KB 2007-02-13/33, art. 1, 1°, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   [12 Drie- en vierwielers die een breedte hebben van maximum 1 meter worden gelijkgesteld met fietsen.]12   (2.15.2. (Een "Voortbewegingstoestel" is :   1° ofwel een " niet-gemotoriseerd voortbewegingstoestel ", dit wil zeggen elk voertuig dat niet beantwoordt aan de definitie van rijwiel, dat door de gebruiker of de gebruikers door middel van spierkracht wordt voortbewogen en niet met een motor is uitgerust.   2° [13 ofwel een "gemotoriseerd voortbewegingstoestel", dit wil zeggen elk motorvoertuig met één of meer wielen dat door bouw en motorvermogen, op een horizontale weg, niet sneller kan rijden dan 25 km per uur, onder meer:    a) elektrische rolstoelen;    b) elektrische rolwagens voor personen met verminderde mobiliteit;    c) gemotoriseerde autopeds;    d) zelf balancerende een- of tweewielige elektrische toestellen.]13   Voor de toepassing van dit besluit worden de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen niet gelijkgesteld met motorvoertuigen.   Het niet bereden voortbewegingstoestel wordt niet als voertuig beschouwd. "   De gebruiker van een voortbewegingstoestel, die niet sneller dan stapvoets rijdt, wordt niet gelijkgesteld met een bestuurder.) <KB 2007-02-13/33, art. 1, 2°, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   [5 2.15.3. "Gemotoriseerd rijwiel", elk twee-, drie- of vierwielig voertuig met pedalen, uitgerust met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 25 km per uur, met uitsluiting van de rijwielen bedoeld in artikel 2.15.1, tweede lid.    De cilinderinhoud van een motor met inwendige verbranding bedraagt ten hoogste 50 cm3 en het netto-maximumvermogen 1 kW. Voor een elektrische motor bedraagt het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 1 kW.    Het niet bereden gemotoriseerd rijwiel wordt niet als een voertuig beschouwd.]5   2.16. <Oud art. 2.15.> " Motorvoertuig ", elk voertuig uitgerust met een motor, bestemd om op eigen kracht te rijden.   2.17. [6 "Bromfiets" :    1) ofwel een "bromfiets klasse A", dit wil zeggen elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm3 bedraagt met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW, of met een elektrische motor met een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4kW en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km per uur, met uitsluiting van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen;    2) ofwel een "bromfiets klasse B", dit wil zeggen :    a) elk tweewielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A en van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur en met de volgende kenmerken :    - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of    - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;    b) elk drie- of vierwielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur en met de volgende kenmerken :    - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met elektrische ontsteking betreft, of    - een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met compressieontsteking betreft, of    - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.    Voor vierwielige bromfietsen met een gesloten bestuurders- en passagiersruimte die maximaal van drie zijden toegankelijk is, bedraagt het netto-maximumvermogen of het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 6 kW.    3) ofwel een "speed pedelec", dit wil zeggen elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van de gemotoriseerde rijwielen, met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km per uur, en met de volgende kenmerken :    - een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of    - een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft.    De maximale lege massa van de driewielige bromfietsen is beperkt tot 270 kg; deze van de vierwielige bromfietsen tot 425 kg; voor de elektrische voertuigen geldt die massa evenwel zonder de batterijen.    Drie- en vierwielige bromfietsen zijn uitgerust met maximaal twee zitplaatsen, inclusief de bestuurderszitplaats.    De driewielige bromfiets met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m, wordt beschouwd als bromfiets met twee wielen.    De niet-bereden tweewielige bromfiets wordt niet als voertuig beschouwd.    Bevestiging van een aanhangwagen aan een bromfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.    De voertuigen bestuurd door personen met een handicap, uitgerust met een motor die niet toelaat zich sneller dan stapvoets voort te bewegen, worden niet als bromfiets beschouwd.]6   2.18. <Oud art. 2.17.> <KB 1997-07-16/32, art. 1, 6°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997> "Motorfiets", elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een motorfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   2.19. <Ingevoegd bij KB 1997-07-16/32, art. 1, 8°; Inwerkingtreding : 01-10-1997> "Driewieler met motor", elk driewielig motorvoertuig dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets en waarvan de maximale ledige massa niet meer dan 1000 kg bedraagt.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een driewieler met motor brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   Behoudens bijzondere bepalingen, moeten de bestuurders van driewielers met motor dezelfde regels naleven als de bestuurders van auto's.   2.20. <Ingevoegd bij KB 1997-07-16/32, art. 1, 8°; Inwerkingtreding : 01-10-1997> "Vierwieler met motor", elk vierwielig motorvoertuig, andere dan die welke als bromfietsen worden beschouwd, met een lege massa van ten hoogste [7 450 kg of 600 kg]7 voor voertuigen gebruikt voor het goederenvervoer en met een netto-maximumvermogen van de motor van ten hoogste 15 kW. Voor de elektrische voertuigen geldt die massa zonder de batterijen.   Bevestiging van een aanhangwagen aan een vierwieler met motor brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig.   Behoudens bijzondere bepalingen, moeten de bestuurders van die vierwielers met motor dezelfde regels naleven als de bestuurders van auto's.   2.21. <Oud art. 2.18.> (" Auto ", elk motorvoertuig, met inbegrip van de trolleybus, dat niet beantwoordt aan de bepalingen van de bromfiets (, van de motorfiets, van de drie- en van de vierwieler met motor).) <KB 25-03-1987, art. 1> <KB 1997-07-16/32, art. 1, 7°, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   2.22. <Oud art. 2.19.> " Stilstaand voertuig ", een voertuig dat niet langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken.   2.23. <Oud art. 2.20.> " Geparkeerd voertuig ", een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken.    [22 Tanken of de batterij van een elektrisch of hybride elektrisch voertuig opladen wordt beschouwd als parkeren.]22.   2.24. <Oud art. 2.21.> " Aanhangwagen ", elk voertuig dat bestemd is om door een ander te worden voortbewogen.   2.25. <Oud art. 2.22.> " Sleep ", elke groep voertuigen die aan elkander gekoppeld zijn met het doel door een en dezelfde kracht te worden voortbewogen.   2.26. <Oud art. 2.23.> " Technisch reglement van de auto's " het algemeen reglement dat de technische eisen bepaalt waaraan auto's en hun aanhangwagens moeten voldoen.   2.27. <Oud art. 2.24.> " Technisch reglement van de bromfietsen en motorfietsen " het algemeen reglement dat de technische eisen bepaalt waaraan bromfietsen, motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen.   2.28. <Oud art. 2.25.> " (Maximale toegelaten massa) " (de maximale totale massa) van het voertuig, bepaald volgens de weerstand van de onderdelen van het chassis overeenkomstig de voorschriften van het technisch reglement van de auto's. <KB 1991-09-18/32, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   2.29. <Oud art. 2.26.> " (Eigen massa) ", (de massa) van een rijklaar voertuig met carrosserie, uitrusting en toebehoren, dat brandstof, water en smeerolie heeft ingenomen, echter zonder inbegrip van de vervoerde personen of goederen. <KB 1991-09-18/32, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   2.30. <Ingevoegd bij KB 1997-07-16/32, art. 1, 10°; Inwerkingtreding : 01-10-1997> "Ledige massa", de eigen massa van het voertuig zonder brandstof, en met de aanvullende uitrusting voor zijn normaal gebruik, alsook met de reglementaire uitrusting, met uitzondering van bijkomende benodigdheden.   2.31. <Oud art. 2.27.> " (Massa in beladen toestand) ", het geheel van de (eigen massa) van het voertuig en van (de massa) van zijn lading, van de bestuurder en van elke andere vervoerde persoon.   (2.32. " (Woonerf) " en " (erf) ", één of meer speciaal ingerichte openbare wegen waarvan de toegangen zijn aangeduid met verkeersborden F12a, en de uitgangen met verkeersborden F12b. <Erratum, zie B.St. 12-01-2004, p. 1398>   In het " woonerf " overweegt de woonfunctie.   Het " erf " is een zone waarvan de kenmerken overeenstemmen met die van het woonerf, maar waar de activiteiten verruimd kunnen zijn tot ambacht, handel, toerisme, onderwijs en recreatie.) <KB 2003-04-04/66, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   2.33. <Oud art. 2.29.> <KB 1991-09-18/32, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> " Betalend parkeren ", elke reglementering met betrekking tot een parkeerplaats of een geheel van parkeerplaatsen waarvan tegen betaling gebruik mag worden gemaakt, op de wijze en onder de voorwaarden die ter plaatse ter kennis worden gebracht van de betrokkenen.   2.34. <Ingevoegd bij KB 1998-10-09/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-11-1998> "Weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers [8 , ruiters en bestuurders van speed pedelecs]8", een openbare weg [8 of een deel van de openbare weg]8 waarvan het begin aangeduid is met het verkeersbord F99a of F99b en het einde met het verkeersbord F101a of F101b.   2.35. <Ingevoegd bij KB 1998-10-09/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-11-1998> "Voetgangerszone", een of meer openbare wegen waarvan de toegang aangeduid is met het verkeersbord F103 en de uitgang met het verkeersbord F105.   2.36. <Ingevoegd bij KB 1998-10-09/32, art. 1; Inwerkingtreding : 01-11-1998> "Speelstraat", een openbare weg waar tijdelijk en tijdens bepaalde uren aan de toegangen een hek geplaatst is met het verkeersbord C3 voorzien van een onderbord met daarop de vermelding "speelstraat".   2.37. <Ingevoegd bij KB 2002-05-14/35, art. 1; Inwerkingtreding : 31-05-2002> Schoolomgeving ", zone van een of meerdere openbare wegen of gedeelten ervan, waarin de toegang tot een school is inbegrepen en waarvan het begin en het einde afgebakend zijn door de verkeersborden F4a en F4b.   Het verkeersbord A23 wordt bij het verkeersbord F4a gevoegd.   (2.38. " Straat ", een openbare weg in een bebouwde kom die geheel of gedeeltelijk omgeven is met bebouwing en met toegangen tot activiteiten langs de weg en die gekenmerkt is door het gedeeld gebruik van de ruimte door verschillende soorten weggebruikers. De wegen die gelegen zijn in een zone 30, ofwel in een woonerf of erf, zijn straten.   2.39. " Rotonde ", weg waarop het verkeer in één richting geschiedt rond een aangelegd middeneiland en gesignaleerd met verkeersborden D5 en waarvan de toegangswegen voorzien zijn van verkeersborden B1 of B5.   2.40. " Trottoir ", het gedeelte van de openbare weg, al dan niet verhoogd aangelegd ten opzichte van de rijbaan, in 't bijzonder ingericht voor het verkeer van voetgangers; het trottoir is verhard en de scheiding ervan met de andere gedeelten van de openbare weg is duidelijk herkenbaar voor alle weggebruikers.   Het feit dat het verhoogd trottoir over de rijbaan doorloopt, brengt geen wijziging aan zijn bestemming.   2.41. " Gelijkgrondse berm ", de ruimte, onderscheiden van het trottoir en het fietspad, begrepen tussen enerzijds de rijbaan en anderzijds een sloot, een talud, de grenzen van eigendommen, die zich op hetzelfde hoogteniveau bevindt als de rijbaan en gevolgd (mag) worden door de weggebruikers, bepaald onder de voorwaarden van dit besluit. <Erratum, zie B.St. 12-01-2004, p. 1398>   De gelijkgrondse berm is meestal niet met verhard materiaal aangelegd en moeilijk begaanbaar voor de voetgangers.   2.42. " Verhoogde berm ", een ruimte die hoger ligt dan het rijbaanniveau(,) onderscheiden van het trottoir en het fietspad, en die tussen deze rijbaan ligt en een sloot, een talud, of grenzen van eigendommen. <Erratum, zie B.St. 12-01-2004, p. 1398>   De verhoogde berm is meestal niet met verhard materiaal aangelegd en moeilijk begaanbaar voor voetgangers.   2.43. " Verkeersgeleider ", een inrichting die op de rijbaan is aangebracht en die bestemd is om het voertuigenverkeer te kanaliseren; de verkeersgeleider bestaat uit een wegmarkering, ofwel uit een verhoging op de rijbaan, ofwel uit beide elementen samen.   2.44. " Middenberm ", elke aanleg in de lengterichting om de rijbanen te scheiden, behalve wegmarkeringen.   2.45. " Weggebruiker " is elke persoon die gebruik maakt van de openbare weg.   2.46. " Voetganger ", een persoon die zich te voet verplaatst. (...) de personen die een kruiwagen, een kinderwagen, [9 een rolstoel]9 of enig ander voertuig zonder motor dat geen bredere dan de voor de voetgangers vereiste ruimte nodig heeft, aan de hand leiden en de personen die een fiets of een tweewielige bromfiets aan de hand leiden, worden gelijkgesteld met voetgangers. <KB 2007-02-13/33, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   2.47. [2 "Plaatselijk verkeer" of "plaatselijke bediening" : de voertuigen van de bewoners en hun bezoekers, de voertuigen voor levering inbegrepen, de voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer, de voertuigen voor onderhoud en toezicht, wanneer de aard van hun opdracht dit rechtvaardigt, de prioritaire voertuigen bedoeld in artikel 37 en fietsers en ruiters.]2   (2.48. " Verblijfsgebied ", gebied bestaande uit een of meer straten waarin de verblijfsfunctie door de wegbeheerder belangrijker gesteld wordt dan de verkeersfunctie.   " Verblijfsfunctie " is de rol die een straat of een weg speelt als drager voor niet gemotoriseerde verplaatsingen en activiteiten.   " Verkeersfunctie " is de rol die een straat of een weg speelt als drager voor gemotoriseerde verplaatsingen.) <KB 2004-04-26/31, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 30-04-2004>   (2.49. " Vakantiezone ", zone waarin tijdelijk veel vakantiegangers verblijven en waarbinnen veel voetgangers en fietsers op de openbare weg, en zelfs meer bepaald op de rijbaan, aanwezig kunnen zijn.   Deze zone omvat één of meer openbare wegen of gedeelten ervan, die afgebakend zijn met het verkeersbord F 4a en F4b indien het om een zone binnen de bebouwde kom gaat, of met het verkeersbord zonale C43 met de vermelding 50 of zonale C43 met de vermelding 70 indien het om een zone buiten de bebouwde kom gaat, gecombineerd met het verkeersbord A51 voorzien van een onderbord met de vermelding " vakantiezone ".) <KB 2004-04-26/31, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 30-04-2004>   (2.50. " Autodelen ", het systematisch en beurtelings door vooraf bepaalde personen gebruiken van één of meerdere auto's tegen betaling via een vereniging voor autodelen, met uitzondering van het gebruik van voertuigen bestemd voor gewone verhuur of huurkoop.   2.51. " Gemeentelijke parkeerkaart ", een door de gemeente uitgereikte kaart die de houder ervan recht geeft op een bijzondere parkeerregeling inzake beperkte parkeertijd of betalend parkeren en hem desgevallend toelaat te parkeren op voorbehouden plaatsen overeenkomstig de bepalingen opgenomen in het door de gemeenteraad vastgestelde reglement.   2.52. " Bewonerskaart ", een gemeentelijke parkeerkaart specifiek bestemd voor personen die hun hoofdverblijfplaats of domicilie hebben in de op de kaart vermelde gemeente, zone of straat.   2.53. " Parkeerkaart voor autodelen ", een gemeentelijke parkeerkaart specifiek bestemd voor autodelen.) <KB 2007-01-09/37, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   (2.54. " Lading ", elk goed of materiaal dat door een voertuig wordt vervoerd.   2.55. " Stouwvoorziening ", element dat specifiek ontworpen en vervaardigd is om een lading vast te maken, op haar plaats te houden of te stouwen, met inbegrip van de structurele elementen van het voertuig.   2.56. " Geïntegreerde vergrendelvoorziening ", voorziening die ontworpen is en gebruikt wordt om een lading vast te zetten door de bevestigingspunten van de lading te verbinden met de verankeringspunten van het voertuig en te vergrendelen.   2.57. " Maximale nominale last ", maximale last die op een element van een ladingzekeringssysteem mag worden toegepast, in normale gebruiksomstandigheden.   2.58. " Verankeringspunt ", deel van de structuur, de apparatuur of het toebehoren van een voertuig of van een lading waaraan een stouwvoorziening wordt vastgemaakt.   2.59. " Ladingzekeringssysteem ", uitrusting of combinatie van uitrustingen die wordt gebruikt om een lading vast te zetten of te stouwen, met inbegrip van de stouwvoorzieningen van de lading, evenals alle samenstellende delen ervan.   2.60. " Primaire verpakking ", verpakking die de goederen als eerste omsluit.) <KB 2007-04-27/33, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 10-09-2009>   [1 2.61. [25 "Fietszone": één of meer openbare wegen waar specifieke gedragsregels gelden voor wat betreft de fietsers. Het begin is aangeduid met het verkeersbord F111 en het einde met het verkeersbord F113.]25]1   [2 2.62. "Pechstrook" : de strook gelegen rechts van de rijbaan van de autosnelweg of de autoweg.]2   [3 2.63. "Lage emissiezone", een zone waarin omwille van de leefbaarheid, in het bijzonder de milieu- en gezondheidshinder door een slechte luchtkwaliteit, een selectief toelatingsbeleid voor motorvoertuigen wordt gehanteerd in relatie tot de door die voertuigen veroorzaakte milieuhinder; het begin ervan is aangeduid met het verkeersbord F117 en het einde met het verkeersbord F118.]3 [11 Voor het Vlaamse Gewest wordt het selectieve toelatingsbeleid geregeld door het decreet van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones.]11   [10 2.64. "Spitsstrook", deel van de openbare weg afgebakend door de wegmarkering bedoeld in artikel 72.7.]10   [14 2.65. " Autobus " : elk voor het vervoer van zittende en staande passagiers ontworpen en gebouwd motorvoertuig met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.    2.66. " Autocar " : elk voor het vervoer van uitsluitend zittende passagiers ontworpen en gebouwd motorvoertuig met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.    2.67. " Landbouwvoertuig " : elk landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, dat voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan zijn aangepast om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en kan zijn uitgerust met één of meer zitplaatsen voor passagiers.]14   [12 2.68. "schoolstraat", een openbare weg in de nabijheid van een onderwijsinstelling waar tijdelijk en tijdens bepaalde uren aan de toegangen [16 motorvoertuigen geweerd worden door]16 een [16 ...]16 verkeersbord C3 voorzien van een onderbord met daarop de vermelding "schoolstraat" [16 , tenzij het onderbord in een uitzondering voorziet voor bepaalde motorvoertuigen]16. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-10-2018, p. 76748)]12   [15 2.69. "luchthavengebied": een zone rond of in de nabijheid van een luchthaven waar de bepalingen van dit algemeen reglement niet van toepassing kunnen zijn of gewijzigd zijn voor bepaald verkeer; het begin ervan is aangeduid met het verkeersbord F119 en het einde met het verkeersbord F120.]15   [17 2.70. [26 "Reddingsstrook": de vrije ruimte tussen twee rijstroken in een file die mag gebruikt worden door de prioritaire voertuigen zoals bedoeld in artikel 37 wanneer de aard van hun opdracht het rechtvaardigt, door de voertuigen van personen of diensten opgeroepen door het openbaar ministerie of door de federale of lokale politie om zich naar de plaats van een incident te begeven en door de takelwagens die zich naar een incident begeven.]26]17   [23 2.71. middenrijbaan : deel van de openbare weg afgebakend door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 75.3 die aan beide kanten de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduiden.    2.72. Zijdelingse strook : de strook gelegen langs de middenrijbaan. De zijdelingse strook maakt geen deel uit van de rijbaan.    2.73. Parkeerstrook: op een andere openbare weg dan een autosnelweg of autoweg, de strook gelegen langs de rijbaan die is afgebakend door de witte doorlopende streep bedoeld in artikel 75.2 die de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduidt.]23   [27 2.74. "Verhoogde inrichting": een verhoogde aanleg die dwars op de openbare weg is aangebracht en die bestemd is om de snelheid te matigen.]27      ----------   (1)<W 2012-01-10/02, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 13-02-2012>   (2)<KB 2014-01-29/13, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (3)<KB 2014-07-21/19, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 25-10-2014>   (4)<KB 2016-07-21/34, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (5)<KB 2016-07-21/34, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (6)<KB 2016-07-21/34, art. 3, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (7)<KB 2016-07-21/34, art. 4, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (8)<KB 2016-07-21/34, art. 5, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (9)<KB 2016-07-21/34, art. 6, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (10)<KB 2016-07-21/34, art. 7, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (11)<BVR 2016-02-26/02, art. 8, 068; Inwerkingtreding : 01-03-2016>   (12)<W 2019-04-13/31, art. 2, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>   (13)<W 2019-04-13/31, art. 3, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>   (14)<KB 2018-02-10/04, art. 1, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2018>   (15)<W 2021-12-23/33, art. 2, 095; Inwerkingtreding : 03-02-2022>   (16)<W 2019-04-13/34, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-07-2019>   (17)<W 2020-06-22/17, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 01-10-2020>   (18)<KB 2021-06-08/07, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 01-08-2021>   (19)<W 2021-12-23/33, art. 2, 095; Inwerkingtreding : 03-02-2022>   (20)<W 2022-05-15/07, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 01-07-2022>   (21)<KB 2022-07-30/21, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (22)<KB 2022-07-30/21, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (23)<KB 2022-07-30/21, art. 3, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>   (24)<KB 2023-03-12/01, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>   (25)<KB 2023-03-12/01, art. 6, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>   (26)<KB 2023-03-12/01, art. 3, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>   (27)<KB 2023-03-12/01, art. 4, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2023>

    Dit artikel of deze bijlage bevat afbeeldingen of aanvullende bronnotities. Bekijk de afbeeldingen en notities in de officiële bron; de tekst hieronder is geen vervanging voor verkeerssignalisatie of afbeeldingen.

    Open officiële bron ↗
  4. Art. 3 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3.BEVOEGDE PERSONEN.   De personen bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer en de ter uitvoering daarvan genomen reglementen, zijn :   1° (het personeel van het operationele kader van de federale en de lokale politie;) <KB 2003-04-04/66, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   [1 1° /1 het personeel van het administratieve en logistieke kader van de federale en lokale politie voor wat de vaststellingen die gesteund zijn op materiële bewijsmiddelen die door bemande of onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, betreft;]1   2° (de ambtenaren en beambten van het Bestuur van het Vervoer te Land, van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur (...), die met een mandaat van gerechtelijke politie belast zijn;) <KB 1996-03-14/32, art. 1, A), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996> <KB 1998-10-09/32, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-11-1998>   3° de ambtenaren en beambten van de Regie der Luchtwegen, die met een mandaat van gerechtelijke politie belast zijn, binnen de grenzen van de luchthavens en van hun aanhorigheden;   4° de ingenieurs en conducteurs van Bruggen en Wegen en andere voor het toezicht op de openbare weg aangestelde beambten;   5° [3 de veldwachters, bedoeld in artikel 61 van het Veldwetboek, aangesteld door de deputaties van de provincieraden, binnen de grenzen van hun territoriale bevoegdheid;]3   6° het personeel aangesteld voor het bewaken en het bedienen van de in de openbare weg liggende bruggen, voor wat het verkeer op die bruggen en in de nabijheid ervan betreft;   7° het douanepersoneel bij die uitoefening van zijn dienst;   8° de officieren en agenten van de politie der spoorwegen, binnen de perken van hun territoriale bevoegdheid;   9° de conducteurs, controleurs en opzichters van de Algemene Dienst der Militaire Gebouwen, voor wat het gebruik van de militaire wegen betreft;   10° de eerstaanwezende ingenieurs-hoofden van dienst, de rijksingenieurs van Waters en Bossen, de brigade-chefs en technische beambten van het Bestuur van Waters en Bossen, voor wat het verkeer op de boswegen van de Staat betreft;   11° (het personeel van de Belgische militaire politie bij de uitoefening van zijn dienst, uitsluitend inzake de toepassing van artikel 4.1 tot 4.3;) <KB 1996-03-14/32, art. 1, B), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996>   (...) <KB 1996-03-14/32, art. 1, C), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996>   ((12°) Het personeel van de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer bij de uitoefening van zijn dienst, belast met een mandaat van gerechtelijke politie (en uitsluitend inzake de toepassing van de artikelen 5 en de verkeersborden C5 met onderbord " Uitgezonderd 2+ " of " 3+ ", F17 en F18, 72.5 en 72.6, 25.1, 2° en 6°, 62ter alsook 77.8).) <KB 1991-09-18/32, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1996-03-14/32, art. 1, D), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996> <KB 2002-12-18/37, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 25-12-2002>   (13° de interveniërende leden van de openbare brandweerdiensten en van de diensten van de civiele bescherming op de plaats van de interventie, uitsluitend inzake de toepassing van artikel 4 en voor zover het in punt 1° bedoelde personeel niet op de plaats van de interventie aanwezig is.) <KB 2007-04-27/39, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 19-05-2007>   ----------   (1)<KB 2016-12-14/11, art. 1, 070; Inwerkingtreding : 01-02-2017>   (2)<W 2020-07-16/34, art. 2, 088; Inwerkingtreding : 01-10-2020>   (3)<W 2020-07-16/35, art. 2, 089; Inwerkingtreding : 12-10-2020>
    Open officiële bron ↗
  5. Art. 3 · Brussel

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    BEVOEGDE PERSONEN.   De personen bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer en de ter uitvoering daarvan genomen reglementen, zijn :   1° (het personeel van het operationele kader van de federale en de lokale politie;) <KB 2003-04-04/66, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   [1 1° /1 het personeel van het administratieve en logistieke kader van de federale en lokale politie voor wat de vaststellingen die gesteund zijn op materiële bewijsmiddelen die door bemande of onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, betreft;]1   2° (de ambtenaren en beambten van het Bestuur van het Vervoer te Land, van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur (...), die met een mandaat van gerechtelijke politie belast zijn;) <KB 1996-03-14/32, art. 1, A), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996> <KB 1998-10-09/32, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-11-1998>   3° de ambtenaren en beambten van de Regie der Luchtwegen, die met een mandaat van gerechtelijke politie belast zijn, binnen de grenzen van de luchthavens en van hun aanhorigheden;   4° de ingenieurs en conducteurs van Bruggen en Wegen en andere voor het toezicht op de openbare weg aangestelde beambten;   5° [3 de veldwachters, bedoeld in artikel 61 van het Veldwetboek, aangesteld door de deputaties van de provincieraden, binnen de grenzen van hun territoriale bevoegdheid;]3   6° het personeel aangesteld voor het bewaken en het bedienen van de in de openbare weg liggende bruggen, voor wat het verkeer op die bruggen en in de nabijheid ervan betreft;   7° het douanepersoneel bij die uitoefening van zijn dienst;   8° de officieren en agenten van de politie der spoorwegen, binnen de perken van hun territoriale bevoegdheid;   9° de conducteurs, controleurs en opzichters van de Algemene Dienst der Militaire Gebouwen, voor wat het gebruik van de militaire wegen betreft;   10° de eerstaanwezende ingenieurs-hoofden van dienst, de rijksingenieurs van Waters en Bossen, de brigade-chefs en technische beambten van het Bestuur van Waters en Bossen, voor wat het verkeer op de boswegen van de Staat betreft;   11° (het personeel van de Belgische militaire politie bij de uitoefening van zijn dienst, uitsluitend inzake de toepassing van artikel 4.1 tot 4.3;) <KB 1996-03-14/32, art. 1, B), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996>   (...) <KB 1996-03-14/32, art. 1, C), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996>   ((12°) Het personeel van de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer bij de uitoefening van zijn dienst, belast met een mandaat van gerechtelijke politie (en uitsluitend inzake de toepassing van de artikelen 5 en de verkeersborden C5 met onderbord " Uitgezonderd 2+ " of " 3+ ", F17 en F18, 72.5 en 72.6, 25.1, 2° en 6°, 62ter alsook 77.8).) <KB 1991-09-18/32, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1996-03-14/32, art. 1, D), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996> <KB 2002-12-18/37, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 25-12-2002>   (13° de interveniërende leden van de openbare brandweerdiensten en van de diensten van de civiele bescherming op de plaats van de interventie, uitsluitend inzake de toepassing van artikel 4 en voor zover het in punt 1° bedoelde personeel niet op de plaats van de interventie aanwezig is.) <KB 2007-04-27/39, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 19-05-2007>   [4 14° De ambtenaren en personeelsleden aangesteld door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in het exclusieve kader van de bevoegdheden van het Gewest bedoeld in dit besluit]4;   [5 15° de havenkapiteins en adjunct-havenkapiteins en de haveninspecteurs, als bedoeld in de wet van 5 mei 1936 tot vaststelling van het statuut der havenkapiteins, evenals de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar of de ambtenaar van niveau A die daartoe is aangesteld door de raad van bestuur van de publiekrechtelijke Gewestelijke Vennootschap van de Haven van Brussel als bedoeld in de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 december 1992 betreffende de exploitatie en de ontwikkeling van het kanaal, de haven, de voorhaven, en de aanhorigheden ervan in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, en dit in het exclusieve kader van de controles die worden verricht op de openbare weg van het havendomein, als afgebakend door de bijlagen 2 en 3 bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 27 mei 1993 houdende bepaling van het bestek waaraan de Haven van Brussel is onderworpen.]5   ----------   (1)<KB 2016-12-14/11, art. 1, 070; Inwerkingtreding : 01-02-2017>   (2)<W 2020-07-16/34, art. 2, 088; Inwerkingtreding : 01-10-2020>   (3)<W 2020-07-16/35, art. 2, 089; Inwerkingtreding : 12-10-2020>   (4)<BESL 2021-09-22/10, art. 1, 094; Inwerkingtreding : 18-10-2021>   (5)<BESL 2024-08-29/06, art. 24, 108; Inwerkingtreding : 13-10-2024>
    Open officiële bron ↗
  6. Art. 3 · Vlaanderen

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 3_VLAAMS_GEWEST.    BEVOEGDE PERSONEN.   De personen bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer en de ter uitvoering daarvan genomen reglementen, zijn :   1° (het personeel van het operationele kader van de federale en de lokale politie;) <KB 2003-04-04/66, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-06-2003>   [1 1° /1 het personeel van het administratieve en logistieke kader van de federale en lokale politie voor wat de vaststellingen die gesteund zijn op materiële bewijsmiddelen die door bemande of onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, betreft;]1   2° (de ambtenaren en beambten van het Bestuur van het Vervoer te Land, van het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur (...), die met een mandaat van gerechtelijke politie belast zijn;) <KB 1996-03-14/32, art. 1, A), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996> <KB 1998-10-09/32, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-11-1998>   3° de ambtenaren en beambten van de Regie der Luchtwegen, die met een mandaat van gerechtelijke politie belast zijn, binnen de grenzen van de luchthavens en van hun aanhorigheden;   4° [2 de voor het toezicht op de openbare weg aangestelde personeelsleden, de wegeninspecteurs, vermeld in artikel 16 van het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, en personeelsleden die de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, en het verkeersveiligheidsbeleid, aanwijst;]2   5° de ambtenaren en beambten van de provinciale wegendiensten, behalve het kantoorpersoneel;   6° het personeel aangesteld voor het bewaken en het bedienen van de in de openbare weg liggende bruggen, voor wat het verkeer op die bruggen en in de nabijheid ervan betreft;   7° het douanepersoneel bij die uitoefening van zijn dienst;   8° de officieren en agenten van de politie der spoorwegen, binnen de perken van hun territoriale bevoegdheid;   9° de conducteurs, controleurs en opzichters van de Algemene Dienst der Militaire Gebouwen, voor wat het gebruik van de militaire wegen betreft;   10° de eerstaanwezende ingenieurs-hoofden van dienst, de rijksingenieurs van Waters en Bossen, de brigade-chefs en technische beambten van het Bestuur van Waters en Bossen, voor wat het verkeer op de boswegen van de Staat betreft;   11° (het personeel van de Belgische militaire politie bij de uitoefening van zijn dienst, uitsluitend inzake de toepassing van artikel 4.1 tot 4.3;) <KB 1996-03-14/32, art. 1, B), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996>   (...) <KB 1996-03-14/32, art. 1, C), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996>   ((12°) Het personeel van de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer bij de uitoefening van zijn dienst, belast met een mandaat van gerechtelijke politie (en uitsluitend inzake de toepassing van de artikelen 5 en de verkeersborden C5 met onderbord " Uitgezonderd 2+ " of " 3+ ", F17 en F18, 72.5 en 72.6, 25.1, 2° en 6°, 62ter alsook 77.8).) <KB 1991-09-18/32, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <KB 1996-03-14/32, art. 1, D), 007; Inwerkingtreding : 01-04-1996> <KB 2002-12-18/37, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 25-12-2002>   (13° de interveniërende leden van de openbare brandweerdiensten en van de diensten van de civiele bescherming op de plaats van de interventie, uitsluitend inzake de toepassing van artikel 4 en voor zover het in punt 1° bedoelde personeel niet op de plaats van de interventie aanwezig is.) <KB 2007-04-27/39, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 19-05-2007>   ----------   (1)<KB 2016-12-14/11, art. 1, 070; Inwerkingtreding : 01-02-2017>   (2)<BVR 2017-11-17/15, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 27-01-2018>
    Open officiële bron ↗
  7. Art. 4 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 4. BINDENDE KRACHT VAN DE BEVELEN VAN DE BEVOEGDE PERSONEN.   4.1. De weggebruikers moeten onmiddellijk gevolg geven aan de bevelen van de bevoegde personen.   4.2. Als bevelen worden inzonderheid beschouwd :   1° de arm recht opgestoken, wat stoppen betekent voor alle weggebruikers, behalve voor die welke zich op een kruispunt bevinden en dit dan ook moeten vrijmaken;   2° de arm of de armen horizontaal uitgestrekt, wat stoppen betekent voor de weggebruikers die naderen uit richtingen welke deze aangewezen door de arm of armen, dwarsen;   3° het overdwars zwaaien met een rood licht, wat stoppen betekent voor de bestuurders naar wie het licht gekeerd is.   4.3. De bevelen gericht tot de in beweging zijnde weggebruikers kunnen slechts gegeven worden door personen die de kentekens van hun functie dragen.   Die kentekens moeten zowel 's nachts als bij dag te herkennen zijn.   4.4. Elke bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig moet dit verplaatsen zodra hij daartoe door een bevoegd persoon aangemaand wordt.   (Weigert de bestuurder of is hij afwezig, dan mag de bevoegde persoon ambtshalve voor de verplaatsing van het voertuig zorgen. De verplaatsing gebeurt op risico en kosten van de bestuurder en de burgerlijk aansprakelijke personen, behalve wanneer de bestuurder afwezig is en het voertuig reglementair is geparkeerd.) <KB 1990-07-20/40, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   Zonder het optreden van een bevoegd persoon kan dit recht in dezelfde omstandigheden, niet door een weggebruiker uitgeoefend worden.
    Open officiële bron ↗
  8. Art. 5 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 5. BINDENDE KRACHT VAN DE VERKEERSTEKENS.   De weggebruikers moeten de verkeerslichten, verkeersborden en wegmarkeringen in acht nemen wanneer deze regelmatig zijn naar de vorm, voldoende zichtbaar zijn en overeenkomstig de voorschriften van dit reglement zijn aangebracht.
    Open officiële bron ↗
  9. Art. 6 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL I. - INLEIDENDE BEPALINGEN.

    Lees de volledige brontekst
    Art. 6.WAARDE VAN DE BEVELEN VAN DE BEVOEGDE PERSONEN, VAN DE VERKEERSTEKENS EN VAN DE VERKEERSREGELS.   6.1. De bevelen van bevoegde personen gaan boven de verkeerstekens alsook boven de verkeersregels.   6.2. De verkeerstekens gaan boven de verkeersregels.   6.3. Als de verkeerslichten op een bepaalde plaats werken gelden hier de verkeersborden betreffende de voorrang niet die op dezelfde weg geplaatst zijn.   Deze bepaling geldt [1 noch voor het oranjegeel knipperlicht, noch voor de lichten boven de rijstroken, noch voor de voorrangsborden B22 en B23]1 .   ----------   (1)<W 2012-08-15/12, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 25-09-2012>
    Open officiële bron ↗
  10. Art. 7 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 7. <KB 2003-04-04/66, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Algemene gedragsregels voor de weggebruikers.   7.1. Elke weggebruiker moet de bepalingen in dit reglement naleven.   Onverminderd de naleving van de bepalingen in dit reglement mag de bestuurder kwetsbaardere verkeersdeelnemers niet in gevaar brengen, met name wanneer het gaat om fietsers en voetgangers, inzonderheid wanneer het kinderen, bejaarden of personen met een handicap betreft.   Hieruit volgt dat, onverminderd de artikelen 40.2 en 40ter, tweede lid, elke bestuurder dubbel voorzichtig moet zijn bij aanwezigheid van dergelijke kwetsbaardere weggebruikers, of wanneer hun aanwezigheid op de openbare weg kan voorzien worden, in het bijzonder op een openbare weg zoals gedefinieerd in artikel 2.38.   7.2. De weggebruikers moeten zich zo gedragen op de openbare weg dat ze geen hinder of gevaar veroorzaken voor de andere weggebruikers, hierin begrepen het personeel dat aan het werk is voor het onderhoud van de wegen en de uitrusting langs de weg, de diensten voor toezicht en de prioritaire voertuigen.   7.3. Het is verboden het verkeer te hinderen of onveilig te maken door voorwerpen, zwerfvuil of stoffen op de openbare weg te werpen, te plaatsen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er rook of stoom te verspreiden, hetzij door er enige belemmering aan te brengen.   7.4. De weggebruiker moet alle maatregelen treffen waardoor beschadiging van de weg kan vermeden worden. Hiertoe moeten de bestuurders, hetzij hun snelheid matigen of de lading van hun voertuig verminderen, hetzij een andere weg volgen.
    Open officiële bron ↗
  11. Art. 7bis · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 7bis.[1 Gebruikers van een voorbewegingstoestel.    De gebruikers van [2 niet-gemotoriseerde]2 voortbewegingstoestellen waarmee niet sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met voetgangers.    De gebruikers van [2 niet-gemotoriseerde]2 voortbewegingstoestellen waarmee sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met fietsers.   [2 De gebruikers van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen worden gelijkgesteld met fietsers.    Echter, de personen met een verminderde mobiliteit die gemotoriseerde voortbewegingstoestellen gebruiken die uitsluitend voor hen zijn bestemd en waarmee niet sneller dan stapvoets wordt gereden, worden gelijkgesteld met voetgangers.]2    De voorschriften die de andere weggebruikers moeten naleven ten opzichte van respectievelijk voetgangers en fietsers, gelden eveneens ten opzichte van gebruikers van voortbewegingstoestellen.]1   ----------   (1)<KB 2016-07-21/34, art. 8, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (2)<W 2022-05-15/07, art. 3, 099; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
    Open officiële bron ↗
  12. Art. 7ter · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 7ter. [1 Bestuurders van een gemotoriseerd rijwiel.    De bestuurders van tweewielige gemotoriseerde rijwielen worden gelijkgesteld met fietsers.    De bestuurders van drie- of vierwielige gemotoriseerde rijwielen worden gelijkgesteld met de bestuurders van drie-of vierwielige rijwielen.    De voorschriften die de andere weggebruikers moeten naleven ten opzichte van respectievelijk fietsers en bestuurders van drie- of vierwielige rijwielen, gelden eveneens ten opzichte van bestuurders van gemotoriseerde rijwielen.]1   ----------   (1)<Ingevoegd bij KB 2016-07-21/34, art. 9, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>
    Open officiële bron ↗
  13. Art. 8 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 8.DE BESTUURDERS.   8.1. Elk voertuig of elke sleep in beweging moet een bestuurder hebben.   Dit geldt ook voor de trek-, last- of rijdieren en het vee, afzonderlijk of in kudde.   8.2. [3 Onverminderd de bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs voorgeschreven leeftijden voor de afgifte van de rijbewijzen is de vereiste minimumleeftijd vastgesteld op :]3   (1° 21 jaar voor de bestuurders van autobussen, trolleybussen en autocars, alsook voor de bestuurders van andere auto's dienend voor bezoldigd vervoer van personen.) <KB 25-03-1987, art. 2>   (Deze leeftijd wordt evenwel teruggebracht op :   a) 17 jaar voor de bestuurders die de opleiding "bestuurders van autobussen en autocars" volgen in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs;) <KB 1998-03-23/31, art. 82, 011; Inwerkingtreding : 01-10-1998>   b) [1 18 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D en D+E bestemd voor geregeld vervoer, bedoeld in [5 artikel 2, 17°]5 van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 [3 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E]3, waarvan het traject ten hoogste 50 kilometer bedraagt en voor de bestuurders van [3 voertuigen van de categorieën D1]3 en D1+E, die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs van vakbekwaamheid D, bedoeld in dit besluit;]1   (c) 18 jaar voor de bestuurders die de scholing volgen en die het praktische examen afleggen voor het behalen van een rijbewijs geldig [voor de categorie D1, D1+E, D of D+E], overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs [en voor de houders van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid geldig [3 voor de categorie D1, D1+E, D of D+E]3, bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 [3 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E]3;) <KB 2008-11-28/35, art. 7, 045; Inwerkingtreding : 10-09-2008>   [d) 20 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën D en D+E [2 ...]2 voor personenvervoer, die houder zijn van, en tevens bij zich hebben, een bewijs van vakbekwaamheid D zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 [3 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E]3.] <KB 2007-05-04/35, art. 72, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2008 en 10 september 2009 voor de bestuurders van voertuigen van groep C; zie 2007-05-04/35, art. 77, L2>   2° 21 jaar voor de bestuurders van andere auto's en slepen, wanneer (de maximale toegelaten massa) meer dan 7,5 ton bedraagt. <KB 1991-09-18/32, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992>   (Deze leeftijd wordt evenwel teruggebracht op :   a) 17 jaar voor de bestuurders die de opleiding "bestuurders van vrachtwagens" volgen in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs;   b) (18 jaar voor de bestuurders van voertuigen van de categorieën C en C+E, houders en dragers van een bewijs van vakbekwaamheid C bedoeld in het koninklijk besluit van 4 mei 2007 [3 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, D1, D1+E, D, D+E]3, alsook voor de bestuurders die zich onderwerpen aan de scholing en zich aanbieden voor het praktisch examen met het oog op het behalen van een rijbewijs geldig voor de categorieën C of C+E overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs of die houder zijn van een voorlopig rijbewijs vakbekwaamheid geldig voor de categorie C of C+E, bedoeld in voormeld koninklijk besluit van 4 mei 2007;) <KB 2008-11-28/35, art. 7, 045; Inwerkingtreding : 10-09-2009>   (c) 18 jaar voor de bestuurders van de voertuigen van de categorie G, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 20 ton bedraagt;   d) 16 jaar voor de bestuurders van de voertuigen van de categorie G, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, met een maximale toegelaten massa van ten hoogste 20 ton en voor de bestuurders van voertuigen van de categorie G die een opleiding volgen en zich aanbieden voor het praktisch examen voor het bekomen van een rijbewijs geldig voor de categorie G, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;) <KB 2006-09-01/33, art. 30, 1°, 032; Inwerkingtreding : 15-09-2006>   3° (18 jaar voor de bestuurders van andere motorvoertuigen.   Deze leeftijd wordt evenwel vastgesteld op :   a) (16 jaar voor de bestuurders van bromfietsen voor zover het voertuig geen andere persoon dan de bestuurder [4 , een instructeur van een erkende rijschool of een examinator]4 vervoert [3 en voor de bestuurders van voertuigen van de categorie A1 bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs]3;) <KB 2006-09-01/33, art. 30, 2°, 032; Inwerkingtreding : 15-09-2006>   b) (17 jaar voor de bestuurders die praktisch rijonderricht volgen met het oog op het behalen van een rijbewijs categorie B of die rijden met een voorlopig rijbewijs categorie B zoals voorzien in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen categorie B.) <KB 2006-07-10/30, art. 43, 030; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   c) 17 jaar voor de bestuurders die de opleiding "bestuurders van vrachtwagens" of "bestuurders van autobussen en autocars" volgen in de derde graad van het secundaire beroepsonderwijs (...); <KB 2006-07-10/30, art. 43, 030; Inwerkingtreding : 01-09-2006>   d) [3 20 jaar voor de bestuurders van motorfietsen van de categorie A bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;]3   e) [3 21 jaar voor de bestuurders van driewielers van de categorie A bedoeld in het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, behalve voor de houders van een rijbewijs geldig voor de categorie B, afgegeven vóór 1 mei 2013;]3.) <KB 2002-05-14/35, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2002>   (Derde lid opgeheven.) <KB 2007-02-13/33, art. 4, 038; Inwerkingtreding : 15-03-2007>   4° 16 jaar voor de bestuurders van bespannen voertuigen;   5° 14 jaar voor de bestuurders van niet ingespannen trekdieren, van last- of rijdieren of van vee.   (Die leeftijd wordt echter teruggebracht op 12 jaar voor de bestuurders van rijdieren, op voorwaarde dat zij begeleid worden door een ruiter die ten minste 21 jaar oud is.) <KB 25-03-1987, art. 3>   [6 6° 16 jaar voor de bestuurders van gemotoriseerde rijwielen.]6   [8 7° 16 jaar voor de bestuurders van gemotoriseerde voortbewegingstoestellen, behalve:    a) in woonerven en erven;    b) op voorbehouden wegen bedoeld in artikelen 22quinquies et 22octies;    c) in voetgangerszones, overeenkomstig artikel 22sexies, 1., tweede lid, 2° ;    d) in speelstraten;    e) voor de personen met een verminderde mobiliteit die gemotoriseerde voortbewegingstoestellen gebruiken die uitsluitend voor hen zijn bestemd.]8   8.3. Elke bestuurder moet in staat zijn te sturen, en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid bezitten.   Hij moet steeds in staat zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren en voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in de hand hebben.   8.4. [7 Behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of geparkeerd is, mag de bestuurder geen mobiel elektronisch apparaat met een scherm gebruiken, vasthouden noch manipuleren, tenzij het in een daartoe bestemde houder aan het voertuig bevestigd is.]7   (8.5. De bestuurder mag het voertuig dat hij bestuurt of de dieren die hij geleidt of bewaakt niet verlaten zonder de nodige voorzorgen te hebben genomen om enig ongeval of enig misbruik door derden te voorkomen.   Als het voertuig voorzien is van een inrichting ter voorkoming van diefstal, moet deze gebruikt worden.   8.6. Het is iedere bestuurder verboden de motor in vrijloopstand herhaaldelijk te versnellen.   De bestuurders mogen daarenboven de motor niet laten draaien in vrijloopstand, behalve ingeval van noodzaak.) <KB 2003-04-04/66, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   ----------   (1)<KB 2009-07-16/02, art. 1, 046; Inwerkingtreding : 10-09-2009>   (2)<KB 2009-09-10/31, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 12-10-2009>   (3)<KB 2011-04-28/01, art.75, 053; Inwerkingtreding : 19-01-2013>   (4)<KB 2013-11-15/04, art. 32, 061; Inwerkingtreding : 07-12-2013>   (5)<KB 2014-01-29/13, art. 3, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (6)<KB 2016-07-21/34, art. 10, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (7)<W 2022-01-24/04, art. 2, 096; Inwerkingtreding : 03-03-2022>   (8)<W 2022-05-15/07, art. 4, 099; Inwerkingtreding : 01-07-2022>
    Open officiële bron ↗
  14. Art. 9 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 9.PLAATS VAN DE BESTUURDERS OP DE OPENBARE WEG.   9.1.1. Wanneer de openbare weg een rijbaan omvat moeten de bestuurders deze rijbaan volgen.   9.1.2. (1° Wanneer de openbare weg een berijdbaar fietspad, aangeduid door wegmarkeringen zoals bepaald in artikel 74, omvat, dan moeten de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A, dit fietspad volgen voor zover het rechts in hun rijrichting ligt. Zij mogen een dergelijk fietspad niet volgen, wanneer dit links in hun rijrichting ligt.   Omvat de openbare weg een berijdbaar fietspad, aangeduid door het verkeersbord D7 of D9, dan moeten de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A, dit fietspad volgen, voor zover het in de door hen gevolgde rijrichting is gesignaleerd. Evenwel, wanneer een dergelijk fietspad links in hun rijrichting ligt, moeten zij dit niet volgen, indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen en op voorwaarde rechts in hun rijrichting te rijden.   (Is een deel van de openbare weg aangeduid met het verkeersbord D10, dan moeten fietsers dit deel van de openbare weg gebruiken.   [5 ...]5) <KB 2003-04-04/66, art. 8, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   [7 Daar waar de snelheid beperkt is tot 50 km/u of minder, hebben de bestuurders van ligfietsen en velomobielen, die een breedte hebben van maximum 1 meter, de keuze tussen het fietspad, het deel van de openbare weg aangeduid door het verkeersbord D10 of de rijbaan.]7   2° (Daar waar de snelheid beperkt is tot 50 km per uur of minder, mogen de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B [2 en speed pedelecs]2 in dezelfde omstandigheden het fietspad aangeduid door het verkeersbord D7 of door wegmarkeringen zoals bepaald in artikel 74 volgen, op voorwaarde dat zij de andere weggebruikers die zich hierop bevinden niet in gevaar brengen. [7 Daarenboven mogen bestuurders van speed pedelecs in dezelfde omstandigheden het fietspad aangeduid door het verkeersbord D9 volgen.]7   Wanneer een hogere snelheidsbeperking geldt, moeten de bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse B [2 en speed pedelecs]2 in dezelfde omstandigheden het fietspad aangeduid door het verkeersbord D7 of door wegmarkeringen zoals bepaald in artikel 74 volgen, wanneer dit aanwezig en bruikbaar is. [7 Daarenboven moeten bestuurders van speed pedelecs in dezelfde omstandigheden het fietspad aangeduid door het verkeersbord D9 volgen.]7   [2 ...]2.   3°. Wanneer de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen het fietspad moeten volgen, mogen zij dat verlaten om van richting te veranderen, om in te halen of om omheen een hindernis te rijden.   4° Zo er geen fietspad is, en op voorwaarde rechts in de rijrichting te rijden en voorrang te verlenen aan de weggebruikers die zich op deze delen van de openbare weg bevinden, mogen fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A de gelijkgrondse bermen en [7 parkeerstroken]7 bedoeld in artikel 75.2 volgen en, buiten de bebouwde kommen, mogen de fietsers bovendien de trottoirs en verhoogde bermen volgen.   [7 Op voorwaarde rechts in de rijrichting te rijden en voorrang te verlenen aan de voetgangers die zich op dit deel van de openbare weg bevinden, mogen bestuurders van rijwielen, bromfietsen klasse A, speed pedelecs, niet ingespannen trekdieren, last- of rijdieren of vee de zijdelingse strook volgen.]7   5°. [4 de fietsers van minder dan 10 jaar mogen in alle omstandigheden de trottoirs en de verhoogde bermen volgen.]4   9.1.3. (De bestuurders van niet ingespannen trekdieren, van last- of rijdieren of van vee mogen, buiten de bebouwde kommen, de gelijkgrondse bermen volgen die rechts in hun richting liggen, op voorwaarde dat zij de andere weggebruikers niet in gevaar brengen.) <KB 25-03-1987, art. 5>   9.2. Wanneer de openbare weg twee of drie rijbanen omvat die duidelijk van elkaar gescheiden zijn, inzonderheid door een effen grond, een niet voor voertuigen toegankelijke ruimte, een verschil in niveau, mogen de bestuurders de ten opzichte van hun rijrichting links gelegen rijbaan niet volgen, behoudens plaatselijke reglementering.   9.3.1. (oud art. 9.3) Elke bestuurder die de rijbaan volgt moet zo dicht mogelijk bij de rechterrand van die rijbaan blijven, behalve op pleinen of om de aanwijzingen van de verkeersborden F 13 en F 15 op te volgen. <KB 2004-04-26/31, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 30-04-2004>   De bestuurder die de aanwijzingen van de verkeersborden F 13 en F 15 heeft opgevolgd moet zijn plaats rechts opnieuw innemen zodra de omstandigheden het toelaten.   (Behalve indien een gedeelte van de openbare weg voor hem is voorbehouden, moet de bestuurder niet zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan rijden op een rotonde.   Hij moet evenwel de markeringen die de rijstroken afbakenen, in acht nemen. In dat geval mag hij de rijstrook volgen die best aan zijn bestemming beantwoordt.) <KB 2003-04-04/66, art. 8, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   (9.3.2. In afwijking van de verplichting zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan te blijven, bedoeld in 9.3.1, mag de bestuurder van een motorfiets op een rijbaan die niet verdeeld is in rijstroken zich over de ganse breedte begeven voor zover deze slechts opengesteld is in zijn rijrichting en op de helft van de breedte langs de rechterzijde indien de rijbaan opengesteld is in beide rijrichtingen. (De bestuurder van een motorfiets mag zich op een rijbaan die verdeeld is in rijstroken over de ganse breedte van de rijstrook waarop hij rijdt, begeven.) <KB 2006-12-28/42, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 01-03-2007>   Het is het geheel van het voertuig, de bestuurder, de passagier en de lading die in aanmerking moeten worden genomen om de plaats van de motorfietser te bepalen.   De rijbewegingen door de bestuurder van een motorfiets uitgevoerd op het gedeelte van de rijbaan dat hij mag innemen, worden niet als manoeuvres zoals bedoeld in artikel 12.4 beschouwd en vereisen geen gebruik van de richtingaanwijzers. De bestuurder mag echter niet de inhaalbewegingen hinderen waarmee achterliggers begonnen zijn.) <KB 2004-04-26/31, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 30-04-2004>   9.4. Binnen de bebouwde kommen mogen de bestuurders de rijstrook volgen die het best aan hun bestemming beantwoordt :   1° op de rijbanen met éénrichtingsverkeer in rijstroken verdeeld;   2° op de rijbanen met tweerichtingsverkeer in vier of meer rijstroken verdeeld, waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting.   9.5. Wanneer de verkeersdichtheid het rechtvaardigt, mag het verkeer in meerdere files geschieden :   1° op rijbanen met tweerichtingsverkeer in vier of meer rijstroken verdeeld, op voorwaarde dat alleen gereden wordt op de rijstroken bestemd voor het verkeer in de gevolgde rijrichting;   2° op rijbanen met éénrichtingsverkeer;   3° op rijbanen verdeeld in rijstroken waarboven verkeerslichten als bedoeld [3 in artikel 62bis]3 zijn aangebracht.   9.6. Behoudens plaatselijke reglementering moet elke bestuurder de inrichtingen bestemd om het verkeer te leiden, zoals zullen en verkeersgeleiders, aan zijn linkerhand laten.   Hij moet ook de vluchtheuvels aan zijn linkerhand laten tenzij wanneer de behoeften van het verkeer het rechtvaardigen deze aan zijn rechterhand te laten.   De verplichting langs een enkele zijde voorbij te rijden kan evenwel opgelegd worden door het verkeersbord D 1.   [1 9.7. Het is verboden op de pechstrook te rijden behalve :    1° voor de prioritaire voertuigen die een dringende opdracht uitvoeren;    2° voor personen of diensten opgeroepen door het openbaar ministerie of door de federale of lokale politie, om zich bij sterk vertraagd of stilstaand verkeer naar de plaats van een incident langs of op de autosnelweg of autoweg te begeven;    3° voor takelwagens, om zich bij sterk vertraagd of stilstaand verkeer, naar de plaats van een incident langs of op de autosnelweg of autoweg te begeven.]1   [6 9.8. In geval van filevorming vormen bestuurders een reddingsstrook als bedoeld in artikel 2.70:    1° wanneer de openbare weg een rijbaan omvat die bestaat uit twee rijstroken begeven de bestuurders op de linkerrijstrook zich uiterst links en de bestuurders op de rechterrijstrook zich uiterst rechts zodat tussen hen een reddingsstrook ontstaat;    2° wanneer de openbare weg een rijbaan omvat die bestaat uit meer dan twee rijstroken begeven de bestuurders op de linkerrijstrook zich uiterst links en begeven de bestuurders op de andere rijstroken zich naar rechts zodat naast de linkerrijstrook een reddingsstrook ontstaat.]6   ----------   (1)<Hersteld bij KB 2014-01-29/13, art. 4, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (2)<KB 2016-07-21/34, art. 11, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (3)<KB 2016-07-21/34, art. 12, 069; Inwerkingtreding : 01-10-2016>   (4)<W 2019-04-13/31, art. 4, 081; Inwerkingtreding : 31-05-2019>   (5)<W 2020-06-22/16, art. 4, 086; Inwerkingtreding : 01-10-2020>   (6)<W 2020-06-22/17, art. 3, 087; Inwerkingtreding : 01-10-2020>   (7)<KB 2022-07-30/21, art. 4, 100; Inwerkingtreding : 01-10-2022>
    Open officiële bron ↗
  15. Art. 10 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 10. SNELHEID.   (10.1.1° Elke bestuurder moet zijn snelheid regelen zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere weggebruikers, in 't bijzonder de meest kwetsbaren, de weersomstandigheden, de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van zijn voertuig; zijn snelheid mag geen oorzaak zijn van ongevallen, noch het verkeer hinderen.) <KB 2003-04-04/66, art. 9, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   2° De bestuurder moet, rekening houdend met zijn snelheid, tussen zijn voertuig en zijn voorligger een voldoende veiligheidsafstand houden.   3° De bestuurder moet in alle omstandigheden kunnen stoppen vóór een hindernis die kan worden voorzien.   10.2. Geen enkele bestuurder mag de normale gang van andere bestuurders hinderen door abnormaal traag te rijden wanneer daar geen geldige reden toe is, of door plots te remmen wanneer dit niet om veiligheidsredenen vereist is.   De bestuurder die de snelheid van zijn voertuig aanzienlijk wil verminderen, moet dit voornemen kenbaar maken door middel van de stoplichten wanneer het voertuig ervan voorzien is of, zoniet, (en indien mogelijk,) door een teken met de arm. <KB 1990-07-20/40, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1991>   10.3. (Elke bestuurder moet vertragen wanneer hij trek-, last- en rijdieren of vee op de openbare weg nadert. Hij moet stoppen indien deze dieren tekenen van angst vertonen.) <KB 25-03-1987, art. 6>   10.4. Het is verboden een bestuurder aan te sporen of uit te dagen overdreven snel te rijden.
    Open officiële bron ↗
  16. Art. 11 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 11.<KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> SNELHEIDSBEPERKINGEN.   11.1. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Binnen de bebouwde kommen is de snelheid beperkt tot 50 km per uur.   Op sommige openbare wegen kan evenwel een lagere of hogere snelheidsbeperking opgelegd of toegelaten worden door het verkeersbord C43.   De lagere snelheidsbeperkingen voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing.   11.2. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Buiten de bebouwde kommen is de snelheid beperkt :   1° tot 120 km per uur :   a) op de autosnelwegen.   [1 De snelheid van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton en van autobussen, is hier evenwel beperkt tot 90 km per uur. De snelheid van autocars waarvan alle zitplaatsen zijn uitgerust met een veiligheidsgordel en met een snelheidsbegrenzer tot 100 km/u, is er beperkt tot 100 km per uur;]1   b) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting, voor zover de rijrichtingen anders dan door wegmarkeringen gescheiden zijn.   De snelheid van voertuigen en slepen (met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton), van autobussen en autocars, is hier evenwel beperkt tot 90 km per uur. <KB 2006-12-21/57, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   De lagere snelheidsbeperkingen opgelegd door het verkeersbord C43 of voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing;   2° tot 90 km per uur :   a) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting en de rijrichtingen gescheiden zijn door wegmarkeringen;   b) op de andere openbare wegen.   De lagere snelheidsbeperkingen voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing.   11.3. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> De snelheid van de voertuigen is volgens de aard van het voertuig, beperkt :   1° tot 75 km per uur voor autobussen en autocars behalve op de onder 11.2.1° en 11.2.2°a) bedoelde wegen;   2° tot 60 km per uur voor andere voertuigen en slepen met luchtbanden en met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton, behalve op de onder 11.2.1° en 11.2.2°a) bedoelde wegen;   3° tot de grens vastgesteld in het technisch reglement van de auto's of, bij ontstentenis daarvan, tot 40 km per uur voor de voertuigen met cushionbanden, met elastische of onbuigzame banden alsook voor de voertuigen die naar bouw en oorsprong niet met een ophanging uitgerust zijn;   4° tot (45) km per uur voor de bromfietsen klasse B; <KB 1997-07-16/32, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   5° tot 25 km per uur voor de bromfietsen klasse A.   ----------   (1)<KB 2018-02-10/04, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
    Open officiële bron ↗
  17. Art. 11 · Wallonië

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 11_WAALS_GEWEST.    <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> SNELHEIDSBEPERKINGEN.   11.1. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Binnen de bebouwde kommen is de snelheid beperkt tot 50 km per uur.   Op sommige openbare wegen kan evenwel een lagere of hogere snelheidsbeperking opgelegd of toegelaten worden door het verkeersbord C43.   De lagere snelheidsbeperkingen voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing.   [2 De snelheid is beperkt tot 30 km/u op de voor voetgangers en fietsers bestemde gedeelten van de openbare weg, aangeduid met het sein D9 of D10.]2   11.2. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Buiten de bebouwde kommen is de snelheid beperkt :   1° tot 120 km per uur :   a) op de autosnelwegen.   [1 De snelheid van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton en van autobussen, is hier evenwel beperkt tot 90 km per uur. De snelheid van autocars waarvan alle zitplaatsen zijn uitgerust met een veiligheidsgordel en met een snelheidsbegrenzer tot 100 km/u, is er beperkt tot 100 km per uur;]1   b) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting, voor zover de rijrichtingen anders dan door wegmarkeringen gescheiden zijn.   De snelheid van voertuigen en slepen (met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton), van autobussen en autocars, is hier evenwel beperkt tot 90 km per uur. <KB 2006-12-21/57, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   De lagere snelheidsbeperkingen opgelegd door het verkeersbord C43 of voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing;   [3 3° tot 70 km per uur op de middenrijbaan.    De lagere snelheidsbeperkingen opgelegd door het verkeersbord C43 of voortvloeiend uit artikel 11.3 blijven van toepassing.]3   2° tot 90 km per uur :   a) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting en de rijrichtingen gescheiden zijn door wegmarkeringen;   b) op de andere openbare wegen.   De lagere snelheidsbeperkingen voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing.   11.3. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> De snelheid van de voertuigen is volgens de aard van het voertuig, beperkt :   1° tot 75 km per uur voor autobussen en autocars behalve op de onder 11.2.1° en 11.2.2°a) bedoelde wegen;   2° tot 60 km per uur voor andere voertuigen en slepen met luchtbanden en met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton, behalve op de onder 11.2.1° en 11.2.2°a) bedoelde wegen;   3° tot de grens vastgesteld in het technisch reglement van de auto's of, bij ontstentenis daarvan, tot 40 km per uur voor de voertuigen met cushionbanden, met elastische of onbuigzame banden alsook voor de voertuigen die naar bouw en oorsprong niet met een ophanging uitgerust zijn;   4° tot (45) km per uur voor de bromfietsen klasse B; <KB 1997-07-16/32, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   5° tot 25 km per uur voor de bromfietsen klasse A.   ----------   (1)<KB 2018-02-10/04, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2018>   (2)<BWG 2021-09-09/09, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 02-10-2021>   (3)<BWG 2023-06-15/25, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 09-11-2023>
    Open officiële bron ↗
  18. Art. 11 · Brussel

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> SNELHEIDSBEPERKINGEN.   11.1. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Binnen de bebouwde kommen is de snelheid beperkt tot [2 30]2 km per uur.   Op sommige openbare wegen kan evenwel een lagere of hogere snelheidsbeperking opgelegd of toegelaten worden door het verkeersbord C43.   De lagere snelheidsbeperkingen voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing.   11.2. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Buiten de bebouwde kommen is de snelheid beperkt :   1° tot 120 km per uur :   a) op de autosnelwegen.   [1 De snelheid van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton en van autobussen, is hier evenwel beperkt tot 90 km per uur. De snelheid van autocars waarvan alle zitplaatsen zijn uitgerust met een veiligheidsgordel en met een snelheidsbegrenzer tot 100 km/u, is er beperkt tot 100 km per uur;]1   b) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting, voor zover de rijrichtingen anders dan door wegmarkeringen gescheiden zijn.   De snelheid van voertuigen en slepen (met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton), van autobussen en autocars, is hier evenwel beperkt tot 90 km per uur. <KB 2006-12-21/57, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 01-02-2007>   De lagere snelheidsbeperkingen opgelegd door het verkeersbord C43 of voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing;   2° tot [2 70]2 km per uur :   a) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting en de rijrichtingen gescheiden zijn door wegmarkeringen;   b) op de andere openbare wegen.   [3 De lagere of hogere snelheidsbeperkingen opgelegd of toegelaten door het verkeersbord C43, of de beperkingen voortvloeiend uit artikel 11.3. wanneer deze lager zijn dan de andere snelheidsbeperkingen, blijven van toepassing.]3   11.3. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> De snelheid van de voertuigen is volgens de aard van het voertuig, beperkt :   1° tot 75 km per uur voor autobussen en autocars behalve op de onder 11.2.1° en 11.2.2°a) bedoelde wegen;   2° tot 60 km per uur voor andere voertuigen en slepen met luchtbanden en met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton, behalve op de onder 11.2.1° en 11.2.2°a) bedoelde wegen;   3° tot de grens vastgesteld in het technisch reglement van de auto's of, bij ontstentenis daarvan, tot 40 km per uur voor de voertuigen met cushionbanden, met elastische of onbuigzame banden alsook voor de voertuigen die naar bouw en oorsprong niet met een ophanging uitgerust zijn;   4° tot (45) km per uur voor de bromfietsen klasse B; <KB 1997-07-16/32, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>   5° tot 25 km per uur voor de bromfietsen klasse A.   ----------   (1)<KB 2018-02-10/04, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2018>   (2)<BESL 2020-07-16/09, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2021>   (3)<BESL 2021-09-22/10, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 18-10-2021>
    Open officiële bron ↗
  19. Art. 11 · Vlaanderen

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 11_VLAAMS_GEWEST.   <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> SNELHEIDSBEPERKINGEN.    11.1. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Binnen de bebouwde kommen is de snelheid beperkt tot 50 km per uur.    Op sommige openbare wegen kan evenwel een lagere of hogere snelheidsbeperking opgelegd of toegelaten worden door het verkeersbord C43.    De lagere snelheidsbeperkingen voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing.    11.2. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> Buiten de bebouwde kommen is de snelheid beperkt :    1° tot 120 km per uur :    a) op de autosnelwegen;   [2 De snelheid van voertuigen en slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton en van autobussen, is hier evenwel beperkt tot 90 km per uur. De snelheid van autocars waarvan alle zitplaatsen zijn uitgerust met een veiligheidsgordel en met een snelheidsbegrenzer tot 100 km/u, is er beperkt tot 100 km per uur.]2    b) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting, voor zover de rijrichtingen anders dan door wegmarkeringen gescheiden zijn.    De snelheid van voertuigen en slepen (met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton), van autobussen en autocars, is hier evenwel beperkt tot 90 km per uur. <KB 2006-12-21/57, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 01-02-2007>    De lagere snelheidsbeperkingen opgelegd door het verkeersbord C43 of voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing;    2° tot 90 km per uur [1 , op voorwaarde dat door middel van een verkeersbord C43 de snelheid beperkt is tot 90 km per uur]1:    a) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting en de rijrichtingen gescheiden zijn door wegmarkeringen;    b) op de andere openbare wegen.    De lagere snelheidsbeperkingen [1 ...]1 voortvloeiend uit artikel 11.3. blijven van toepassing.   [1 3° tot 70 km per uur :    a) op de openbare wegen verdeeld in vier of meer rijstroken waarvan er ten minste twee bestemd zijn voor iedere rijrichting en de rijrichtingen gescheiden zijn door wegmarkeringen;    b) op de andere openbare wegen.    Op sommige openbare wegen kan evenwel een lagere of hogere snelheidsbeperking opgelegd of toegelaten worden door het verkeersbord C43.    De lagere snelheidsbeperkingen voortvloeiend uit artikel 11.3 blijven van toepassing.]1    11.3. <KB 1991-09-18/32, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1992> De snelheid van de voertuigen is volgens de aard van het voertuig, beperkt :    1° tot 75 km per uur voor autobussen en autocars behalve op de onder 11.2.1° en 11.2.2°a) bedoelde wegen;    2° tot 60 km per uur voor andere voertuigen en slepen met luchtbanden en met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton, behalve op de onder 11.2.1° en 11.2.2°a) bedoelde wegen;    3° tot de grens vastgesteld in het technisch reglement van de auto's of, bij ontstentenis daarvan, tot 40 km per uur voor de voertuigen met cushionbanden, met elastische of onbuigzame banden alsook voor de voertuigen die naar bouw en oorsprong niet met een ophanging uitgerust zijn;    4° tot (45) km per uur voor de bromfietsen klasse B; <KB 1997-07-16/32, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>    5° tot 25 km per uur voor de bromfietsen klasse A.   ----------   (1)<BVR 2015-10-30/21, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 01-01-2017>   (2)<KB 2018-02-10/04, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
    Open officiële bron ↗
  20. Art. 12 · Federaal

    Brontekst

    Justel 1975120131 / TITEL II. - REGELS VOOR HET GEBRUIK VAN DE OPENBARE WEG. <KB 2003-04-04/66, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

    Lees de volledige brontekst
    Art. 12.VERPLICHTING VOORRANG TE VERLENEN.   (12.1 Elke weggebruiker moet voorrang verlenen aan de spoorvoertuigen; daartoe moet hij zich zo snel mogelijk van de sporen verwijderen.) <KB 2003-04-04/66, art. 10, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004>   12.2. De bestuurder die een kruispunt oprijdt moet dubbel voorzichtig zijn ten einde alle ongevallen te voorkomen.   12.3.1. (Elke bestuurder moet voorrang verlenen aan de bestuurder die van rechts komt, behalve indien hij op een rotonde rijdt of indien de bestuurder die van rechts komt uit een verboden rijrichting komt.) <KB 2007-01-29/37, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 01-03-2007>   De bestuurder moet evenwel voorrang verlenen aan iedere bestuurder die rijdt op de openbare weg of de rijbaan die hij oprijdt :   a) wanneer hij uit een openbare weg of een rijbaan met een verkeersbord B 1 (omgekeerde driehoek) of met een verkeersbord B 5 (stop) komt;   b) wanneer hij uit een aardeweg of een pad op een openbare weg met een rijbaan komt.   12.3.2. (opgeheven) <KB 2007-01-29/37, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 01-03-2007>   12.4. De bestuurder die een maneuver wil uitvoeren, moet voorrang verlenen aan de andere weggebruikers.   (Worden inzonderheid als manoeuvres beschouwd : van rijstrook of van file veranderen, de rijbaan oversteken, (...) een parkeerplaats verlaten of oprijden, uit een aanpalende eigendom komen, keren of achteruitrijden (...).) <KB 2003-04-04/66, art. 10, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2007-01-29/37, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 01-03-2007>   (Wordt niet als manoeuvre beschouwd : zich op het einde van een fietspad op de rijbaan begeven om rechtdoor te rijden [1 of van rijstrook of van file veranderen bij het ritsen bedoeld in artikel 12bis]1 .) <KB 2002-05-14/35, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 31-05-2002>   (12.4bis. De bestuurder die een trottoir of een fietspad oversteekt, moet voorrang verlenen aan de weggebruikers die overeenkomstig dit besluit [2 gebruik maken van]2 het trottoir of fietspad [2 ...]2 .) <KB 2007-01-29/37, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 01-03-2007>   12.5. De bestuurder die voorrang moet verlenen, mag slechts verder rijden indien hij zulks kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop zij zich bevinden.   ----------   (1)<KB 2014-01-29/13, art. 5, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   (2)<KB 2014-01-29/13, art. 6, 062; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
    Open officiële bron ↗